Inkomstenbelasting

Herinvesteringsreserve

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De herinvesteringsreserve (HIR) stelt een ondernemer in staat de boekwinst op de verkoop, het verlies of de beschadiging van een bedrijfsmiddel niet direct te belasten, maar te reserveren zolang het voornemen bestaat die winst in een vervangend bedrijfsmiddel te herinvesteren. Bij herinvestering wordt de reserve afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het nieuwe bedrijfsmiddel: de boekwinst verdwijnt niet, maar de heffing erover schuift door naar de toekomst via een lagere afschrijvingsbasis (en dus hogere toekomstige winsten). Zonder de regeling zou een ondernemer die noodgedwongen of bedrijfseconomisch gewenst een bedrijfsmiddel vervangt, direct moeten afrekenen over de boekwinst, terwijl de opbrengst al in het vervangende bedrijfsmiddel is geïnvesteerd.

Drie begrippen dragen de regeling. De opbrengst is wat bij vervreemding wordt ontvangen, of — bij verlies of beschadiging — de daarvoor ontvangen vergoeding. De boekwaarde is de fiscale boekwaarde onmiddellijk voorafgaand aan die vervreemding. Het verschil tussen beide, voor zover positief, is de boekwinst die in de reserve terechtkomt. Het herinvesteringsvoornemen ten slotte is geen momentopname bij de verkoop, maar moet op ieder volgend balansmoment tot het moment van afboeking of vrijval opnieuw aannemelijk zijn.

De kernregeling staat in art. 3.54 Wet IB 2001 en werkt via de winstbepalingsregels door naar de vennootschapsbelasting. Daaromheen staan twee aanpalende bepalingen: art. 12a Wet VPB 1969, een antimisbruikregel die ingrijpt bij aandeelhouderswisselingen in lichamen met een openstaande HIR, en art. 3.64 Wet IB 2001, dat bij bedrijfsbeëindiging een vergelijkbare doorschuiving toestaat via te conserveren inkomen. Sinds 1 januari 2024 is daar art. 3.54aa Wet IB 2001 bijgekomen: dat verruimt de HIR voor het geval van gedeeltelijke staking door overheidsingrijpen, waarbij herinvestering in een andere onderneming van dezelfde belastingplichtige mag plaatsvinden.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op bij verkoop of ander verlies van een bedrijfsmiddel met een boekwinst: de verkoop van bedrijfspanden, machines of andere activa binnen een onderneming of BV, onteigening, brand- of andere schade aan een bedrijfsmiddel. Het speelt ook bij gedeeltelijke staking van een onderneming waarbij in een ander bedrijfsonderdeel wordt geherinvesteerd, en bij volledige bedrijfsbeëindiging waarbij de ondernemer voornemens is de stakingswinst in een andere onderneming te herinvesteren. Binnen de vennootschapsbelasting is het thema daarnaast relevant bij aandeelhouderswisselingen in vennootschappen die een HIR op de balans hebben staan, en bij ontvoeging uit een fiscale eenheid waarbij boekwinsten ontstaan. Ook bij het staken van een tak van een gemengd bedrijf met herinvestering in de andere tak, en bij de terbeschikkingstelling van bedrijfsmiddelen aan een gelieerde vennootschap, raakt de HIR aan andere regelingen.

Voorwaarden en werking

Wie/wat kwalificeert. Voor toepassing van de HIR moet aan alle volgende voorwaarden zijn voldaan:

  1. Er is een bedrijfsmiddel vervreemd, of het is verloren gegaan of beschadigd — dat laatste wordt voor de regeling met vervreemding gelijkgesteld en de ontvangen vergoeding geldt dan als opbrengst (art. 3.54 lid 6 Wet IB 2001).
  2. Het gaat om een bedrijfsmiddel in de zin van de regeling: vermogensrechten die ter belegging worden gehouden en voorwerpen van geringe waarde tellen niet mee (art. 3.54 lid 7).
  3. De opbrengst overtreft de boekwaarde onmiddellijk voorafgaand aan de vervreemding; het verschil is de boekwinst die gereserveerd kan worden (art. 3.54 lid 1).
  4. Op het moment van vervreemding, en op elk volgend moment tot afboeking, bestaat het voornemen tot herinvestering.
  5. Bij bedrijfsmiddelen waarop niet of in meer dan tien jaar wordt afgeschreven — doorgaans grond en bepaalde gebouwen — moet het vervangende bedrijfsmiddel dezelfde economische functie hebben als het vervreemde (art. 3.54 leden 3 en 4), tenzij sprake is van overheidsingrijpen.

