Inkomstenbelasting

Afschrijving op gebouwen

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De afschrijvingsbeperking voor gebouwen begrenst hoeveel een belastingplichtige fiscaal op een gebouw mag afschrijven zolang de boekwaarde nog boven een bodemwaarde ligt die is gekoppeld aan de WOZ-waarde. De regeling is neergelegd in art. 3.30a Wet IB 2001 en werkt via de winstbepaling volgens goed koopmansgebruik ook door in de vennootschapsbelasting. Zij voorkomt dat ondernemers en vennootschappen fiscaal blijven afschrijven op vastgoed terwijl de economische waarde van dat vastgoed, benaderd via de WOZ-waardering, niet in dezelfde mate daalt: zonder de beperking zou een gebouw in theorie tot nihil kunnen worden afgeschreven, terwijl de WOZ-waarde intussen kan zijn gestegen.

De regeling kent een bewogen geschiedenis met drie fasen. Bij de Wet werken aan winst is de afschrijvingsbeperking per 1 januari 2007 ingevoerd: voor een gebouw ter belegging (verhuurd) gold meteen de volle WOZ-waarde als bodemwaarde, voor een gebouw in eigen gebruik werd de bodemwaarde vanwege de gevoeligheid van dat onderscheid verzacht tot 50% van de WOZ-waarde. Per 1 januari 2019 is voor Vpb-plichtige lichamen de bodemwaarde voor een gebouw in eigen gebruik verhoogd naar 100% van de WOZ-waarde, als grondslagverbredende maatregel ter (gedeeltelijke) financiering van een Vpb-tariefsverlaging; belastingplichtigen die op dat moment nog geen drie volledige boekjaren hadden afgeschreven, mochten de resterende jaren van die driejaarsperiode nog volgens de oude 50%-regel afschrijven. Per 1 januari 2024 is dezelfde stap gezet voor IB-ondernemers en resultaatgenieters: ook voor hen geldt sindsdien 100% van de WOZ-waarde als bodemwaarde voor een gebouw in eigen gebruik, met een vergelijkbare driejaars-overgangsregeling. Sindsdien is het onderscheid tussen eigen gebruik en belegging voor de hoogte van de bodemwaarde verdwenen: elk gebouw kent nu dezelfde bodemwaarde, ongeacht de belastingplicht (IB of Vpb) of het gebruik.

De kern van de regeling is dat de boekwaarde van een gebouw door afschrijving nooit onder de bodemwaarde mag zakken. Zodra boekwaarde en bodemwaarde gelijk zijn, is voor dat gebouw voor het betreffende jaar geen fiscale afschrijving meer mogelijk, ongeacht de bedrijfseconomische afschrijvingstermijn. De regeling raakt zowel gebouwen in eigen gebruik als gebouwen die worden aangehouden als belegging, en is daarmee relevant voor een brede groep belastingplichtigen: van ondernemers met een bedrijfspand tot vastgoedbeleggers en verhuurders.

Rondom de kernbepaling spelen vooral afbakeningsvragen: wat behoort tot "het gebouw" (en dus tot de afschrijvingsbeperkte eenheid), wat geldt als afzonderlijk werktuig, en hoe wordt de WOZ-waarde bepaald en toegerekend wanneer die niet één-op-één op het gebouw ziet. Deze afbakeningsvragen zijn in de praktijk vaak bepalender voor de uitkomst dan de hoofdregel zelf.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op bij de jaarlijkse winstbepaling van elke onderneming of vennootschap met vastgoed op de balans: bij de bepaling van de maximale fiscale afschrijving op bedrijfspanden, verhuurd vastgoed en beleggingspanden (voor verhuurd vastgoed gelden daarnaast de eigen regels rond btw en onroerend goed). Het speelt ook bij de vraag of specifieke installaties of bouwwerken, zoals zonnepanelen, aanbouw of overkappingen, meetellen als onderdeel van het gebouw of als zelfstandig, niet-beperkt bedrijfsmiddel. Verder is de regeling relevant bij investeringen door huurders in gehuurd vastgoed, bij situaties van mede-eigendom van een gebouw, bij personeelswoningen en flexwoningen, en bij transacties of investeringen tussen verbonden personen of lichamen (partner, minderjarige kinderen, aanmerkelijkbelanghouders) waarbij de wet gezamenlijke gebouwen als één investering behandelt.

