Inkomstenbelasting
Aanmerkelijk belang (box 2)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Aanmerkelijk belang (AB) is het regime in box 2 van de inkomstenbelasting voor natuurlijke personen die een substantieel belang houden in een vennootschap. De regeling bestaat omdat een aandeelhouder met een dergelijk belang geen passieve spaarder of belegger is, maar feitelijk mede-eigenaar en vaak mede-bestuurder van "zijn" vennootschap: winst die de vennootschap maakt, komt via dividend of verkoopwinst uiteindelijk bij hem terecht. Zonder een apart regime zou die winst na de vennootschapsbelasting ofwel helemaal onbelast in privé landen, ofwel tegen het box 3-forfait worden belast, wat geen recht doet aan het reële voordeel. Het aanmerkelijk belang trekt daarom een harde grens: bij een belang van ten minste 5% wordt niet in box 3 geheven, maar in box 2, met een eigen tariefstructuur voor reguliere voordelen (met name dividend) en vervreemdingsvoordelen (verkoopwinst).
Het aanmerkelijk belang bepaalt daarmee ook waar de vennootschapsbelasting eindigt en de inkomstenbelasting van de aandeelhouder begint: voor DGA's en familiebedrijven is de AB-kwalificatie de schakel die vastlegt welke handelingen (dividenduitkering, verkoop van aandelen, schenking, overlijden) tot belastbaar inkomen leiden en tegen welke verkrijgingsprijs een latere vervreemding wordt afgerekend.
Het tarief van box 2 is de afgelopen jaren herhaaldelijk gewijzigd. Tot en met 2023 gold een vlak tarief van 26,9%. Met ingang van 2024 is een tweeschijventarief ingevoerd: een laag tarief tot een inkomensgrens en een hoog tarief daarboven. In 2025 is het toptarief verlaagd; de schijfgrens wordt jaarlijks geïndexeerd. De 5%-kwalificatiedrempel zelf is in die periode ongewijzigd gebleven.
Het aanmerkelijk-belangbegrip is bovendien niet beperkt tot rechtstreeks aandelenbezit: de wet trekt indirecte belangen, winstbewijzen, optierechten en bepaalde buitenlandse of hybride rechtsvormen binnen dezelfde definitie, en kent bovendien attributieregels die een belang van een partner of familielid aan de belastingplichtige toerekenen. Dat maakt de kwalificatievraag in de praktijk vaak minder vanzelfsprekend dan de 5%-drempel op het eerste gezicht suggereert.
Wanneer speelt dit
De AB-vraag komt op bij verkoop of overdracht van aandelen in een BV of NV, bij dividenduitkeringen aan een DGA, bij schenking of vererving van aanmerkelijkbelangaandelen binnen de familie (met raakvlakken aan de erf- en schenkbelasting), en bij herstructureringen waarbij aandelen worden omgezet (bijvoorbeeld in tracking stocks) of geruild, met grensvlakken naar juridische fusie en juridische splitsing. Ook de uitoefening van aandelenoptierechten kan een aanmerkelijk belang doen ontstaan, en bij grensoverschrijdende situaties (emigratie van de aandeelhouder, buitenlandse vennootschappen, verdragstoepassing) speelt de kwalificatie een rol bij de vraag welke staat mag heffen; de fiscale woonplaats van de aandeelhouder is daarbij het aanknopingspunt en emigratie kan een fictieve vervreemding opleveren die raakt aan de conserverende aanslag. Daarnaast raakt het thema situaties met certificering van aandelen (Stichting Administratiekantoor), lucratief belang, leningen tussen vennootschap en aandeelhouder (zie onzakelijke lening) en de doelmatigheidstoets bij het gebruikelijk loon van de DGA.
Voorwaarden en werking
Wie kwalificeert
Een belastingplichtige heeft op grond van art. 4.6 Wet IB 2001 een aanmerkelijk belang zodra hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect voldoet aan minstens één van de volgende, zelfstandige gronden:
- voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld (onderdeel a);
- rechten heeft om aandelen te verwerven tot ten minste 5% van het geplaatste kapitaal (onderdeel b);
- winstbewijzen heeft die zien op ten minste 5% van de jaarwinst of van een liquidatie-uitkering (onderdeel c);
- gerechtigd is tot ten minste 5% van de stemmen in de algemene vergadering van bepaalde rechtspersonen (onderdeel d);
- een aandeel heeft in een omgekeerd hybride lichaam waardoor voor ten minste 5% in de winst van dat lichaam wordt gedeeld (onderdeel e);
- een aandeel heeft in een ander vennootschapsbelastingplichtig lichaam waardoor voor ten minste 5% wordt gedeeld in winst, liquidatie-uitkering of stemrechten (onderdeel f).
