Btw
Btw-vrijstellingen
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Btw-vrijstellingen vormen de tegenhanger van het uitgangspunt dat vrijwel elke prestatie tegen vergoeding aan omzetbelasting is onderworpen. Artikel 11 Wet OB 1968 somt een gesloten lijst van vrijgestelde leveringen en diensten op, uiteenlopend van onroerend goed en medische zorg tot financiële diensten, verzekeringen, onderwijs en sport. Wie onder de vrijstelling valt, brengt geen btw in rekening, maar kan ook geen voorbelasting op inkoopkosten aftrekken: de vrijstelling is voor de ondernemer dus niet zonder meer voordelig. Dat spanningsveld, geen btw berekenen maar ook geen aftrekrecht, is de kern van bijna elke discussie over deze regeling.
Omdat de vrijstellingen zijn ontleend aan de Btw-richtlijn, worden zij door het Hof van Justitie en de Nederlandse rechter uniform en strikt uitgelegd: een vrijstelling geldt alleen voor wat tekst en doel van de bepaling dekken, terwijl uitzonderingen op vrijstellingen (zoals de optie voor belaste levering of verhuur van onroerend goed) juist ruim worden gelezen. Dat maakt de kwalificatievraag, valt een prestatie onder letter a tot en met w, vaak het lastigste onderdeel van een btw-analyse. Het onderscheid loopt in de praktijk langs drie assen: (1) wie de prestatie verricht (kwalificatie van de aanbieder, bijvoorbeeld een medisch beroepsbeoefenaar of een erkende onderwijsinstelling), (2) wat er precies wordt geleverd of gedaan (de inhoud van de dienst moet binnen het vrijgestelde deskundigheids- of toezichtsgebied vallen) en (3) onder welke bijkomende voorwaarden (winstoogmerk, drempelbedragen, formele keuze).
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij de verkoop of verhuur van onroerend goed (nieuwbouw, bouwterrein of bestaand vastgoed, en de optie voor belaste verhuur of levering), bij medische en paramedische zorg, bij onderwijsinstellingen en aanbieders van cursussen of voordrachten, bij financiële instellingen en verzekeraars, bij sportverenigingen en sportaccommodaties (inclusief kantine-exploitatie en het inlenen van trainers), bij fondswervende activiteiten van vrijgestelde instellingen zoals stichtingen en verenigingen, en bij samenwerkingsverbanden tussen zorgaanbieders.
Hoe werkt de vrijstelling
Kwalificatie: wie of wat valt onder een vrijstellingsonderdeel. Per categorie gelden andere aanknopingspunten:
- Onroerend goed (a en b): vrijgesteld is levering en verhuur, behalve nieuwbouw binnen de tweejaarstermijn, bouwterrein en enkele met naam genoemde verhuurvormen (werktuigen en machines, hotel-/vakantiebestedingsbedrijf, parkeerruimte, safeloketten). Zie voor de volledige systematiek btw en onroerend goed.
- Medische en paramedische zorg (g): vrijgesteld zijn diensten van beoefenaren van een medisch of paramedisch beroep waarvoor bij of krachtens de Wet BIG opleidingseisen gelden, mits de dienst tot het deskundigheidsgebied van dat beroep behoort en onderdeel vormt van de opleiding. De kwalificatie hangt dus af van zowel de beroepstitel als de aard van de concrete dienst.
- Onderwijs (o): vrijgesteld is onderwijs door scholen en instellingen die zijn onderworpen aan het toezicht van de Inspectie van het onderwijs of vergelijkbaar ministerieel toezicht. Ontbreekt dat formele toezichtstelsel, dan is de vrijstelling niet van toepassing, ook niet als de inhoud vergelijkbaar is met regulier onderwijs.
- Sport (e): vrijgesteld zijn diensten die nauw samenhangen met sportbeoefening of lichamelijke opvoeding, verricht voor de sporter zelf, mits de instelling geen winst beoogt; toegang tot wedstrijden en demonstraties is uitgezonderd.