Hoe werkt de afschrijvingsbeperking

Wie en wat vallen eronder. De beperking geldt voor elke IB-ondernemer, resultaatgenieter of Vpb-plichtig lichaam met een gebouw als bedrijfsmiddel. Het begrip "gebouw" is in de wet niet gedefinieerd en wordt volgens spraakgebruik uitgelegd; de Belastingdienst heeft dit begrip inmiddels uitdrukkelijk ook van toepassing geacht op flexwoningen (verplaatsbare woningen op stelconplaten, geplaatst voor ten minste tien jaar), ook al zijn die relatief eenvoudig te demonteren en te verplaatsen. Voor de beperking is verder van belang of iets een zelfstandig, afscheidbaar werktuig is: dat blijft buiten de bodemwaarde-toets.

Wat de bodemwaarde is. De bodemwaarde is de WOZ-waarde van het gebouw. Sinds de gelijktrekking van 2024 geldt hetzelfde percentage voor elke combinatie van belastingmiddel en gebruik:

PeriodeGebouw ter belegging (verhuurd)Gebouw in eigen gebruik — Vpb-lichaamGebouw in eigen gebruik — IB-onderneming/resultaat
Vanaf 1 januari 2007100% WOZ-waarde50% WOZ-waarde50% WOZ-waarde
Vanaf 1 januari 2019100% WOZ-waarde100% WOZ-waarde50% WOZ-waarde
Vanaf 1 januari 2024100% WOZ-waarde100% WOZ-waarde100% WOZ-waarde

Voor belastingplichtigen die bij de wijziging van 2019 (Vpb) of 2024 (IB) nog geen drie volledige boekjaren op het gebouw hadden afgeschreven, geldt overgangsrecht: zij mogen de resterende jaren van die driejaarsperiode nog afschrijven volgens de bodemwaarde die daarvoor gold (50% WOZ). Bij een IB-ondernemer met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar die het gebouw bijvoorbeeld op 1 juli 2023 in gebruik heeft genomen, loopt dat overgangsrecht door tot en met 2026.

Gevolg van toepassing. Zolang de boekwaarde boven de bodemwaarde ligt, is afschrijving mogelijk tot maximaal het verschil tussen beide. Zodra boekwaarde en bodemwaarde samenvallen, is voor dat jaar geen afschrijving meer toegestaan; een eventuele verdere waardedaling kan wel via afwaardering naar lagere bedrijfswaarde in aanmerking worden genomen, want die route wordt door de bodemwaarde niet begrensd. Een gebouw kan in een later jaar weer wél afschrijfbaar worden als de WOZ-waarde (en dus de bodemwaarde) daalt, zonder dat dit tot een belaste opwaardering leidt.

Procedure. De toets is geen keuze en vergt geen aanvraag: bij elke jaarlijkse winstbepaling wordt per gebouw beoordeeld of de boekwaarde nog boven de bodemwaarde ligt. Voor de WOZ-waarde die daarbij geldt, is bepalend het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt als de winst over een gebroken boekjaar wordt bepaald.