Elk van deze gronden is op zichzelf voldoende: voldoen aan één onderdeel volstaat, ongeacht de andere. Twee attributieregels verbreden de kring verder. De meesleepregeling van art. 4.9 Wet IB 2001 trekt overige aandelen of winstbewijzen van dezelfde belastingplichtige in dezelfde vennootschap mee in het aanmerkelijk belang, ook als die op zichzelf onder de 5% blijven. De meetrekregeling van art. 4.10 Wet IB 2001 gaat verder: aandelen die bij de belastingplichtige zelf onder de 5% blijven, kwalificeren toch als aanmerkelijk belang als zijn partner of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van hemzelf of zijn partner wél een aanmerkelijk belang in die vennootschap heeft. Daarnaast bestaat een fictief aanmerkelijk belang (art. 4.11 Wet IB 2001) voor aandelen die zijn verkregen met toepassing van een doorschuifregeling (onder meer bij staking van een onderneming of geruisloze omzetting, art. 3.65, 4.17, 4.17a, 4.17b, 4.17c, 4.40 of 4.41 Wet IB 2001), ook als het belang zelf onder de 5% ligt.
Wat is het gevolg
Bij kwalificatie valt het belang niet meer in box 3, maar wordt het jaarlijkse voordeel belast in box 2 volgens art. 4.12 Wet IB 2001: het gezamenlijke bedrag van reguliere voordelen (dividend, verminderd met aftrekbare kosten) en vervreemdingsvoordelen (verkoopwinst), verminderd met de persoonsgebonden aftrek. Het tarief kent sinds 2024 twee schijven; de grens en het toptarief verschillen per jaar:
| Jaar | Schijf 1 (tarief) | Grens schijf 1 | Schijf 2 (tarief) |
|---|---|---|---|
| t/m 2023 | 26,9% (vlak tarief, geen schijven) | n.v.t. | n.v.t. |
| 2024 | 24,5% | € 67.000 | 33% |
| 2025 | 24,5% | € 67.804 | 31% |
| 2026 | 24,5% | € 68.843 | 31% |
Voor de vervreemdingsvoordelen is niet alleen de overdrachtsprijs bepalend, maar ook de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen: het voordeel is het verschil daartussen (art. 4.12, onderdeel b, Wet IB 2001). Ontbreekt een tegenprestatie of is deze bedongen bij een overeenkomst die niet onder normale (zakelijke) omstandigheden is gesloten, dan wordt op grond van art. 4.22 Wet IB 2001 de waarde in het economisch verkeer als tegenprestatie aangemerkt; dat geldt ook wanneer bij een vervreemding het belang wordt behouden, behalve bij uitgifte van nieuwe aandelen.
Reikwijdte: fictieve vervreemdingen
Niet alleen een feitelijke verkoop leidt tot afrekening. Art. 4.16 lid 1 Wet IB 2001 merkt onder meer de volgende gebeurtenissen aan als vervreemding: inkoop van aandelen, afkoop of inkoop van winstbewijzen, het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen, het van rechtswege aandeelhouder worden in een andere vennootschap bij een juridische fusie of splitsing, overgang onder algemene titel (waaronder vererving), het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang (bijvoorbeeld door verwatering onder de 5%), het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn (waaronder emigratie en verdragssituaties waarin Nederland het inwonerschap verliest), en het verlenen van een koopoptie. Een tot een aanmerkelijk belang behorend genotsrecht wordt bovendien geacht te zijn vervreemd zodra dat genotsrecht eindigt (art. 4.16 lid 4 Wet IB 2001). Deze fictieve vervreemdingen verklaren waarom niet alleen een verkoop, maar ook emigratie, verwatering of het aflopen van een vruchtgebruik tot een afrekeningsmoment kan leiden.