- Financiële diensten, effecten- en fondsbeheer (i en j) en verzekeringen (k): vrijgesteld ongeacht winstoogmerk, met een aparte opsomming van deelhandelingen (deviezen en wettige betaalmiddelen, krediet, giro- en rekeningcourantverkeer, borgtocht, effectenbemiddeling exclusief bewaring en beheer).
- Componisten, schrijvers en journalisten (q) en fondswerving door al vrijgestelde instellingen (v): vrijgesteld binnen de grenzen die hierna in de tabel staan.
Concrete grenzen en termijnen (2026). Waar de wet met bedragen werkt, gaat het om deze drempels:
| Situatie | Grens | Grondslag |
|---|---|---|
| Nieuwbouw: levering vóór, op of uiterlijk twee jaar na eerste ingebruikneming is van rechtswege belast | 2 jaar na eerste ingebruikneming | Art. 11 lid 1 onderdeel a onder 1° Wet OB 1968 |
| Fondswerving door instellingen met hoofdactiviteit vrijgesteld op grond van c, d, e, f, o onder 1° of t: leveringen | € 68.067 per jaar | Art. 11 lid 1 onderdeel v Wet OB 1968 |
| Fondswerving: diensten (algemeen) | € 22.689 per jaar | Art. 11 lid 1 onderdeel v Wet OB 1968 |
| Fondswerving: diensten door sportinstellingen (onderdeel e) | € 50.000 per jaar | Art. 11 lid 1 onderdeel v Wet OB 1968 |
| Kantineforfait sportverenigingen (beleidsmatige waarderingsregel) | 13% | Besluit omzetbelasting, fondswerving en kantines (BWBR0034569) |
Boven de fondswervingsgrenzen vervalt de vrijstelling voor het meerdere van de bijkomstige activiteit, niet voor de vrijgestelde hoofdactiviteit zelf.
Gevolg van de vrijstelling. Een vrijgestelde ondernemer brengt geen btw in rekening aan zijn afnemer, maar heeft ook geen recht op aftrek van voorbelasting op kosten die aan de vrijgestelde prestaties zijn toe te rekenen; bij gemengd gebruik (deels belast, deels vrijgesteld) wordt de aftrek naar evenredigheid bepaald. Dat maakt de vrijstelling voordelig voor prestaties aan particulieren of aan andere vrijgestelde afnemers (geen btw-druk op de consument), maar nadelig richting aftrekgerechtigde zakelijke afnemers, omdat de niet-aftrekbare voorbelasting alsnog in de prijs wordt doorberekend.
Procedure: optie voor belaste levering of verhuur van onroerend goed. Voor onroerend goed is de vrijstelling, anders dan bij de overige onderdelen, uitschakelbaar:
- De keuze wordt gemaakt per onroerende zaak, blijkens de notariële akte van levering (bij levering) of de schriftelijke huurovereenkomst (bij verhuur), óf via een gezamenlijk verzoek van beide partijen aan de inspecteur.
- Voorwaarde is dat de afnemer of huurder de zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat; bij verhuur geldt bovendien dat het geen woning betreft en dat de verhuurder niet de kleineondernemersregeling van art. 25a lid 1 Wet OB 1968 toepast.
- Bij een verzoek beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking; de akte of het verzoek vermeldt de kadastrale aanduiding en, bij verhuur, de datum van aanvang van het boekjaar van de huurder.
- Het aftrekcriterium bij de afnemer wordt beoordeeld per boekjaar: bij verhuur voor het eerst over het boekjaar waarin de huurder is gaan huren, en bij levering over zowel het boekjaar van levering als het daaropvolgende boekjaar. Voldoet de afnemer niet vóór het einde van het (op de levering volgende) boekjaar, dan is niet aan de voorwaarde voldaan.
- Blijkt gedurende de looptijd niet meer aan de voorwaarde te worden voldaan, dan meldt de huurder dit binnen vier weken na afloop van het boekjaar aan de verhuurder en de inspecteur (art. 6a lid 6 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968).
Voor de overige onderdelen van art. 11 (medisch, onderwijs, sport, financieel, fondswerving) bestaat geen keuzemogelijkheid: kwalificeert de prestatie, dan is zij van rechtswege vrijgesteld.
