Inkomstenbelasting
Conserverende aanslag bij emigratie
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De conserverende aanslag is het instrument waarmee de Belastingdienst een belastingclaim op bepaalde inkomensbestanddelen "bevriest" op het moment dat een belastingplichtige feitelijk niet meer in de Nederlandse heffing kan worden betrokken, met name bij emigratie. In plaats van direct af te rekenen wordt de verschuldigde inkomstenbelasting over het zogeheten te conserveren inkomen apart vastgesteld op een aanslag, waarvoor vervolgens uitstel van betaling wordt verleend. Zolang zich geen gebeurtenis voordoet die het verleende uitstel beëindigt, zoals vervreemding van de aandelen waarop de claim rust, blijft de aanslag openstaan zonder dat feitelijk wordt ingevorderd. Functioneel beschermt de figuur de Nederlandse heffingsgrondslag tegen uitholling door fiscale emigratie, zonder de belastingplichtige op het moment van vertrek te confronteren met een acute belastingschuld over waarde die nog niet is gerealiseerd.
De regeling heeft sinds de invoering van de Wet IB 2001 een aantal fasen doorgemaakt. In de eerste periode (2001 tot medio 2009) werd bij emigratie van een lijfrentegerechtigde in wezen geheven over een deel van de waarde van de aanspraak zelf, ongeacht welke premies waren afgetrokken. Met de wijziging van art. 3.136 lid 2 Wet IB 2001 per 16 juli 2009 verschoof de grondslag naar het terugnemen van eerder afgetrokken premies (een "voorwaardelijke aftrek" die wordt gecorrigeerd), wat de aansluiting bij belastingverdragen verbeterde. Voor de aanmerkelijkbelangclaim gold aanvankelijk een uitstel van beperkte duur met kwijtschelding na verloop van jaren; sinds 2015 is het uitstel voor de ab-claim in beginsel onbeperkt in duur, zonder dat na tien jaar automatisch kwijtschelding volgt. Het samenspel tussen de Wet IB 2001, die bepaalt welk inkomen als te conserveren wordt aangemerkt en hoe de belasting daarover wordt berekend, en de Invorderingswet 1990, die het uitstel van betaling en de kwijtscheldingsmogelijkheden regelt, is sindsdien ongewijzigd van opzet. De belangrijkste toepassingen zijn de aanmerkelijkbelangclaim bij emigratie van een dga en de aanspraken uit pensioen- en lijfrenteregelingen bij emigratie van de gerechtigde; ook stakingswinst bij bepaalde vormen van doorschuiving kent een vergelijkbare constructie.
Wanneer speelt dit
Het thema speelt bij emigratie van een dga die zijn binnenlandse belastingplicht beëindigt, bij vertrek van een belastingplichtige met pensioen- of lijfrenteaanspraken waarvoor premies zijn afgetrokken, bij vervreemding van ab-aandelen waarbij de koper de overdrachtsprijs schuldig blijft, bij overlijden of verdeling van een nalatenschap of huwelijksgemeenschap waarbij aandelen overgaan op een niet in Nederland wonende verkrijger, bij een aandelenfusie, splitsing of fusie waarbij voortzetting van bestaand uitstel aan de orde is, en bij staking van een onderneming met doorschuiving van de overdrachtsprijs. Ook een herinvesteringsreserve die niet tijdig wordt herinvesteerd, kan tot een conserverende aanslag leiden.
Hoe werkt de regeling
Wie kwalificeert. De conserverende aanslag treft drie hoofdgroepen belastingplichtigen: de dga die anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn en op dat moment een aanmerkelijk belang houdt; de verzekeringnemer of gerechtigde tot een pensioen- of lijfrenteaanspraak die op dezelfde wijze uit de Nederlandse belastingplicht treedt; en de ondernemer die staakt en de overdrachtsprijs geheel of gedeeltelijk schuldig laat. Onder "ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn" valt ook de verdragssituatie waarin iemand voor de toepassing van een belastingverdrag geacht wordt geen inwoner van Nederland meer te zijn, óók zonder feitelijke emigratie.