Cijfers, grenzen en termijnen. De belangrijkste kwantitatieve elementen, naar geldend recht:

ElementGrens of termijnBronToepasselijk
Herinvesteringstermijnjaar van vervreemding plus de drie daaropvolgende jarenart. 3.54 leden 1 en 5 Wet IB 2001geldend recht 2026
Verlenging termijntoegestaan bij aard van het aan te schaffen bedrijfsmiddel, of bij vertraging door bijzondere omstandigheden mits al begonnen met uitvoeringart. 3.54 lid 5 onderdelen a en bgeldend recht 2026
Vermoeden van overheidsingrijpenvervreemding binnen drie jaar na inwerkingtreding van het beperkende besluitart. 3.54 lid 13geldend recht 2026
Vrijstellingsdrempel aandeelhouderswisselingbelang van ten minste een derde deel bij aanvang van het jaar waarin de HIR is gevormdart. 12a lid 2 onderdeel b Wet VPB 1969geldend recht 2026
Beleggingstoets aandeelhouderswisselingbezittingen voor minder dan de helft bestaand uit beleggingen in de laatste drie maanden vóór de wijzigingart. 12a lid 1, tweede volzingeldend recht 2026
Verwervingstermijn vóór belangwijzigingverwerving van het bedrijfsmiddel binnen zes maanden vóór de wijziging wordt geacht daarmee verband te houdenart. 12a lid 1 onderdeel c, derde volzingeldend recht 2026
Herinvesteringstermijn bij stakingtwaalf maanden na staking, op verzoek verlengbaarart. 3.64 leden 1 en 3 Wet IB 2001geldend recht 2026
Verruiming gedeeltelijke stakingherinvestering toegestaan in een andere onderneming van dezelfde belastingplichtigeart. 3.54aa Wet IB 2001sinds 1 januari 2024

Gevolg van toepassing. Bij tijdige en geslaagde herinvestering wordt de boekwinst niet in het jaar van vervreemding belast, maar verlaagt de HIR de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het vervangende bedrijfsmiddel. Dat betekent lagere toekomstige afschrijvingen en dus per saldo uitstel, geen afstel, van heffing — behalve voor zover wordt geherinvesteerd in een bedrijfsmiddel waarop niet wordt afgeschreven (zoals grond), waar de klaim feitelijk blijft rusten tot een volgende vervreemding. Wordt de reserve niet tijdig of niet rechtsgeldig afgeboekt, dan valt zij vrij in de winst van het jaar waarin de termijn verstrijkt en wordt zij alsnog belast.

Procedure. De vorming van een HIR is geen aanvraag bij de inspecteur maar een keuze bij het bepalen van de winst in de aangifte. Twee varianten kennen wel een formele beschikking: het verzoek tot doorschuiving van stakingswinst als te conserveren inkomen (art. 3.64 lid 1) resulteert bij tijdige herinvestering in een voor bezwaar vatbare beschikking waarmee de inspecteur de conserverende aanslag vermindert (art. 3.64 lid 2), en het verzoek tot verlenging van de twaalfmaandstermijn wordt eveneens bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist (art. 3.64 lid 3). Ook het tegenbewijsverzoek bij verwerving binnen zes maanden vóór een belangwijziging (art. 12a lid 1, vierde volzin) loopt via een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur.

Reikwijdte. Wél onder de regeling: boekwinst op bedrijfsmiddelen bij verkoop, onteigening, verlies of beschadiging, inclusief een impliciet voordeel bij verkoop tegen een onzakelijk lage prijs aan een gelieerde partij. Niét onder de regeling: ter belegging gehouden vermogensrechten en voorwerpen van geringe waarde (art. 3.54 lid 7); een boekwinst die bij ontvoeging uit een fiscale eenheid op grond van art. 15ai lid 1 Wet VPB 1969 in aanmerking wordt genomen, omdat die niet als vervreemdingsopbrengst geldt; en loutere interesse van projectontwikkelaars zonder een gevestigd voorkeursrecht, die volgens een kennisgroepstandpunt niet als overheidsingrijpen kwalificeert.

