Vennootschapsbelasting
Onzakelijke lening en afwaarderingsverlies
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Een geldlening tussen gelieerde partijen wordt in de fiscale jurisprudentie als "onzakelijk" aangemerkt wanneer een onafhankelijke derde het daaraan verbonden debiteurenrisico, onder overigens dezelfde voorwaarden, niet zou hebben aanvaard tegen een vaste, niet-winstdelende rente. De achterliggende gedachte is dat de crediteur in zo'n geval feitelijk aandeelhoudersrisico loopt in plaats van gewoon debiteurenrisico, en dat een eventueel verlies op die vordering dus zijn oorzaak vindt in de aandeelhoudersrelatie en niet in de onderneming. Het leerstuk voorkomt dat een concern via een kansloze lening in wezen risicodragend kapitaal verstrekt, terwijl het verlies daarop toch als bedrijfslast wordt afgetrokken.
Het leerstuk is niet in een afzonderlijke wetsbepaling gecodificeerd, maar door de rechtspraak ontwikkeld binnen het kader van de totaalwinstbepaling: alleen voordelen en verliezen die voortvloeien uit de onderneming zelf tellen mee voor de fiscale winst. De kern van de leer werd gelegd in HR 9 mei 2008 (BNB 2008/191), die voor het eerst het onderscheid maakte tussen een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde nog zou aanvaarden en een risico dat feitelijk aandeelhoudersrisico is. De Hoge Raad werkte dit op 25 november 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BN3442) uit tot een samenhangend beoordelingskader: het bevestigde dat de civielrechtelijke vorm in beginsel beslissend is, formuleerde de vuistregel voor de te corrigeren rente (de borgstellingsanalogie) en bepaalde het beoordelingsmoment. Latere rechtspraak en beleid hebben dit kader verder ingevuld, onder meer voor debiteursvervanging (2020) en voor de kwalificatie van een neerwaartse renteaanpassing onder het zakelijkheidsbeginsel (2026).
Een afwaarderingsverlies op een onzakelijke lening wordt in beginsel niet in aftrek toegelaten, tenzij bijzondere omstandigheden meebrengen dat het verlies toch als ondernemingsverlies kan worden aangemerkt. De kwalificatie "onzakelijk" werkt door in meerdere fiscale deelgebieden: naast de directe verliesaftrek in de vennootschapsbelasting speelt zij ook bij de vaststelling van de rente op een onzakelijke lening (de vuistregelrente), bij samenhangende correcties zoals een hogere uitdelingsverplichting, en – volgens de hub-samenvatting van dit thema – in de tbs-sfeer en bij borgstellingen tussen gelieerde partijen.
Wanneer speelt dit
Het thema komt typisch op bij financiering tussen moeder- en dochtervennootschappen, tussen zustermaatschappijen of tussen een dga en zijn bv, wanneer de lening geen zekerheden kent, is achtergesteld, geen aflossingsschema heeft of tegen een rente is verstrekt die niet aansluit bij het feitelijke debiteurenrisico. Ook bij herfinanciering binnen een concern en bij achtergestelde leningen aan buitenlandse groepsvennootschappen is de vraag relevant of de lening bij het aangaan ervan zakelijk was. Bij afwaardering van vorderingen na een debiteurenwissel binnen het concern geldt volgens ECLI:NL:HR:2020:1856 een afzonderlijk beoordelingsmoment: het verlies is aftrekbaar voor zover de nominale waarde bij het ontstaan van het debiteurenrisico de waarde in het economische verkeer op dat moment overtrof. Daarnaast speelt de kwalificatie een rol wanneer de inspecteur een correctie aanbrengt op een aandeelhouderslening in het kader van een bredere winstcorrectie, bijvoorbeeld in samenhang met een uitdelingsvraagstuk of met bijkomende intra-groepsvergoedingen zoals factoringkosten of garantiefees.
Hoe werkt de kwalificatie als onzakelijke lening
De toets die de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2011:BN3442 heeft uitgewerkt, verloopt in een vaste volgorde.