Wat is het gevolg. In plaats van directe heffing wordt het te conserveren inkomen uit het reguliere belastbare inkomen gelicht (art. 2.8 lid 1 Wet IB 2001) en apart belast op een conserverende aanslag (art. 2.9 lid 1 Wet IB 2001). Voor die aanslag wordt op verzoek uitstel van betaling verleend (art. 25 IW 1990); zolang het uitstel loopt, vangt geen dwanginvordering aan. Bij bepaalde gebeurtenissen — met name vervreemding van de onderliggende aandelen, aflossing van een schuldig gebleven koopsom, of terugkeer naar Nederland binnen de relevante termijn — eindigt het uitstel geheel of gedeeltelijk en wordt (het resterende deel van) de claim alsnog ingevorderd of kwijtgescholden.
Reikwijdte: wat valt eronder, wat niet. Als te conserveren inkomen worden onder meer aangemerkt: stakingswinst (art. 3.58 lid 1 Wet IB 2001), een niet-tijdig geherinvesteerde herinvesteringsreserve (art. 3.64 lid 1), pensioen- en lijfrenteaanspraken (art. 3.83, 3.133, 3.136) en het aanmerkelijkbelangvoordeel bij het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn (art. 4.16 lid 1 onderdeel h Wet IB 2001). Niet onder de conserverende aanslag valt overlijden zelf: fictieve vervreemding door overlijden is uitgesloten van de emigratiebepaling van art. 4.16 lid 1 onderdeel h, al kan overgang krachtens erfrecht op een niet in Nederland wonende verkrijger op verzoek alsnog als te conserveren inkomen worden aangemerkt (art. 2.8 leden 4 tot en met 7). Ook reguliere, feitelijk gerealiseerde vervreemdingen (verkoop tegen contante betaling) blijven buiten de regeling: die worden normaal in het jaar van vervreemding belast, zonder dat er iets te conserveren valt.
Procedure en termijnen. De volgende bedragen, percentages en termijnen zijn vastgelegd in wet en aangewezen bronnen; ze gelden voor de aangegeven periode of het aangegeven jaar.
| Onderdeel | Bedrag / percentage / termijn | Jaar / periode | Bron |
|---|---|---|---|
| Uitstel pensioen- en lijfrente-conserverende aanslag | tot uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop van het aanslagjaar | doorlopend | art. 25 lid 5 IW 1990 |
| Correctietermijn bij hervestiging in de eerdere verdragsstaat | 10 jaar na toepassing van art. 3.136 lid 1/lid 3 | doorlopend | art. 3.136 lid 4 Wet IB 2001 |
| Uitstel aanmerkelijkbelang-conserverende aanslag | in beginsel onbeperkt, geen automatische kwijtschelding na tien jaar | sinds 2015 | hub-samenvatting thema |
| Kwalificerend belang voor het uitstel bij schuldig gebleven overdrachtsprijs | ten minste 5% van het geplaatste kapitaal | doorlopend | art. 25 lid 9 IW 1990 |
| Box 2-tarief, eerste schijf | 24,5% tot € 68.843 | 2026 | art. 2.12 Wet IB 2001 |
| Box 2-tarief, tweede schijf | 31% boven € 68.843 | 2026 | art. 2.12 Wet IB 2001 |
De keuze om te conserveren inkomen als zodanig aan te merken, is voor het merendeel van de categorieën van rechtswege (art. 2.8 lid 2); alleen voor stakingswinst geldt een verzoek om de conservering juist te beperken (lid 3), en voor overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of erfrecht naar een niet-inwoner geldt omgekeerd een verzoek om wél te conserveren (leden 4-7). Het gekoppelde uitstel van betaling moet apart bij de ontvanger worden aangevraagd; de aanslag zelf staat voor bezwaar open, evenals iedere aanpassing daarvan wanneer de onderliggende gewone aanslag wordt verminderd (art. 2.9 lid 2 Wet IB 2001).