Reikwijdte: wat valt wel en niet onder de vrijstelling. Nauw samenhangende leveringen en diensten bij de onderdelen c, e, o en t delen alleen in de vrijstelling mee als zij onontbeerlijk zijn voor de vrijgestelde hoofdhandeling en niet in hoofdzaak zijn gericht op extra opbrengsten in rechtstreekse mededinging met belaste commerciële ondernemingen (lid 2). Concreet zijn van de sociaal-culturele vrijstelling (onderdeel f) in elk geval uitgesloten: het verstrekken van spijzen en dranken, het verrichten van onderzoek, het ter beschikking stellen van personeel en het verzorgen van loon-, financiële en grootboekadministraties (art. 6b Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968), tenzij bijlage B bij het uitvoeringsbesluit anders bepaalt. Bij fondswerving vallen spijzen en dranken die samenhangen met evenementen in de persoonlijke sfeer niet onder de vrijstelling van onderdeel v (art. 7a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968). Bij medische zorg valt buiten de vrijstelling wat weliswaar door een BIG-erkende beroepsbeoefenaar wordt verricht, maar niet tot diens deskundigheidsgebied behoort; ondersteunende of coördinerende activiteiten voor een derde partij vallen daar doorgaans niet onder. Bij onderwijs valt cursusaanbod buiten het formele, aan onderwijstoezicht onderworpen bestel (zoals hoger-onderwijs-voor-ouderen) buiten onderdeel o, ook al kan hetzelfde aanbod wel onder de afzonderlijke voordrachtenvrijstelling van onderdeel p vallen.
Wettelijk kader
Art. 11 lid 1 Wet OB 1968 vormt de kern van het Nederlandse vrijstellingenstelsel: de aanhef stelt de in onderdelen a tot en met w genoemde leveringen en diensten vrij "onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden". Onderdeel a stelt de levering van onroerende zaken vrij met de nieuwbouw- en bouwterreinuitzondering van onder 1° en de optie-uitzondering van onder 2°; onderdeel b regelt de verhuur volgens een vergelijkbare systematiek, met vijf met naam genoemde uitzonderingen. Onderdeel c stelt verzorging en verpleging van in een inrichting opgenomen personen vrij, met inbegrip van bijkomende verstrekkingen van spijzen, dranken, geneesmiddelen en verbandmiddelen. Onderdeel d vrijstelt diensten aan de jeugd door erkende jeugdwerkorganisaties. Onderdeel e regelt de sportvrijstelling; onderdeel f de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen sociaal-culturele prestaties, telkens onder de voorwaarde van winstoogmerkloosheid uit lid 3.
Onderdeel g bevat naast de klassieke medische vrijstelling (onder 1°) ook vrijstellingen voor de langdurige zorg: verblijfszorg en Wlz-zorg (onder 2°), aan te wijzen Wmo-ondersteuning (onder 3°) en dagbesteding, arbeidstraining of dagopvang op basis van een overeenkomst met een Wlz- of Wmo-aanbieder of met een pgb-houder (onder 4°). Onderdeel h vrijstelt lijkbezorgers; i tot en met k de financiële en verzekeringsvrijstellingen; l de kansspelen in de zin van de Wet op de kansspelbelasting; m de universele postdienst; n de niet-commerciële activiteiten van publieke omroepen.
Onderdeel o vrijstelt onderwijs binnen het toezichtstelsel (onder 1°) en overig aan te wijzen onderwijs (onder 2°), voor dat laatste desgewenst beperkt tot instellingen zonder winstoogmerk. Onderdeel p vrijstelt voordrachten mits de vergoeding in hoofdzaak kostendekkend is; q componisten, schrijvers en journalisten; r de levering van een roerende zaak die uitsluitend voor vrijgestelde prestaties is gebruikt zonder eerdere aftrek; s de levering van menselijke organen, bloed en moedermelk; t de contributiediensten van werkgevers-, werknemers- en levensbeschouwelijke organisaties aan hun leden; u de kostendelende diensten van zelfstandige groeperingen aan hun leden; v de fondswervingsvrijstelling met de bedragen uit de tabel hierboven; w de vrijstelling voor geregistreerde kinderopvang.