- Vorm is uitgangspunt. Of een geldverstrekking tussen gelieerde lichamen fiscaal als lening of als kapitaalverstrekking geldt, wordt in beginsel bepaald door de civielrechtelijke vorm. Dat uitgangspunt geldt onverkort, tenzij een van de volgende drie uitzonderingen zich voordoet:
- er is alleen naar de schijn sprake van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid een kapitaalverstrekking beoogden (schijnlening);
- de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser in zekere mate deelt in de onderneming van de schuldenaar (deelnemerschapslening);
- de lening is verstrekt onder omstandigheden waarin de uitlener al bij het verstrekken moest weten dat de vordering geheel of gedeeltelijk geen waarde zou hebben omdat terugbetaling niet of niet volledig mogelijk zou zijn (bodemloze-putlening).
Doet geen van deze drie zich voor, dan blijft de geldverstrekking voor de fiscale winstberekening een lening, ook als de voorwaarden verder onzakelijk zijn.
- Rentetoets. Is de overeengekomen rente niet in overeenstemming met het arm's-lengthbeginsel, dan wordt voor de fiscale winst uitgegaan van een rente die daar wel aan voldoet, met behoud van de overige overeengekomen voorwaarden (zekerheden, looptijd). De rente mag daarbij niet zodanig worden aangepast dat de lening in wezen winstdelend wordt: dat zou het karakter van de overeenkomst aantasten.
- Kwalificatietoets. Kan ook met een gecorrigeerde rente geen niveau worden gevonden waartegen een onafhankelijke derde, onder overigens dezelfde voorwaarden, bereid zou zijn geweest de lening te verstrekken, dan wordt verondersteld dat de crediteur een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een derde niet zou hebben genomen — behoudens bijzondere omstandigheden met de bedoeling het belang van de gelieerde vennootschap als aandeelhouder of dochter te dienen. De lening is dan onzakelijk.
- Gevolg voor het afwaarderingsverlies. Een verlies op de hoofdsom van een onzakelijke lening is niet aftrekbaar van de winst, omdat het zijn oorzaak vindt in de aandeelhoudersrelatie en niet in de onderneming. Bijzondere omstandigheden kunnen aftrek alsnog mogelijk maken; ECLI:NL:HR:2016:2340 illustreert dat zakelijke handelsrelaties tussen de leningpartijen daarbij gewicht in de schaal kunnen leggen.
- Gevolg voor de rente: de vuistregel (borgstellingsanalogie). Het debiteurenrisico van een onzakelijke lening is vergelijkbaar met het risico van een vennootschap die zich borg stelt voor een lening die haar gelieerde vennootschap rechtstreeks bij een derde zou opnemen. Als vuistregel geldt daarom dat de in aanmerking te nemen rente wordt gesteld op de rente die de gelieerde vennootschap zou moeten betalen als zij, met een borgstelling van de concernvennootschap, onder overigens gelijke voorwaarden bij een derde zou lenen. Deze rente is dus geen wettelijk vastgesteld percentage, maar wordt per geval afgeleid van wat een derde-financier tegen een dergelijke borgstelling zou vragen. Het debiteurenrisico werkt ook door naar niet-betaalde rente: het risico dat de rente zelf oninbaar blijkt, ligt eveneens in de kapitaalsfeer.
- Beoordelingsmoment. De kwalificatie wordt in beginsel getoetst op het moment van aangaan van de lening en geldt voor de lening als geheel (één overeenkomst, één debiteurenrisico). Een aanvankelijk zakelijke lening kan gedurende de looptijd door onzakelijk handelen van de crediteur alsnog onzakelijk worden. Bij debiteursvervanging binnen het concern geldt volgens ECLI:NL:HR:2020:1856 een afzonderlijk ijkpunt: het afwaarderingsverlies is aftrekbaar voor zover de nominale waarde van de vordering bij het ontstaan van het (nieuwe) debiteurenrisico de waarde in het economische verkeer op dat moment overtrof.