Wettelijk kader
De inkomstenbelastingkant regelt welk inkomen wordt geconserveerd en hoeveel belasting daarover verschuldigd is. Art. 2.8 lid 1 Wet IB 2001 licht het te conserveren inkomen uit het reguliere belastbare inkomen; lid 2 somt de categorieën op (stakingswinst, herinvesteringsreserve, pensioen- en lijfrenteaanspraken, het ab-vervreemdingsvoordeel van art. 4.16 lid 1 onderdeel h). De leden 4 tot en met 7 bieden op verzoek de mogelijkheid ook het ab-voordeel bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of erfrecht naar een niet-inwoner als te conserveren inkomen aan te merken — een uitzondering op de hoofdregel dat overlijden zelf geen conserverende aanslag oplevert. Art. 2.9 lid 1 bepaalt de rekenmethode: het verschil tussen de belasting over het totale inkomen (art. 2.7) en de belasting zonder het conserverende bestanddeel (art. 2.8), met een bodem op het bedrag dat verschuldigd zou zijn als het te conserveren inkomen het enige inkomen was. Lid 2 verplicht de inspecteur de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking aan te passen als de onderliggende aanslag wordt verminderd.
Art. 4.16 Wet IB 2001 somt de fictieve vervreemdingen van ab-aandelen op. Onderdeel h merkt als vervreemding aan "het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn", inclusief de verdragssituatie waarin iemand geacht wordt geen inwoner van Nederland meer te zijn: dit is de bepaling die de ab-claim bij emigratie triggert. De overige gronden in het artikel — onder meer inkoop van aandelen, liquidatie-uitkeringen en overgang onder algemene titel — leiden tot gewone (niet-conserverende) heffing, tenzij de emigratiegrond van onderdeel h zich tegelijk voordoet.
Voor pensioen- en lijfrenteaanspraken bepaalt art. 3.136 lid 1 Wet IB 2001 dat bij een belastingplichtige die anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn, de eerder afgetrokken premies (en het daarover behaalde rendement) als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen; dit geldt ook in de verdragssituatie waarin iemand geacht wordt geen inwoner meer te zijn. Lid 2 beperkt dit tot alleen de premies wanneer een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting toepassing van lid 1 verhindert — de vormgeving die sinds 16 juli 2009 geldt en die het terugnemen van een voorwaardelijke aftrek regelt in plaats van heffing over de waarde van de aanspraak zelf. Lid 3 regelt het spiegelbeeld voor pensioenaanspraken: aanspraken en bijdragen die niet tot het loon zijn gerekend, worden alsnog als negatieve uitgaven in aanmerking genomen wanneer de hoofdregel van art. 3.83 lid 1 door een verdrag wordt geblokkeerd. Lid 4 voorziet in een correctie: keert de belastingplichtige binnen tien jaar terug naar de eerdere verdragsstaat (niet: naar Nederland), dan wordt het belastbare inkomen van het emigratiejaar verlaagd met het destijds in aanmerking genomen bedrag en verhoogd met het bedrag dat bij toepassing van lid 2 of 3 in aanmerking zou zijn genomen.
De invorderingskant zit in art. 25 IW 1990. Lid 1 geeft de ontvanger de algemene bevoegdheid onder te stellen voorwaarden voor bepaalde tijd uitstel van betaling te verlenen. Lid 5 ziet specifiek op de pensioen- en lijfrenteconserverende aanslagen (art. 3.83, 3.133, 3.136 Wet IB 2001) en bepaalt dat uitstel wordt verleend tot uiterlijk het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft, met beëindiging bij de gebeurtenissen die art. 25 lid 5 aanwijst via art. 19b Wet LB 1964 en art. 3.133 en 3.135 Wet IB 2001. Lid 8 regelt het uitstel voor de ab-conserverende aanslag; dat eindigt onder meer ingeval de aandelen of winstbewijzen waarop het uitstel ziet, worden vervreemd in de zin van art. 4.12 of 4.16 Wet IB 2001 (onderdeel a), al kan het bij een aandelenfusie, splitsing, fusie of schenking aan een natuurlijk persoon onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet. Ook uitdeling van reserves (onderdeel b) of teruggaaf van gestort kapitaal (onderdeel c) beëindigt het uitstel, gedeeltelijk naar rato van het uitgedeelde bedrag. Lid 9 regelt afzonderlijk het uitstel bij een schuldig gebleven overdrachtsprijs voor ab-aandelen: dat uitstel geldt alleen als de vervreemde aandelen ten minste 5% van het geplaatste kapitaal uitmaken en de bezittingen van de vennootschap niet in belangrijke mate uit beleggingen bestaan.