Lid 2 sluit, zoals hierboven toegelicht, nauw samenhangende leveringen en diensten bij c, e, o en t uit wanneer zij niet onontbeerlijk zijn of primair extra opbrengsten beogen in concurrentie met commerciële ondernemingen. Lid 3 eist geen winstoogmerk voor de vrijstellingen van c, e en t, waarbij het behalen van exploitatieoverschotten alleen niet als winstoogmerk telt als deze worden aangewend voor instandhouding of verbetering van de dienstverlening. Lid 4 werkt dit voor de sportvrijstelling verder uit: geen winstoogmerk wordt aangenomen zolang de instelling zonder bepaalde bovenmatige bijdragen geen overschot zou behalen, of zolang een publiekrechtelijk lichaam een sportaccommodatie beneden de integrale kostprijs ter beschikking stelt. Lid 5 definieert voor de nieuwbouwuitzondering wat een gebouw is, wanneer een verbouwing tot een nieuwe eerste ingebruikneming leidt, en wat als "erbij behorend terrein" geldt; lid 6 definieert het bouwterrein als onbebouwde grond die kennelijk bestemd is om te worden bebouwd. Lid 7 sluit bepaalde fictieve leveringen en diensten (interne onttrekkingen) uit van het aftrekcriterium bij de onroerendgoedoptie. Lid 8 laat toe bij ministeriële regeling, ter voorkoming van concurrentieverstoring, leveringen of diensten van de vrijstellingen f, g onder 2° en 3°, t, u of v uit te sluiten. Lid 9 maakt het mogelijk de sociaal-culturele vrijstelling van onderdeel f bij algemene maatregel van bestuur uit te breiden naar nader aangewezen ondernemers die wél winst beogen.
Belangrijkste rechtspraak
Afbakening van onroerend goed en bouwterrein. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2014:3566 (2014), een procedure over een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting waarin de omzetbelasting-bouwterreindefinitie zijdelings werd getoetst, dat een terrein met onbebouwde voorzieningen zoals glooiingen, grasvelden en vijvers naast op te richten bouwwerken, afhankelijk van omvang en verhouding van bebouwd en onbebouwd gedeelte, als geheel als bebouwde grond kan gelden. In ECLI:NL:HR:2024:216 (2024) hield de Hoge Raad een naheffingsaanslag omzetbelasting in stand in een geschil of een perceel met het restant van een gesloopt fabrieksgebouw onbebouwde grond dan wel een bouwterrein vormt. In dezelfde lijn ligt ECLI:NL:HR:2017:1097 (2017): voor de vraag of een golfbaan zich, los van het clubhuis, leent voor zelfstandig gebruik is niet het perspectief van de speler beslissend, maar of afzonderlijk te onderscheiden onroerende zaken los kunnen worden gebruikt; de Hoge Raad verwees de zaak voor verdere beoordeling. Deze drie zaken laten samen zien dat zowel de fysieke staat van grond als de zelfstandige bruikbaarheid van onderdelen van een complex een sterk feitelijke, en dus per geval te beoordelen, vraag is.
Medische en zorgvrijstelling. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in ECLI:NL:GHARL:2022:912 (2022) dat ondersteunende en coördinerende diensten die een huisarts verricht voor een stichting die zorgbehandelplannen ontwikkelt, niet onder de medische vrijstelling vallen en evenmin onder de sociaal-culturele vrijstelling. De conclusie in ECLI:NL:PHR:2022:1246 (2022) behandelt of GEZ-werkzaamheden van eerstelijnszorgpartners binnen een samenwerkingsverband zijn vrijgesteld op grond van onderdeel f of g; de advocaat-generaal meent dat de betrokkenen hetzij in een verhouding van ondergeschiktheid werken, hetzij niet als ondernemer optreden. Beide zaken bevestigen dat voor de medische vrijstelling niet de titel van de dienstverrichter, maar de feitelijke aard van de dienst en de positie waarin zij wordt verricht bepalend zijn.