Procedure bij verlies
Een negatief vervreemdingsvoordeel of een anderszins niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang gaat niet zonder meer verloren. Het wordt op grond van art. 4.49 lid 1 Wet IB 2001 eerst verrekend met de inkomens uit aanmerkelijk belang van het voorafgaande kalenderjaar en van de zes volgende kalenderjaren, in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan. Blijft na die termijn een verlies onverrekend en hebben de belastingplichtige en zijn partner in het lopende én het daaraan voorafgaande kalenderjaar geen aanmerkelijk belang meer (bij overlijden zonder partner: geen aanmerkelijk belang meer op het overlijdensmoment), dan kan dit verlies op verzoek worden omgezet in een belastingkorting (art. 4.53 Wet IB 2001). De korting bedraagt het percentage van de eerste schijf van de tabel in art. 2.12 Wet IB 2001 — dus het lage-schijftarief van 24,5% — van het onverrekende verlies, en wordt door de inspecteur vastgesteld bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Een kennisgroepstandpunt bevestigt dat deze omzetting ook geldt voor een buitenlandse belastingplichtige.
Wettelijk kader
Kwalificatie en attributie (art. 4.6, 4.9, 4.10, 4.11 Wet IB 2001)
Art. 4.6 Wet IB 2001 vormt de kern van het regime en somt in de onderdelen a tot en met f de zelfstandige kwalificatiegronden op die hierboven als checklist zijn weergegeven: direct aandeelhouderschap, verwervingsrechten, winstbewijzen, stemrechten, en belangen in omgekeerd hybride respectievelijk andere vennootschapsbelastingplichtige lichamen. De wetgever heeft daarnaast in art. 4.9 en 4.10 Wet IB 2001 twee attributieregels opgenomen om ontwijking via spreiding van aandelen binnen dezelfde vennootschap of binnen het gezin te voorkomen: de meesleepregeling trekt overige, kleinere pakketten van dezelfde belastingplichtige in dezelfde vennootschap mee, de meetrekregeling trekt een belang van de partner of van bloed- en aanverwanten in de rechte lijn aan. Art. 4.11 Wet IB 2001 voegt daar een fictief aanmerkelijk belang aan toe voor situaties waarin bij het ontstaan van het belang gebruik is gemaakt van een fiscale doorschuiffaciliteit, zodat de daarin besloten liggende fiscale claim niet verdwijnt zodra het belang onder de 5% zakt.
Regulier voordeel en vervreemdingsvoordeel (art. 4.12 Wet IB 2001)
Art. 4.12 Wet IB 2001 bepaalt wat tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang wordt gerekend: het gezamenlijke bedrag van reguliere voordelen (onderdeel a) en vervreemdingsvoordelen (onderdeel b), verminderd met de persoonsgebonden aftrek van hoofdstuk 6. Beide categorieën worden niet afzonderlijk belast, maar vormen samen één boxinkomen. Dat onderscheid is niet louter terminologisch: reguliere voordelen ontstaan doorlopend (bij elke uitkering), terwijl vervreemdingsvoordelen zich in één keer voordoen bij een (fictieve) vervreemding en daarom afhankelijk zijn van de vaststelling van de verkrijgingsprijs.
Vervreemdingsvoordeel, verkrijgingsprijs en correctie naar zakelijke waarde (art. 4.22 Wet IB 2001)
Bij de vaststelling van het vervreemdingsvoordeel is naast de overdrachtsprijs de verkrijgingsprijs bepalend: het voordeel is het verschil daartussen. Art. 4.22 Wet IB 2001 bewaakt dat deze berekening niet kan worden gestuurd door een niet-zakelijke prijsafspraak: ontbreekt een tegenprestatie, of is deze bedongen onder niet-normale omstandigheden, dan geldt de waarde in het economisch verkeer als tegenprestatie (lid 1), ook wanneer het belang bij de vervreemding wordt behouden (lid 2, behalve bij uitgifte van aandelen). De rechtspraak onder "Belangrijkste rechtspraak" laat zien dat deze correctiebepaling en de vaststelling van de verkrijgingsprijs bij optie- en familietransacties nauw samenhangen.