Wettelijk kader

Art. 3.54 lid 1 Wet IB 2001 vormt de kernbepaling: bij een positief verschil tussen opbrengst en boekwaarde mag dat verschil gereserveerd worden zolang het herinvesteringsvoornemen bestaat, tot vermindering van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of de drie daaropvolgende jaren worden aangeschaft. Lid 2 begrenst de afboeking naar onderen: de gezamenlijke boekwaarde van de vervangende bedrijfsmiddelen mag door de afboeking niet dalen beneden de boekwaarde van het vervreemde bedrijfsmiddel onmiddellijk vóór de vervreemding — de HIR mag dus niet verder worden ingezet dan de oorspronkelijke boekwaarde compenseert.

De leden 3 en 4 vormen samen de eis van economische functiegelijkheid voor niet of nauwelijks afschrijfbare bedrijfsmiddelen (doorgaans grond en langlopende gebouwen): lid 3 beperkt vanuit het vervreemde bedrijfsmiddel bezien welke reserve mag worden gevormd, lid 4 beperkt vanuit het aangeschafte bedrijfsmiddel bezien waarop mag worden afgeboekt. Deze eis vervalt bij overheidsingrijpen (leden 9 en 10). Lid 12 definieert overheidsingrijpen limitatief: onteigening (met minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming daarvan), een ruimtelijke-ordenings-, natuur- of milieubesluit dat voortzetting op de huidige locatie in belangrijke mate beperkt, en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen EU- of nationale regelgeving die tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak leidt. Lid 13 voegt daaraan een bewijsvermoeden toe: een vervreemding binnen drie jaar na een dergelijk besluit wordt geacht een gevolg van dat overheidsingrijpen te zijn, ook als de vervreemding zelf later plaatsvindt door vertraging mits daaraan al een begin van uitvoering is gegeven. Over de afbakening van "overheidsingrijpen" heeft de kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt ingenomen (KG:213:2023:2): loutere interesse van projectontwikkelaars zonder een gevestigd voorkeursrecht kwalificeert niet, en de kwalificatie kan opnieuw worden getoetst op het moment waarop een nabetaling wordt gerealiseerd.

Lid 5 begrenst de reserveringstermijn: uiterlijk in het derde jaar na het jaar van ontstaan valt de HIR vrij in de winst, tenzij de aard van het aan te schaffen bedrijfsmiddel een langer tijdvak vereist, of de aanschaffing door bijzondere omstandigheden is vertraagd terwijl daaraan al een begin van uitvoering is gegeven. Beide uitzonderingsgronden staan naast elkaar ("of"): geen van beide sluit de andere uit. Lid 6 stelt verlies of beschadiging gelijk aan vervreemding met de ontvangen vergoeding als opbrengst; lid 7 sluit beleggingsvermogensrechten en voorwerpen van geringe waarde uit van het bedrijfsmiddelbegrip voor deze regeling; lid 8 corrigeert de boekwaarde voor willekeurige afschrijving, zodat een HIR niet kunstmatig wordt vergroot door versnelde afschrijving vooraf.

Sinds 1 januari 2024 regelt art. 3.54aa Wet IB 2001 het bijzondere geval van gedeeltelijke staking door overheidsingrijpen als bedoeld in art. 3.54 lid 12: de reserve mag dan mede worden gevormd voor herinvestering binnen de gebruikelijke termijn in een andere onderneming van dezelfde belastingplichtige, mits voor beide ondernemingen dezelfde winstbepalingsregels gelden, en met gelijktijdige winstneming van eenzelfde bedrag in de gestaakte onderneming. Voor het overige is art. 3.54 van overeenkomstige toepassing. Voor dit specifieke geval doorbreekt art. 3.54aa daarmee de eis van economische functiegelijkheid uit art. 3.54 leden 3 en 4: herinvestering in een andere onderneming van dezelfde belastingplichtige volstaat.