Onderwijs versus voordrachten. Over HOVO-cursussen concludeerde A-G Ettema dat de onderwijsvrijstelling niet geldt omdat deze cursussen niet binnen het stelsel van school- of universitair onderwijs vallen (ECLI:NL:PHR:2022:1245, 2022), terwijl in de conclusie ECLI:NL:PHR:2022:1251 (2022) wordt geconcludeerd dat diezelfde cursussen wel onder de voordrachtenvrijstelling van onderdeel p kunnen vallen, ook waar van de deelnemer een actieve houding wordt gevraagd. Deze twee conclusies laten zien dat het ontbreken van formeel onderwijstoezicht onderdeel o uitsluit, maar de deur naar onderdeel p juist openhoudt.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bouwterrein versus (on)bebouwde grond, en nieuwbouw versus bestaand vastgoed binnen de tweejaarstermijn: sterk feitelijk, met de fysieke staat op het leveringsmoment (inclusief restanten en de zelfstandige bruikbaarheid van onderdelen van een complex) als mogelijk doorslaggevend.
- De optie voor belaste levering of verhuur vergt strikte formele vastlegging (notariële akte respectievelijk schriftelijke huurovereenkomst, of een gezamenlijk verzoek aan de inspecteur) én doorlopende monitoring van het aftrekcriterium bij de afnemer per boekjaar; bij verhuur is bovendien vereist dat het geen woning betreft en dat de verhuurder geen kleineondernemersregeling toepast.
- Bij de medische vrijstelling en zorgsamenwerkingsverbanden telt niet wie de dienst verricht, maar of de werkzaamheden feitelijk binnen het deskundigheidsgebied van het beroep vallen en zelfstandig, als ondernemer, worden verricht.
- Bij cursusaanbod buiten het formele onderwijsbestel (HOVO) lopen onderwijsvrijstelling (o) en voordrachtenvrijstelling (p) uiteen: ontbrekend onderwijstoezicht sluit o uit, maar laat ruimte voor p.
- Bij sportverenigingen wordt de omzet uit kantine-exploitatie in de praktijk forfaitair gewaardeerd op 13% (kantineforfait), en is het inlenen van trainers via een sportservicebureau onder voorwaarden vrijgesteld van btw over de detacheringsbijdrage; de fondswervingsgrenzen van onderdeel v gelden daarnaast voor bijkomstige, niet-kantinegebonden opbrengsten.
- Nauw samenhangende leveringen bij c, e, o en t (met name spijzen en dranken, onderzoek, personeel ter beschikking stellen, administratieve dienstverlening) delen niet automatisch in de vrijstelling; de onontbeerlijkheids- en concurrentietoets van lid 2 blijft een afzonderlijke stap na de kwalificatie van de hoofdprestatie.
Recente ontwikkelingen
De afbakening van bouwterrein en (on)bebouwde grond is met ECLI:NL:HR:2024:216 (2024) opnieuw feitelijk aangescherpt, in het verlengde van het oudere arrest ECLI:NL:HR:2014:3566 (2014): de kwalificatie blijft afhankelijk van de concrete, per geval te beoordelen fysieke staat van het perceel op het leveringsmoment. Het beleid rond de vrijstelling voor verzorging en verpleging in inrichtingen (onderdeel c) is aangepast aan jurisprudentie van het Hof van Justitie, waarbij voor commerciële instellingen inmiddels ook de verstrekking van spijzen en dranken onder de goedkeuring valt. Voor fondswerving en kantines van sportverenigingen is het beleid samengevoegd in één besluit, met het kantineforfait van 13% als vaste waarderingsregel naast de wettelijke grensbedragen van onderdeel v.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
51 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHARL:2022:912 (2022)
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat ondersteunende en coördinerende diensten die een huisarts verricht voor een stichting die zorgbehandelplannen ontwikkelt, niet onder de medische vrijstelling vallen en evenmin onder de sociaal-culturele vrijstelling omzetbelasting.
-
ECLI:NL:HR:2014:3566 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat een terrein met onbebouwde voorzieningen zoals glooiingen, grasvelden en vijvers naast op te richten bouwwerken, afhankelijk van omvang en verhouding van bebouwd en onbebouwd gedeelte, als geheel als bebouwde grond kan gelden, en verwijst de zaak.