Reikwijdte: wat wel en niet meetelt. Onder het gebouw vallen de ondergrond en de aanhorigheden; deze worden voor de afschrijving als één bedrijfsmiddel behandeld. Voor de berekening van de afschrijving op zo'n samengesteld geheel kan met een mengpercentage worden gewerkt, waarbij de afschrijvingsbedragen van de samenstellende delen worden opgeteld en vertaald naar één percentage van de totale aanschaffingskosten. Een aanhorigheid die op zichzelf als zelfstandig bedrijfsmiddel zou kunnen kwalificeren, mag ook los daarvan worden afgeschreven, mits de gezamenlijke boekwaarde van gebouw en aanhorigheid aan de bodemwaarde wordt getoetst. Werktuigen die zonder noemenswaardige beschadiging van het gebouw kunnen worden afgescheiden en die niet zelf als gebouwde eigendom gelden, vallen buiten de beperking en worden regulier afgeschreven. Zo geldt de afschrijvingsbeperking niet voor een zonnepaneleninstallatie die uitsluitend stroom levert aan het net voor risico van de investeerder, terwijl zij wél geldt voor het deel van zo'n installatie dat is aangesloten op het elektriciteitsnet van het gebouw zelf, omdat dat deel als onderdeel van (of aanhorigheid bij) het gebouw geldt. Personeelswoningen worden niet als gebouw in eigen gebruik maar als "ter beschikking gesteld gebouw" aangemerkt, omdat personeel niet als verbonden persoon geldt; zij zijn daarom altijd tot 100% van de WOZ-waarde afschrijfbaar geweest, ook toen voor eigen gebruik in de IB nog 50% gold.

Wettelijk kader

Art. 3.30a lid 1 Wet IB 2001 stelt twee cumulatieve eisen aan afschrijving op een gebouw: er moet ruimte zijn tussen boekwaarde en bodemwaarde, en de afschrijving zelf is nooit groter dan dat verschil. Zodra de boekwaarde op de bodemwaarde is beland, is verdere afschrijving op dat gebouw voor dat jaar uitgesloten.

Lid 2 bepaalt dat voor de afschrijving én de afwaardering tot lagere bedrijfswaarde de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel worden beschouwd. Deze eenheid-van-bedrijfsmiddel-regel geldt dus voor beide vormen van waardevermindering, terwijl lid 1 met de bodemwaarde alleen de afschrijving begrenst. Daarop volgt de werktuigenvrijstelling: werktuigen die van een gebouw kunnen worden afgescheiden zonder beschadiging van betekenis en die niet zelf als gebouwde eigendom zijn aan te merken, worden als afzonderlijk bedrijfsmiddel beschouwd en vallen dus buiten de bodemwaarde-beperking.

Lid 3 koppelt de bodemwaarde aan de WOZ-waarde van het gebouw; sinds de wetswijziging van 2024 is dat voor elk gebouw zonder onderscheid de volle WOZ-waarde. Lid 4 werkt uit hoe die WOZ-waarde wordt vastgesteld, langs drie nevengeschikte, niet-cumulatieve routes: (a) de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde voor het gebouw; (b) indien het gebouw deel uitmaakt van een grotere onroerende zaak, het daaraan toe te rekenen deel van de bij beschikking vastgestelde waarde; en (c) een vangnet voor het geval onderdeel a of b geen toepassing vindt omdat één of meer beschikkingen ontbreken, waarbij de waarde met overeenkomstige toepassing van de waarderingsbepalingen van de Wet WOZ wordt bepaald. De vangnetroute van onderdeel c is met name van belang wanneer voor het gebouw (nog) geen WOZ-beschikking bestaat; omdat zij teruggrijpt op de Wet WOZ, kan de waarderingsmethodiek verschillen naar gelang het gebouw in eigen gebruik is (doorgaans woningen) dan wel wordt verhuurd (doorgaans niet-woningen).

Lid 5 regelt de verdeling van de WOZ-waarde naar rato bij mede-eigendom. Lid 6 ziet op de situatie waarin de (economische) eigendom van de ondergrond geheel of gedeeltelijk bij een ander dan een verbonden persoon of lichaam berust: de bodemwaarde wordt dan verminderd met het aan die ondergrond toe te rekenen deel; grond die tot de aanhorigheden behoort, geldt daarbij als onderdeel van de ondergrond. Lid 7 bevat een samentelbepaling voor investeringen van de belastingplichtige en een verbonden persoon of lichaam die tezamen als investering in één gebouw zouden kwalificeren: de afschrijving wordt dan berekend alsof beide investeerders één en dezelfde persoon zijn, en vervolgens naar rato over hen verdeeld. Deze bepaling voorkomt dat de beperking wordt omzeild door een investering over twee gelieerde partijen te verdelen, en werkt ook door wanneer de eigenaar van het gebouw zelf geen fiscale boekwaarde heeft (bijvoorbeeld een niet-belastingplichtige gemeente): in dat geval wordt voor de toepassing van lid 7 alsnog een boekwaarde bepaald alsof het gebouw vanaf verkrijging tot de ondernemingssfeer van die eigenaar had behoord. De leden 8 tot en met 10 vullen in wie als verbonden persoon of lichaam geldt: de partner, minderjarige kinderen, en vennootschappen waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden (met een uitzondering voor bepaalde fictieve aanmerkelijkbelangsituaties).