Naast de aanslag- en uitstelregels bevat art. 26 IW 1990 de kwijtscheldingsbepalingen die het sluitstuk vormen van de systematiek. Lid 4 kan kwijtschelding verlenen tot het bedrag van de Nederlandse dividendbelasting of inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn geweest over de aandelen waarop het art. 25 lid 8-uitstel ziet. Lid 5 verleent, wanneer het uitstel eindigt door vervreemding, kwijtschelding voor zover de waarde van de aandelen sindsdien is gedaald (berekend met het percentage van de eerste dan wel tweede schijf van de tabel van art. 2.12 Wet IB 2001, afhankelijk van of de waardedaling binnen of boven de schijfgrens valt), voor zover het heffingsrecht op grond van een verdrag aan een ander land is toegewezen, of voor zover de Nederlandse belasting hoger is dan wat verschuldigd zou zijn geweest bij een inwoner. Lid 2 kent een afzonderlijke kwijtscheldingsmogelijkheid voor pensioen- en lijfrenteconserverende aanslagen wanneer het tienjaarsuitstel van art. 25 lid 5 door tijdsverloop eindigt.
Belangrijkste rechtspraak
Verdragstrouw bij pensioen- en lijfrenteconservering. In de prejudiciële beslissing ECLI:NL:HR:2017:1324 (2017) beantwoordde de Hoge Raad twee vragen van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over een conserverende aanslag bij emigratie naar Frankrijk. Voor de lijfrentecomponent (art. 3.136 lid 2 Wet IB 2001) oordeelde de Hoge Raad dat heffing over de eerder afgetrokken premies niet in strijd komt met de goede verdragstrouw, omdat niet de waarde van de aanspraak zelf wordt belast maar een voorwaardelijk verleende aftrek wordt teruggenomen — met dien verstande dat voor premies betaald tussen 1 januari 2001 en 16 juli 2009 wél compartimentering moet plaatsvinden, omdat de aftrek in die periode nog geen voorwaardelijk karakter had. Voor de pensioencomponent (art. 3.136 lid 3) oordeelde de Hoge Raad dat het toewijzingsartikel voor pensioenen in het verdrag niet in de weg staat aan de Nederlandse heffing, omdat die heffing ziet op het terugnemen van een eerder verleende vrijstelling en niet op de latere pensioentermijnen zelf. ECLI:NL:HR:2017:2985 (2017) paste deze lijn vervolgens toe op een emigratie naar Israël en verwees uitdrukkelijk naar het arrest van juli 2017 voor de vraag welke pensioenpremies wel en niet onder de goede-verdragstrouw-toets vallen.
Reikwijdte van de uitstelfaciliteiten bij ab-conservering. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2012:BY5288 (2012) dat de uitstelfaciliteit van art. 25 lid 9 IW 1990 niet geldt wanneer de overdrachtsprijs van ab-aandelen slechts gedeeltelijk schuldig is gebleven, omdat die bepaling geen regeling voor gedeeltelijk uitstel kent; het cassatieberoep werd ongegrond verklaard. De uitspraak markeert dat de uitstelfaciliteiten in art. 25 IW 1990 strikt zijn geformuleerd en zich niet lenen voor een naar rato-toepassing buiten de tekst om.
Procedurele geschillen over vermindering en voortzetting. Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in ECLI:NL:GHARL:2026:2736 (2026) de uitspraak van de rechtbank in een geschil over een verzoek tot vermindering van een conserverende aanslag IB/PVV en de voortzetting van het daarvoor verleende uitstel. Zulke geschillen tonen dat vermindering van de aanslag en voortzetting van het gekoppelde uitstel juridisch afzonderlijke geschilpunten zijn, die elk apart kunnen worden aangevochten.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Een aandelenfusie, splitsing, fusie of schenking aan een natuurlijk persoon hoeft het uitstel van art. 25 lid 8 IW 1990 niet automatisch te beëindigen, maar voortzetting is alleen mogelijk onder nader te stellen voorwaarden; ook uitdelingen van reserves of teruggaaf van gestort kapitaal (onderdelen b en c) kunnen het uitstel gedeeltelijk beëindigen, zodat winstuitkeringen na emigratie van belang blijven voor het behoud van het uitstel.