Reikwijdte. De toets ziet uitsluitend op de vraag of het debiteurenrisico van een specifieke lening tussen gelieerde partijen zakelijk is. Zij is geen synoniem van de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet VPB 1969, die de aftrek van rente op schulden aan verbonden lichamen of personen uitsluit voor zover die schulden verband houden met een winstuitdeling, een teruggaaf van kapitaal, een kapitaalstorting of de verwerving of uitbreiding van een belang in een verbonden lichaam — ongeacht of de lening zelf onder de onzakelijke-leningtoets als zakelijk zou gelden. Ook is de toets iets anders dan het algemene wettelijke zakelijkheidsbeginsel voor verrekenprijzen van art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 juncto art. 8b Wet VPB 1969: laatstgenoemde bepaling ziet op de prijsstelling van onderlinge rechtsverhoudingen in het algemeen, terwijl de onzakelijke-leningleer specifiek de kwalificatie van het debiteurenrisico bij een geldverstrekking betreft. Bij kwalificatie als onzakelijke lening kunnen bovendien bijkomende vergoedingen zoals afsluitprovisies of intra-groepskosten in de correctie worden betrokken, zoals de arrangement fee van EUR 8,4 mln in ECLI:NL:GHAMS:2021:724, waar het Hof bovendien de overeengekomen rente van 11,5-14% verving door een zakelijke rente van 2,5%.
Wettelijk kader
Het leerstuk van de onzakelijke lening is een rechtersrecht dat is ingebed in de wettelijke winstbepaling. Art. 3.8 Wet IB 2001 omschrijft winst uit onderneming als "het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming." Alleen voordelen (en dus ook verliezen) die hun oorzaak vinden in de onderneming vallen hieronder; een verlies dat zijn grond vindt in de aandeelhoudersrelatie in plaats van in de onderneming valt buiten dit winstbegrip. Dit is de dogmatische kern waarop de rechtspraak over de onzakelijke lening is gebouwd.
Voor de vennootschapsbelasting bepaalt art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 dat "de winst wordt opgevat en bepaald op de voet van" onder meer artikel 3.8 Wet IB 2001, "waarbij voor ondernemer wordt gelezen belastingplichtige." De VPB-winst van een lichaam wordt dus via deze koppelingsbepaling naar hetzelfde winstbegrip getrokken als bij de IB-ondernemer, met dien verstande dat lid 2 van art. 8 Wet VPB 1969 uitzonderingen maakt voor zover de wet anders bepaalt of het verschil in wezen tussen een belastingplichtig lichaam en een natuurlijk persoon tot een ander resultaat noopt. De overige leden van art. 8 Wet VPB 1969 in het bronbestand zien op specifieke onderwerpen zoals kwijtscheldingswinst (lid 4), het werkkostenforfait (lid 5) en pensioenverplichtingen (leden 7-14) en raken niet rechtstreeks aan de onzakelijke-leningproblematiek.
Naast dit totaalwinst-fundament kent de wet met art. 8b Wet VPB 1969 een expliciete verrekenprijsbepaling: worden tussen gelieerde lichamen voorwaarden overeengekomen die afwijken van wat onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, dan wordt de winst bepaald alsof wél zakelijke voorwaarden waren overeengekomen. Dit is het algemene zakelijkheidsbeginsel waarbinnen de kwalificatie- en rentetoets van de onzakelijke lening een specifieke toepassing vormt voor geldleningen. Los daarvan staat art. 10a Wet VPB 1969, dat renteaftrek uitsluit voor schulden aan verbonden lichamen of personen die verband houden met een winstuitdeling, kapitaalstorting, of de verwerving of uitbreiding van een belang in een verbonden lichaam — een aftrekbeperking die aangrijpt bij het doel van de schuld, niet bij de zakelijkheid van het debiteurenrisico.
Belangrijkste rechtspraak
De rechtspraak over de onzakelijke lening vormt een doorlopende lijn met twee onderscheiden stappen: eerst de kwalificatietoets (is het debiteurenrisico bij het aangaan van de lening door een onafhankelijke derde aanvaardbaar), en vervolgens, als de lening onzakelijk blijkt, de vraag welk gevolg dat heeft.