Belangrijkste rechtspraak

De afbakening van "aanhorigheden". De Hoge Raad heeft in twee arresten van dezelfde dag het begrip "aanhorigheden" in art. 3.30a lid 2 Wet IB 2001 afgebakend. In ECLI:NL:HR:2020:65 (2020) oordeelde de Hoge Raad dat voor dit begrip beslissend is of het bouwwerk bij het gebouw behoort, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is; de strengere maatstaf die geldt voor de vraag of iets "onderdeel van een gebouw" is, is daarop niet van toepassing. In het vrijwel gelijkluidende ECLI:NL:HR:2020:64 (2020) bevestigde de Hoge Raad dezelfde maatstaf en voegde toe dat niet vereist is dat het bouwwerk onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar is aan het gebouw. Deze twee arresten vormen de basis waarop kennisgroepstandpunten over zonnepanelen en flexwoningen later voortbouwen: steeds wordt getoetst of iets bij het gebouw behoort, in gebruik is en dienstbaar is, niet of het onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar is.

Bewijslast rond boekwaarde en WOZ-waarde. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in ECLI:NL:GHARL:2020:9545 (2020) een uitspraak van de rechtbank in een geschil over een aanslag vennootschapsbelasting waarbij afschrijving en afwaardering van als belegging aangehouden onroerende zaken aan de orde waren: nu de belastingplichtige niet aannemelijk had gemaakt dat de boekwaarden van de betrokken panden hoger waren dan de respectieve WOZ-waarden, zag het hof geen aanleiding voor verdere vermindering van de aanslag. De uitspraak illustreert dat de bewijslast dat er nog afschrijvingsruimte is, op de belastingplichtige rust.