Fictieve vervreemdingen (art. 4.16 Wet IB 2001)
Art. 4.16 Wet IB 2001 verbreedt het vervreemdingsbegrip met een uitputtende lijst van gebeurtenissen die zonder feitelijke verkoop toch tot afrekening leiden, waaronder inkoop van aandelen, liquidatie-uitkeringen, juridische fusie of splitsing, vererving, verwatering onder de 5%-grens, emigratie (of het anderszins verliezen van het Nederlandse inwonerschap onder een verdrag), het verlenen van een koopoptie en het eindigen van een genotsrecht. Deze bepaling is het scharnier tussen het aanmerkelijk-belangregime en aangrenzende thema's zoals de conserverende aanslag bij emigratie en de eindafrekening/exitheffing.
Verliesverrekening (art. 4.49 en 4.53 Wet IB 2001)
Een verlies uit aanmerkelijk belang wordt eerst horizontaal verrekend binnen een termijn van één jaar terug en zes jaar vooruit (art. 4.49 Wet IB 2001). Blijft na afloop van die termijn nog verlies over én is er geen aanmerkelijk belang meer (bij de belastingplichtige én diens partner, in het lopende en het voorafgaande jaar), dan voorziet art. 4.53 Wet IB 2001 in omzetting naar een belastingkorting ter grootte van het lage-schijftarief van art. 2.12 Wet IB 2001. Een kennisgroepstandpunt bevestigt dat deze omzetting ook openstaat voor een buitenlandse belastingplichtige.
Belangrijkste rechtspraak
Verkrijgingsprijs en overdrachtsprijs bij optie- en familietransacties. In ECLI:NL:GHARL:2020:10811 (2020) stond de vraag centraal of door uitoefening van aandelenoptierechten, waarbij certificaten van aandelen werden verkregen, een aanmerkelijk belang ontstaat, en welke overdrachtsprijs bij een latere vervreemding van die certificaten in aanmerking moet worden genomen. De zaak illustreert dat het ontstaan van een aanmerkelijk belang en de waardering van de verkrijgingsprijs bij optieconstructies niet los van elkaar staan. In ECLI:NL:HR:2026:518 (2026) liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat de tegenprestatie bij inkoop van aandelen tussen broer en zus was bedongen bij een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden was gesloten in de zin van art. 4.22 lid 1 Wet IB 2001, omdat sprake was van een bevoordelingsoogmerk. Beide zaken laten zien dat de correctiebepaling van art. 4.22 en de verkrijgingsprijsregels in de praktijk vooral spelen bij transacties tussen gelieerde of familiaire partijen en bij optieconstructies, waar een zakelijke prijs niet vanzelfsprekend is.
Certificering en de grens met het regime van afgezonderd particulier vermogen. In ECLI:NL:HR:2020:972 (2020) oordeelde de Hoge Raad dat een stichting administratiekantoor (StAK II) een zelfstandige betekenis had tussen de belanghebbende en de overige certificaathouders, en dat, nu het economische belang naar de verdeling van de certificaten toebehoorde, op grond van de uitzondering van art. 2.14a lid 2 onderdeel b Wet IB 2001 geen sprake was van een afgezonderd particulier vermogen. Deze uitspraak markeert de grens tussen certificering die het aanmerkelijk-belangregime intact laat en certificering die tot toerekening onder het APV-regime zou leiden.
Lucratief belang: verliesasymmetrie. ECLI:NL:HR:2019:1228 (2019) betrof een verlies op een middellijk gehouden lucratief belang. De Hoge Raad oordeelde dat dit verlies niet aftrekbaar is van het resultaat uit overige werkzaamheden, en dat deze regeling, ondanks de asymmetrie tussen belaste winst en onaftrekbaar verlies, niet in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM. Deze lijn laat zien dat de gunstige verliesverrekening van art. 4.49 en 4.53 Wet IB 2001 uitsluitend geldt binnen het aanmerkelijk-belangregime zelf, en niet automatisch doorwerkt naar aangrenzende regimes zoals het lucratief belang.