Kwalificatie en beoordelingsmoment. HR 25 november 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BN3442) legde het beoordelingskader vast: de civielrechtelijke vorm is uitgangspunt behoudens drie uitzonderingen, de rente wordt eerst gecorrigeerd naar arm's length voordat tot onzakelijkheid wordt geconcludeerd, en de kwalificatie wordt in beginsel getoetst op het moment van aangaan voor de lening als geheel. De Hoge Raad bouwde daarmee voort op HR 9 mei 2008 (BNB 2008/191), dat het onderscheid tussen debiteuren- en aandeelhoudersrisico voor het eerst formuleerde. In ECLI:NL:HR:2016:2340 (2016) oordeelde de Hoge Raad dat het hof ontoereikend had gemotiveerd waarom zakelijke relaties die ontstonden doordat opdrachten aan de zustermaatschappij werden gegeven, niet van voldoende gewicht konden zijn om de lening onder dezelfde voorwaarden te verstrekken; de zaak werd verwezen voor onderzoek naar bijzondere omstandigheden die aftrek van het afwaarderingsverlies alsnog mogelijk maken. In ECLI:NL:HR:2020:1856 (2020) preciseerde de Hoge Raad het beoordelingsmoment voor de situatie van debiteursvervanging: het verlies op afwaardering is aftrekbaar voor zover de nominale waarde bij het ontstaan van het (nieuwe) debiteurenrisico de waarde in het economische verkeer op dat moment overtrof; de hofuitspraak die dit miskende werd vernietigd.
Gevolgen van kwalificatie: rente en bijkomende vergoedingen. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2021:724 (2021) dat achtergestelde leningen aan Guernsey-vennootschappen onzakelijk waren, met een zakelijke rente van 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, dat de meerdere rente niet aftrekbaar was wegens wetsontduiking, en dat de arrangement fee van EUR 8,4 mln geactiveerd moest worden in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 (2025) dat factoringkosten grotendeels onzakelijk waren omdat belanghebbende het bewijsvermoeden van art. 8b Wet VPB 1969 niet had ontzenuwd, en dat wegens "implicit support" als core-vennootschap van het concern geen sprake was van een aparte intra-group service waarvoor garantiefees aan de moedervennootschap verschuldigd zouden zijn. Beide zaken laten zien dat een correctie op een gelieerde financieringsverhouding zich niet beperkt tot de hoofdsom of de rente, maar ook bijkomende kosten en vergoedingen kan raken.
Grenzen aan de correctie. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2024:1920 (2024) dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond was: in het kader van een aanspraak op het fbi-regime werden de Vpb-aanslagen verminderd tot nihil. Het Hof verwierp het standpunt van de inspecteur dat sprake was van een onzakelijke aandeelhouderslening, een hogere uitdelingsverplichting en een toevoeging aan de afrondingsreserve. Deze zaak laat zien dat de rechter een door de inspecteur bepleite kwalificatie van een aandeelhouderslening als onzakelijk, en de daaraan verbonden samenhangende correcties, kritisch toetst en kan verwerpen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij een gelieerde lening is de zakelijkheid bepalend op het moment van aangaan en geldt voor de lening als geheel; latere ontwikkelingen zijn voor die toets in beginsel niet bepalend, al kan onzakelijk handelen van de crediteur gedurende de looptijd een aanvankelijk zakelijke lening alsnog onzakelijk maken, en levert een debiteurenwissel volgens ECLI:NL:HR:2020:1856 een nieuw beoordelingsmoment op.
- De vuistregelrente (borgstellingsanalogie uit ECLI:NL:HR:2011:BN3442) is geen vast percentage: zij wordt afgeleid van wat een derde-financier zou vragen als de gelieerde vennootschap, met een borgstelling van de concernvennootschap, bij die derde zou lenen. Dat maakt de vaststelling feitelijk en per geval afhankelijk van vergelijkbare financieringsvoorwaarden.