-
ECLI:NL:PHR:2022:1246 (2022)
De conclusie behandelt of de GEZ-werkzaamheden van eerstelijnszorgpartners binnen een samenwerkingsverband zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel f of g, Wet OB 1968; de advocaat-generaal meent dat zij hun werkzaamheden hetzij in een verhouding van ondergeschiktheid verrichten, hetzij niet als ondernemer optreden.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:7634 (2024)
De zaak betreft de vraag of de koepelvrijstelling in de omzetbelasting van toepassing is op prestaties van een openbaar lichaam dat is ingesteld door 21 waterschappen.
-
ECLI:NL:GHSHE:2024:4067 (2024)
In geschil is of HOVO-cursussen zijn vrijgesteld van omzetbelasting of moeten worden belast naar het verlaagde btw-tarief; het hoger beroep van de inspecteur is gegrond en belanghebbende krijgt een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
-
ECLI:NL:GHARL:2019:4127 (2019)
Het hof oordeelt dat examendiensten (opstellen, afname en verwerking van examens) niet kunnen worden beschouwd als het afnemen van een examen en evenmin als daarmee nauw samenhangende prestaties, zodat de onderwijsvrijstelling niet van toepassing is.
-
ECLI:NL:HR:2024:216 (2024)
De Hoge Raad laat de naheffingsaanslag omzetbelasting in stand, in een geschil over de vraag of een perceel met het restant van een gesloopt fabrieksgebouw (een muur) onbebouwde grond dan wel een bouwterrein vormt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1329 (2024)
Het verstrekken van toegang tot een openluchtzwembad is één samengestelde prestatie die niet onder de sportvrijstelling valt omdat spelen en ontspanning overheersen, zodat het verlaagde btw-tarief geldt; het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:3338 (2025)
De zaak betreft of de verbouwing van het pand kwalificeert als het voortbrengen van een vervaardigd goed als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet OB (in wezen nieuwbouw), en of het pand voor de overdrachtsbelasting als woning kwalificeert voor het lagere tarief.
-
ECLI:NL:HR:2017:1097 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de vraag of een golfbaan zich, los van het clubhuis, leent voor zelfstandig gebruik niet het perspectief van de speler beslissend is, maar of afzonderlijk te onderscheiden onroerende zaken los kunnen worden gebruikt; verwijzing volgt.
Beleid en standpunten
23 bronnen in de kennisbank-
Kamerstuk 35026 nr. 3
De vergoeding van vakverenigingsbijdragen door werkgevers wordt tot belastbaar loon gerekend in plaats van als vrije vergoeding.
-
Besluit BWBR0039991
Goedkeuring en beleid inzake vrijstelling omzetbelasting voor verzorging en verpleging in inrichtingen, aangepast naar jurisprudentie van het Hof van Justitie. Voor commerciële instellingen is nu ook verstrekking van spijzen en dranken opgenomen in de goedkeuring.
-
Kamerstuk 34552 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2017, met onderdelen inkomensbeleid, constructiebestrijding, innovatiebox en jurisprudentiegevolgen.
-
Besluit BWBR0039381
Beleid inzake samenloop van overdrachtsbelasting en omzetbelasting bij onroerendezaaktransacties, met goedkeuringen voor ongewenste dubbele heffing.
- KG:210:2026:5 (2026)
-
Besluit BWBR0034569
Goedkeuring/beleid inzake omzetbelasting voor fondswerving en kantines sportverenigingen. De vrijstelling voor fondswervende activiteiten geldt onder bepaalde voorwaarden; het kantineforfait is gesteld op 13%.
-
Besluit BWBR0027969
Beleid inzake omzetbelastingvrijstelling diensten componisten, schrijvers en journalisten; samenvoeging eerdere besluiten zonder inhoudelijke wijzigingen.
- Kamerstuk 35026 nr. 13
-
Besluit BWBR0044602
Goedkeuring inzake omzetbelasting publiekrechtelijke lichamen: beleid over omzetbelasting en compensatie van omzetbelasting bij publiekrechtelijke lichamen, onder meer aangepast naar recente jurisprudentie en vervallen bepalingen.
-
Besluit BWBR0039298
Beleid inzake maatstaf van heffing voor overdrachtsbelasting met regels voor veilingen, onderwaarderingen, schuldkwijtschelding, en omzetting van lidmaatschapsrechten.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.