- Bij lijfrentepremies die zijn betaald tussen 1 januari 2001 en 16 juli 2009 speelt compartimentering: voor dat tijdvak gold de aftrek niet als voorwaardelijk, met gevolgen voor de vraag of heffing bij een conserverende aanslag verdragsconform is.
- Verzoeken tot vermindering van een conserverende aanslag en tot voortzetting van het gekoppelde uitstel blijven, zoals ECLI:NL:GHARL:2026:2736 laat zien, feitelijk gevoelige geschilpunten die elk apart kunnen worden aangevochten.
- De kwijtscheldingsberekening van art. 26 lid 5 IW 1990 loopt via de schijven en percentages van art. 2.12 Wet IB 2001 (24,5% respectievelijk 31% in 2026); een wijziging van dat tarief werkt daarmee automatisch door in de omvang van een eventuele kwijtschelding bij waardedaling van de onderliggende aandelen.
Recente ontwikkelingen
Per 16 juli 2009 is art. 3.136 lid 2 Wet IB 2001 gewijzigd naar de huidige vormgeving, waarbij bij emigratie niet langer de waarde van de lijfrenteaanspraak zelf wordt belast maar de eerder afgetrokken premies als negatieve uitgaven worden teruggenomen; de Hoge Raad bevestigde in 2017 dat dit voor premies vanaf die datum verdragsconform is, met compartimentering voor het oudere regime (ECLI:NL:HR:2017:1324). Sinds 2015 is het uitstel van betaling voor de aanmerkelijkbelang-conserverende aanslag in beginsel onbeperkt in duur, zonder dat na tien jaar automatisch kwijtschelding volgt. Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:2736) een uitspraak over vermindering van een conserverende aanslag IB/PVV en voortzetting van het gekoppelde uitstel, wat laat zien dat dit type geschil actueel blijft.
Voor de wisselwerking met voorkoming van dubbele belasting en met de bredere exitheffing bij vertrek van een onderneming of aanmerkelijkbelanghouder gelden vergelijkbare uitgangspunten over het moment van heffen versus het moment van invorderen; bij staking van een onderneming met een schuldig gebleven overdrachtsprijs loopt de conservering via een afzonderlijke uitstelregeling in art. 25 IW 1990.
Kernartikelen
- Art. 25 IW 1990
- Art. 26 IW 1990
- Art. 2.8 Wet IB 2001 — Art. 2.8 Wet IB 2001: Verschuldigde inkomstenbelasting op gewone aanslag
- Art. 2.9 Wet IB 2001 — Art. 2.9 Wet IB 2001: Verschuldigde belasting op conserverende aanslag
- Art. 3.136 Wet IB 2001 — Art. 3.136 Wet IB 2001: Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij emigratie
- Art. 4.16 Wet IB 2001 — Art. 4.16 Wet IB 2001: Fictieve vervreemdingen
Belangrijkste rechtspraak
21 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2017:1324 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat conserverende heffing over negatieve uitgaven bij emigratie ter zake van lijfrente- en pensioenaanspraken (art. 3.136 lid 2 en 3 Wet IB 2001) niet in strijd is met de goede verdragstrouw voor zover de aanspraken in bepaalde tijdvakken zijn vrijgesteld of afgetrokken (compartimentering).
-
ECLI:NL:GHARL:2026:2736 (2026)
Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de uitspraak van de rechtbank in een geschil over een verzoek tot vermindering van een conserverende aanslag IB/PVV en de voortzetting van het daarvoor verleende uitstel van betaling.