Art. 12a Wet VPB 1969 grijpt in bij een belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige. Lid 1 bevat de hoofdregel: een op dat moment al gevormde HIR wordt direct voorafgaand aan de wijziging aan de winst toegevoegd, na de wijziging kan alleen nog een HIR worden gevormd voor bedrijfsmiddelen waarvan het vervreemdingsbesluit ná de wijziging is genomen, en een vóór de wijziging afgeboekte HIR op een bedrijfsmiddel dat met de wijziging verband houdt, wordt teruggenomen — een verwerving binnen zes maanden vóór de wijziging wordt daarbij geacht met die wijziging verband te houden, met een tegenbewijsmogelijkheid bij beschikking. De hoofdregel geldt niet als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zijn bezittingen in de laatste drie maanden vóór de wijziging voor minder dan de helft uit beleggingen bestonden. Lid 2 zondert twee situaties expliciet uit: wijziging door erfrecht of huwelijksvermogensrecht, en uitbreiding van het belang door iemand die bij het begin van het HIR-vormingsjaar al ten minste een derde van het belang had. Lid 3 bevat een subjectieve tegenbewijsregeling voor wijzigingen die de belastingplichtige niet kende of kon kennen, mits niet ongebruikelijk van omvang. Lid 4 verduidelijkt het beleggingsbegrip: liquide middelen en ter beschikking gestelde onroerende zaken tellen mee als belegging, behalve bij ondernemingen die noodzakelijkerwijs derdengelden beleggen.

Art. 3.64 Wet IB 2001 regelt ten slotte de doorschuiving bij staking van een onderneming: op verzoek bij de aangifte wordt de aan bedrijfsmiddelen en HIR toe te rekenen stakingswinst afzonderlijk bepaald en als te conserveren inkomen behandeld, voor zover aannemelijk is dat die winst binnen twaalf maanden na staking wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit de belastingplichtige winst geniet. Bij tijdige herinvestering wordt de winst als ware het een HIR afgeboekt op de nieuwe bedrijfsmiddelen, met overeenkomstige toepassing van art. 3.54; rechtsmiddelen tegen de verminderingsbeschikking kunnen dan uitsluitend nog over de omvang van de vermindering gaan. De twaalfmaandstermijn kan op verzoek worden verlengd op dezelfde twee gronden als de gewone HIR-termijn.

Belangrijkste rechtspraak

Het opbrengstbegrip wordt ruim uitgelegd. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2016:2080 (2016), terugkomend van een ouder arrest (BNB 1970/93), dat ook een fiscaal voordeel dat ontstaat door gedeeltelijke onttrekking van een bedrijfsmiddel via verkoop aan een gelieerde partij tegen een onzakelijk lage prijs, als opbrengst in de zin van art. 3.54 lid 1 Wet IB 2001 geldt en dus aan de HIR kan worden toegevoegd. In ECLI:NL:HR:2019:33 (2019) oordeelde de Hoge Raad in dezelfde lijn dat bij vervanging van een als belegging aangehouden pand door een ander beleggingspand, tot het bedrag van de verkoopopbrengst sprake is van herinvestering in de zin van art. 3.54. Een grens aan die ruimte trekt ECLI:NL:HR:2018:459 (2018): een boekwinst die bij ontvoeging uit een fiscale eenheid op grond van art. 15ai lid 1 eerste volzin Wet VPB 1969 in aanmerking wordt genomen, is geen vervreemdingsopbrengst in de zin van art. 3.54 lid 1, zodat daarvoor geen HIR kan worden gevormd.

Het voornemen tot herinvestering moet doorlopend hard worden gemaakt. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2023:2323 (2023) dat een enkel beroep op een vastgoedcrisis geen bijzondere omstandigheid vormt die verlenging van de driejaarstermijn rechtvaardigt, zodat de HIR terecht was vrijgevallen; in dezelfde uitspraak was ook een gestelde hogere pensioenvoorziening niet aannemelijk gemaakt en bood een eerder controlerapport geen in rechte te beschermen vertrouwen. In ECLI:NL:GHAMS:2023:1946 (2023) stond de aannemelijkheid van het herinvesteringsvoornemen eveneens centraal, in de context van een navorderingsaanslag wegens kwade trouw na overdracht van onroerende zaken door een BV aan haar aandeelhouders.