- Van belang is welke zakelijke relaties (bijvoorbeeld leverings- of dienstverleningsrelaties tussen de leningpartijen) een rol speelden bij het aangaan van de financiering; ECLI:NL:HR:2016:2340 laat zien dat dergelijke relaties gewicht in de schaal kunnen leggen bij de vraag of bijzondere omstandigheden aftrek van een afwaarderingsverlies alsnog mogelijk maken.
- Bij kwalificatie als onzakelijke lening wordt niet alleen het afwaarderingsverlies gecorrigeerd, maar kan ook de overeengekomen rente worden herzien naar een zakelijk niveau en moeten bijkomende kosten (zoals afsluitprovisies) of intra-groepsvergoedingen (zoals factoringkosten en garantiefees) mogelijk worden geactiveerd of gecorrigeerd, zoals in ECLI:NL:GHAMS:2021:724 en ECLI:NL:GHAMS:2025:2377.
- Een door de inspecteur bepleite koppeling tussen de kwalificatie van een aandeelhouderslening als onzakelijk en samenhangende correcties (zoals een hogere uitdelingsverplichting) houdt niet automatisch stand: in ECLI:NL:GHAMS:2024:1920 verwierp het Hof die koppeling en werden de Vpb-aanslagen verminderd tot nihil.
- Een geldverstrekking die naar de vorm een lening is, blijft voor de winstberekening een lening zolang zich geen schijnlening, deelnemerschapslening of bodemloze-putlening voordoet; buiten die drie uitzonderingen wordt de kwalificatie "onzakelijk" uitsluitend via de debiteurenrisicotoets bereikt, niet via herkwalificatie tot eigen vermogen.
- Omdat het leerstuk niet in een specifieke wetsbepaling is vastgelegd maar via de totaalwinstbepaling van art. 3.8 Wet IB 2001 juncto art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 loopt, blijft de motivering van de feiten en omstandigheden rond het debiteurenrisico bepalend voor de uitkomst per geval.
Recente ontwikkelingen
Kennisgroepstandpunt KG:023:2026:3 (juni 2026) van de Belastingdienst gaat in op de kwalificatie van een neerwaartse renteaanpassing op een onzakelijke lening naar de vuistregelrente. Het standpunt luidt dat een dergelijke neerwaartse aanpassing kwalificeert als winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel, en dat art. 8bb Wet VPB 1969 daarop van toepassing is. Voor de praktijk betekent dit dat het herzien van de rente op een reeds als onzakelijk gekwalificeerde lening niet vrijblijvend is, maar zelf weer aan het zakelijkheidsbeginsel wordt getoetst.
Kernartikelen
- Art. 3.8 Wet IB 2001 — Art. 3.8 Wet IB 2001: Winst
- Art. 8 Wet VPB 1969
Belangrijkste rechtspraak
114 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2011:BN3442 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat een onzakelijke lening als geheel wordt beoordeeld op het moment van aangaan, en dat het daarbij horende debiteurenrisico, inclusief niet-betaalde rente, in de kapitaalsfeer ligt zodat een afwaarderingsverlies niet aftrekbaar is.
-
ECLI:NL:HR:2011:BP8952 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat een onzakelijk vormgegeven lening "omlaag" van een aanmerkelijkbelanghouder aan zijn vennootschap ook onder de terbeschikkingstellingsregeling (art. 3.92 Wet IB 2001) valt, zodat het debiteurenrisico op de aandeelhoudersrelatie berust.
-
ECLI:NL:HR:2013:BW1971 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende het debiteurenrisico van de lening niet als aandeelhouder heeft aanvaard maar dat het aandeelhouderschap juist voortvloeide uit de geldverstrekking, zodat geen sprake is van een onzakelijke lening en de afwaardering aftrekbaar is.