Kostprijscorrecties die de bodemwaardetoets raken. De conclusie in ECLI:NL:PHR:2020:1079 (2020) van het Parket bij de Hoge Raad ging over de vraag of de heffingsvermindering verhuurderheffing bij investering in sociale huurwoningen voor de vennootschapsbelasting moet worden aangemerkt als een investeringssubsidie die op de kostprijs wordt afgeboekt, of als een element van het heffingssysteem dat alleen de aftrekbare verhuurderheffing vermindert. De Hoge Raad besliste vervolgens in ECLI:NL:HR:2022:1036 (8 juli 2022) dat de heffingsvermindering wél als investeringssubsidie geldt en dus in mindering moet komen op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van de huurwoningen; goed koopmansgebruik staat niet toe dat zij direct in de winst wordt genomen. Deze kwalificatie raakt rechtstreeks de boekwaarde waarvan de afschrijving onder art. 3.30a wordt berekend: een lagere boekwaarde door de afboeking betekent eerder geen afschrijvingsruimte meer boven de bodemwaarde.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij elk gebouw afzonderlijk is van belang of de boekwaarde nog boven de bodemwaarde ligt en welk percentage van de WOZ-waarde voor dat gebouw geldt; sinds 2024 is dat voor elk gebouw 100%, maar voor gebouwen in eigen gebruik die vóór 2024 (IB) of 2019 (Vpb) al in gebruik waren en nog geen drie volledige boekjaren waren afgeschreven, kan het overgangsrecht met de oude 50%-bodemwaarde nog doorlopen.
  • Van belang is welke bouwwerken en installaties als aanhorigheid (en dus onderdeel van het bodemwaarde-beperkte gebouw) kwalificeren en welke als afscheidbaar werktuig buiten de beperking vallen. Bij zonnepanelen is beslissend of de installatie is aangesloten op het net van het gebouw zelf; bij flexwoningen en andere verplaatsbare bouwwerken telt vooral of zij naar spraakgebruik als gebouw gelden, niet of zij eenvoudig te demonteren zijn.
  • Bij de keuze tussen een mengpercentage voor gebouw en aanhorigheden samen, of een zelfstandige afschrijving op de aanhorigheid, blijft de gezamenlijke boekwaarde bepalend voor de toets aan de bodemwaarde; beide methoden leiden tot hetzelfde totale afschrijvingsbedrag zolang die toets consequent wordt toegepast.
  • Personeelswoningen worden voor de bodemwaarde als ter beschikking gesteld gebouw behandeld, niet als eigen gebruik, met als gevolg dat zij ook onder het (oude) IB-regime al tot 100% van de WOZ-waarde afschrijfbaar waren.
  • Bij mede-eigendom, ondergrond in andermans (economische) eigendom, of investeringen samen met een verbonden persoon of lichaam gelden afzonderlijke correctiemechanismen (leden 5 tot en met 7); dat laatste mechanisme werkt ook door wanneer de eigenaar van het gebouw zelf geen fiscale boekwaarde heeft, zoals bij huurdersinvesteringen in een pand van een niet-belastingplichtig verbonden lichaam.
  • Bij investeringen die de fiscale kostprijs raken, zoals subsidies of heffingsverminderingen die op de boekwaarde worden afgeboekt, bepaalt eerst de fiscale kwalificatie van die post de basis waarover de afschrijvingsbeperking van art. 3.30a wordt berekend. Dezelfde boekwaarde is ook het uitgangspunt bij verkoop van een gebouw, onder meer voor de vaststelling van de boekwinst en een eventuele herinvesteringsreserve.

Recente ontwikkelingen

Bij de Wet werken aan winst is de afschrijvingsbeperking per 1 januari 2007 ingevoerd met een verzachte bodemwaarde (50% WOZ) voor gebouwen in eigen gebruik. Per 1 januari 2019 is de bodemwaarde voor eigen gebruik in de vennootschapsbelasting verhoogd naar 100% van de WOZ-waarde, met driejaars-overgangsrecht voor lopende afschrijvingstrajecten. Naar aanleiding van het arrest ECLI:NL:HR:2022:1036 over de verhuurderheffing publiceerde de kennisgroep in 2023 het standpunt (KG:213:2023:4) dat de heffingsvermindering verhuurderheffing als objectsubsidie op de boekwaarde van de huurwoningen moet worden afgeboekt en dat de foutenleer daarbij toepasbaar is. Per 1 januari 2024 is het onderscheid tussen IB en Vpb weggenomen: ook voor IB-ondernemers en resultaatgenieters geldt sindsdien 100% van de WOZ-waarde als bodemwaarde voor een gebouw in eigen gebruik, met vergelijkbaar overgangsrecht. In 2024 en 2025 zijn daarnaast kennisgroepstandpunten gepubliceerd die de afbakening van het gebouwbegrip verder invullen: over huurdersinvesteringen in gebouwen zonder fiscale boekwaarde (KG:213:2025:8, afschrijving mogelijk met de bodemwaarde als basis), over de beperking van de afschrijving op zonnepanelinstallaties op het dak van verhuurd vastgoed voor het op het net van het gebouw aangesloten deel (KG:213:2024:7), en over de kwalificatie van flexwoningen als gebouw in de zin van art. 3.30a Wet IB 2001 (KG:213:2025:10). Deze standpunten laten zien dat de afbakening tussen gebouw en zelfstandig bedrijfsmiddel, en de toepassing van de bodemwaarderegel op nieuwere vastgoedvormen, onderwerp van doorlopende standpuntbepaling blijft.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 2 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.