-
ECLI:NL:HR:2017:2985 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat heffing over eerder niet tot het loon gerekende pensioenaanspraken en -bijdragen (art. 3.136 lid 3 Wet IB 2001) bij emigratie naar Israël de goede trouw bij verdragstoepassing niet schendt voor aanspraken na 15 juli 2009; verwijzing.
-
ECLI:NL:HR:2018:511 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat de rechter bij een individuele en buitensporige last in de zin van art. 1 EP EVRM rechtsherstel moet waarborgen zonder af te wijken van de artt. 5.2 en 5.3 Wet IB 2001, en de omvang daarvan schattenderwijs mag vaststellen; zowel het principale als het incidentele cassatieberoep worden ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:HR:2012:BY5288 (2012)
De Hoge Raad oordeelt dat de uitstelfaciliteit van art. 25, lid 9, Invorderingswet 1990 niet geldt wanneer de overdrachtsprijs van aanmerkelijkbelangaandelen slechts gedeeltelijk schuldig is gebleven, omdat deze bepaling geen regeling voor gedeeltelijk uitstel kent; het cassatieberoep is ongegrond.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:101 (2025)
Het Hof oordeelt dat artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, Wet IB 2001 niet van toepassing is bij emigratie van een partieel buitenlands belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap, zodat de conserverende aanslag ten onrechte is opgelegd.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:1423 (2020)
Het gerechtshof oordeelt in het geschil over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting dat geen sprake is van een nieuw feit en dat het beroep van belanghebbenden op het vertrouwensbeginsel faalt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:1318 (2021)
Het Hof oordeelt dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan omdat niet-onwaarschijnlijk was dat de aangifte juist was, ook zonder vervreemdingsvoordeel op aanmerkelijkbelangaandelen na overlijden van de echtgenoot, zonder plicht dit vooraf te onderzoeken.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:1319 (2021)
Het Gerechtshof oordeelt na verwijzing dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan, omdat niet onwaarschijnlijk was dat de aangifte juist was (ook waar geen vervreemdingsvoordelen uit een aanmerkelijk belang na overlijden van de erflater waren aangegeven); geen verplichting om vooraf de aangifte van de echtgenote of erfbelasting te raadplegen.
-
ECLI:NL:RBZWB:2019:1835 (2019)
De rechtbank oordeelt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich verzetten tegen invorderingsrente wanneer de ontvanger pas ruim vier jaar na het vervallen van het uitstel van betaling daarvan kennisgeeft, in strijd met artikel 25.1.6 Leidraad Invordering 2008.
Beleid en standpunten
48 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 26728 nr. 3
- Kamerstuk 26727 nr. 18
-
Besluit BWBR0052644
Beleid inzake bedrijfsopvolgingsregeling in schenk- en erfbelasting, met ingang 1 januari 2026. Bepaalde onderdelen uit het vorige beleid zijn achterhaald.
- Kamerstuk 26727 nr. 3
-
Kamerstuk 35026 nr. 3
De vergoeding van vakverenigingsbijdragen door werkgevers wordt tot belastbaar loon gerekend in plaats van als vrije vergoeding.
-
KG:024:2023:24 (2023)
Standpunt: Als verdragartikel vermogenswinst heffingsrecht aan andere staat toekent, hoeft Nederlands bedrijf geen dividendbelasting in te houden op inkoop; geen vergunning vereist.
-
Kamerstuk 34552 nr. 16
Artikel 12ba wordt uitgebreid: aanvragen voor octrooien, kwekersrechten en aanvullende beschermingscertificaten gelden voortaan als kwalificerende immateriële activa naast programmatuur.
-
Kamerstuk 34552 nr. 14
Nota naar aanleiding verslag waarin regering vragen leden Kamer beantwoordt over inkomensbeleid, box 3, constructiebestrijding en dividendbelasting.
-
KG:003:2023:3 (2023)
Standpunt: [INGETROKKEN 2025-03-25] Dit standpunt is ingetrokken in verband met de afschaffing van de open commanditaire vennootschap per 1 januari 2025.
-
Besluit BWBR0027735
Goedkeuring/beleid inzake aftrekposten in erfbelasting. Dit besluit actualiseert het beleid voor bepaling van aftrekposten van de nalatenschap.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.