-
ECLI:NL:HR:2019:681 (2019)
De Hoge Raad wijst ruimere toepassing van het paraplukredietarrest af; beslissend is of een winstonafhankelijke vergoeding bepaalbaar is waartegen een onafhankelijke derde de hoofdelijke aansprakelijkheid voor een gelieerde vennootschap zou aanvaarden.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1920 (2024)
Het Hof Amsterdam oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is: belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van het fbi-regime en de aanslagen Vpb worden verminderd tot nihil.
-
ECLI:NL:HR:2016:2340 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de zakelijke relaties die ontstonden door opdrachten aan de zustermaatschappij niet van voldoende gewicht konden zijn om de lening onder dezelfde voorwaarden te verstrekken; verwijzing moet volgen voor onderzoek naar bijzondere omstandigheden die aftrek van het afwaarderingsverlies op een onzakelijke lening alsnog mogelijk maken.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:724 (2021)
Het Hof oordeelt dat de aan Guernsey-vennootschappen verschuldigde achtergestelde leningen onzakelijk zijn met een zakelijke rente van 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, dat deze rente niet aftrekbaar is wegens wetsontduiking, en dat de Arrangement Fee van EUR 8,4 mln moet worden geactiveerd in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:7779 (2025)
De zaak betreft de vraag of sprake is van een fiscale eenheid en van economische eigendom van aandelen, gelet op de gevolgen van een participatieovereenkomst, bij navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting.
-
ECLI:NL:RBNHO:2020:807 (2020)
De rechtbank oordeelt dat de rente op achtergestelde leningen binnen een overnamestructuur op grond van fraus legis niet aftrekbaar is, en dat daarnaast een deel van de financieringskosten wel in aftrek mag worden gebracht.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 (2025)
Het Hof oordeelt dat de factoringkosten grotendeels onzakelijk zijn en belanghebbende het bewijsvermoeden van art. 8b Wet Vpb 1969 niet heeft ontzenuwd, en dat vanwege 'implicit support' als core-vennootschap van het concern geen sprake is van een aparte intra-group service waarvoor garantiefees aan de moedervennootschap verschuldigd zouden zijn.
Beleid en standpunten
159 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0042088
Dit besluit behandelt de waarde in het economische verkeer voor pensioenverplichtingen en de waardering ervan in het kader van jaarwinstbepaling, inclusief goedkeuringen.
-
Besluit BWBR0034987
Beleid inzake investeringsaftrek; actualisering bepalingen milieuvriendelijke voertuigen, asbesthoudende daken en late keuze.
- Kamerstuk 36602 nr. 3
-
KG:011:2025:7 (2025)
Standpunt: Een fiscale beleggingsinstelling kan als commanditair vennoot in een operationele commanditaire vennootschap participeren mits beleggings-, financierings- en uitdelingsvereisten worden nagekomen.
-
Kamerstuk 29210 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2004: onderwerpen arbeidsmarkt, kenniseconomie, mobiliteit, eigen woning.
-
Kamerstuk 35572 nr. 15
Tweede nota wijziging Belastingplan 2021 voert Hoofdstuk IX BIK-afdrachtvermindering in voor baangerelateerde investeringen door werkgevers.
-
Kamerstuk 34552 nr. 20
Aftrek kosten werkruimte in woning onder artikel 3.16 en 3.19 beperkt; hypotheekrenteaftrek niet van toepassing voor gekwalificeerde werkruimte.
-
Besluit BWBR0048018
Goedkeuring/beleid inzake winstbepaling totaalwinst. Dit besluit voegt vijf eerdere beleidsbesluiten samen en actualiseert het beleid naar aanleiding van wetwijzigingen.
-
KG:212:2024:7 (2024)
Standpunt: [GEWIJZIGD MET INGANG 1 JANUARI 2026] Maximum energie-investeringsaftrek article 3.42, vierde lid, Wet IB 2001 bedraagt EUR 153 miljoen per belastingplichtige per jaar (samentelplafond).
-
KG:023:2026:3 (2026)
Standpunt: Een neerwaartse aanpassing van de overeengekomen rente op een onzakelijke lening naar de vuistregelrente kwalificeert als winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel. Artikel 8bb Wet Vpb 1969 is hierop van toepassing.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.