Aandeelhouderswisselingen en de verhouding tot fraus legis. In ECLI:NL:HR:2014:1092 (2014) besliste de Hoge Raad dat de tekst van art. 12a Wet VPB 1969 niet opzij kan worden gezet met een beroep op een ruimere ratio van de bepaling, en verwees de zaak terug voor onderzoek of afboeking van de HIR alsnog afstuit op de boekwaarde-eis van art. 3.54 lid 2 Wet IB 2001 — de letterlijke tekst van art. 12a is dus leidend boven een doelgerichte uitleg. Los daarvan wees de Hoge Raad op 23 mei 2014 drie samenhangende arresten over fraus legis bij de HIR onder het toenmalige art. 15e Wet VPB 1969 (de voorloper van het huidige art. 12a, zodat de verhouding tot de huidige tekst uit de hub niet blijkt). In ECLI:NL:HR:2014:1181 oordeelde de Hoge Raad dat de reserve niettemin via fraus legis aan de winst kan worden toegevoegd wanneer de volgorde van herinvestering en aandelenoverdracht doorslaggevend was ingegeven door de wens vennootschapsbelastingheffing te verijdelen. In het samenhangende ECLI:NL:HR:2014:1188 verwees de Hoge Raad de zaak terug voor beoordeling van het moment van afboeken van de reserve op de vervangende onroerende zaken, mede ter beoordeling van een subsidiair beroep op fraus legis. In ECLI:NL:HR:2014:1183 oordeelde de Hoge Raad dat de ruilarresten (uit het leerstuk goed koopmansgebruik) niet naast de HIR konden worden toegepast, omdat de wettelijke regeling van art. 3.54 de daaraan ten grondslag liggende gedachte al had geabsorbeerd.

Aandachtspunten voor de praktijk

Bij transacties met gelieerde partijen tegen niet-zakelijke voorwaarden speelt de ruime opbrengstopvatting uit ECLI:NL:HR:2016:2080: ook een impliciet fiscaal voordeel bij een onzakelijke prijsstelling kan als opbrengst voor de HIR kwalificeren, wat de omvang van de te vormen reserve beïnvloedt.

Bij structuren met meerdere lagen bepaalt een kennisgroepstandpunt (KG:011:2023:12) dat het uiteindelijke belang van art. 12a lid 2 onderdeel b per laag van de concernstructuur wordt vastgesteld, niet cumulatief over alle niveaus heen. Dit is met name relevant bij een aandeelhouderswisseling die zich op meerdere niveaus tegelijk voordoet, waar per laag afzonderlijk moet worden beoordeeld of de derde-belangdrempel is gehaald.

Bij de terbeschikkingstelling van bedrijfsmiddelen aan gelieerde partijen (het tbs-regime) speelt een kennisgroepstandpunt (KG:059:2022:5) dat de terbeschikkingstelling van verschillende panden aan verschillende gelieerde vennootschappen als werkzaamheden van dezelfde aard geldt (art. 3.93 lid 2 Wet IB 2001), wat ook voor de toepassing van de HIR binnen die tbs-werkzaamheid relevant is.

Bij verkoop van een tak van een gemengd bedrijf met herinvestering in de andere tak, geldt volgens een kennisgroepstandpunt (KG:063:2023:21) dat geen nieuwe bezitstermijn ontstaat en het voortzettingsvereiste van de bedrijfsopvolgingsregeling niet wordt geschonden — een aandachtspunt waar HIR-herinvestering en bedrijfsopvolging samenlopen.

Recente ontwikkelingen

  • 13 juli 2022 — het Verzamelbesluit herinvesteringsreserve (besluit BWBR0046937) bundelt het beleid van de staatssecretaris over onder meer onttrekking van een bedrijfsmiddel aan het ondernemingsvermogen, gedeeltelijke staking van een onderneming en herstel van een bedrijfsmiddel na verlies of beschadiging.
  • 16 februari 2023 — kennisgroepstandpunt KG:059:2022:5 over de toepassing van de HIR bij terbeschikkingstelling van meerdere panden aan gelieerde vennootschappen als werkzaamheden van dezelfde aard.
  • 15 juni 2023 — kennisgroepstandpunt KG:213:2023:2 over de afbakening van overheidsingrijpen: loutere interesse van projectontwikkelaars zonder gevestigd voorkeursrecht kwalificeert niet.
  • 21 juni 2023 — kennisgroepstandpunt KG:063:2023:21 over de HIR bij verkoop van een tak van een gemengd bedrijf in relatie tot de bedrijfsopvolgingsregeling.
  • 7 september 2023 — kennisgroepstandpunt KG:011:2023:12 over de laagsgewijze toets van het uiteindelijke belang onder art. 12a lid 2 onderdeel b Wet VPB 1969.
  • 1 januari 2024 — inwerkingtreding van art. 3.54aa Wet IB 2001, dat de HIR verruimt bij gedeeltelijke staking van een onderneming door overheidsingrijpen: herinvestering mag dan plaatsvinden in een andere onderneming van dezelfde belastingplichtige, mits voor beide ondernemingen dezelfde winstbepalingsregels gelden.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 40 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.