Aandachtspunten voor de praktijk
De kwalificatie als aanmerkelijkbelanghouder vergt een toets langs elk van de zelfstandige gronden van art. 4.6 Wet IB 2001 én langs de meesleep-, meetrek- en fictief-aanmerkelijk-belangregels van art. 4.9 tot en met 4.11; een belang dat op zichzelf onder de 5% blijft, kan via deze regels alsnog kwalificeren. Bij transacties tussen gelieerde partijen — inkoop van aandelen tussen familieleden, optieconstructies — is de vraag of de tegenprestatie is bedongen onder normale (zakelijke) omstandigheden in de zin van art. 4.22 Wet IB 2001 een terugkerend punt, zeker bij een mogelijk bevoordelingsoogmerk. Certificering van aandelen via een Stichting Administratiekantoor kan gevolgen hebben voor de toepassing van de regels over afgezonderd particulier vermogen en vraagt om beoordeling van de zelfstandige positie van de STAK. Verliezen op een middellijk gehouden lucratief belang zijn niet zonder meer verrekenbaar met ander box 1-resultaat, terwijl een verlies binnen het aanmerkelijk-belangregime zelf via art. 4.49 en 4.53 Wet IB 2001 wel horizontaal verrekenbaar is en na afloop van de verliesverrekeningstermijn nog in een belastingkorting kan worden omgezet, ook voor een buitenlandse belastingplichtige. De fictieve-vervreemdingslijst van art. 4.16 Wet IB 2001 is breder dan een feitelijke verkoop: verwatering onder de 5%, een juridische fusie of splitsing, emigratie en het aflopen van een genotsrecht leiden elk tot een afrekeningsmoment, ook zonder dat er geld wisselt van eigenaar.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren meerdere kennisgroepstandpunten gepubliceerd die de kwalificatie- en vervreemdingsvraag bij aanmerkelijk belang verder invullen. Op 21 februari 2022 is verduidelijkt dat een natuurlijke persoon een aanmerkelijk belang kan hebben in een omgekeerd hybride lichaam onder art. 4.6, onderdeel e, Wet IB 2001, mits voor ten minste 5% in de winst van dat lichaam wordt gedeeld vóór toepassing van de aftrek van art. 9 lid 1 onderdeel e Wet Vpb 1969. Op 3 april 2024 is bepaald dat omzetting van gewone aandelen in tracking stocks voor meerdere aandeelhouders een vervreemding vormt onder art. 4.12 Wet IB 2001, tenzij de tracking stocks economisch identiek zijn aan de vorige aandelen. Op 19 februari 2025 is bevestigd dat een nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang vanaf 2019 kan worden omgezet in een belastingkorting op grond van art. 4.53 Wet IB 2001, ook voor een buitenlandse belastingplichtige. Op 30 januari 2026 is verduidelijkt dat herroeping van een schenking van aanmerkelijkbelangaandelen tot een vervreemdingsvoordeel voor de aandeelhouder leidt, zowel bij obligatoire als bij goederenrechtelijke werking van het herroepingsrecht. Op 9 april 2026 is een standpunt gepubliceerd dat teruglevering van aandelen onder een bad-leaver-bepaling kwalificeert als vervreemdingsvoordeel (in plaats van negatief loon), waarbij de overdrachtsprijs de werkelijke opbrengst van de terugkeer is. Voor grensoverschrijdende gevallen is op 16 oktober 2024 verduidelijkt dat Nederland heffingsrecht behoudt over vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang onder het verdrag met Frankrijk, ook wanneer het geconsolideerde vermogen van de vennootschap voor meer dan 70% uit buitenlandse onroerende goederen bestaat. Deze reeks standpunten wijst erop dat de Belastingdienst de kwalificatie- en waarderingsvragen rond aanmerkelijk belang actief blijft verduidelijken, ook voor minder gangbare structuren zoals tracking stocks, bad-leaverbepalingen en herroepen schenkingen.
Kernartikelen
- Art. 4.12 Wet IB 2001 — Art. 4.12 Wet IB 2001: Inkomen uit aanmerkelijk belang
- Art. 4.6 Wet IB 2001 — Art. 4.6 Wet IB 2001: Begrip aanmerkelijk belang
Belangrijkste rechtspraak
24 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2026:518 (2026)
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep in cassatie ongegrond is en laat het oordeel van het Hof in stand dat de tegenprestatie bij de inkoop van aandelen tussen broer en zus is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001, omdat sprake was van een bevoordelingsoogmerk.
-
ECLI:NL:HR:2020:972 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat StAK II een zelfstandige betekenis heeft tussen belanghebbende en de overige certificaathouders en dat, nu het economische belang naar de verdeling van de certificaten toebehoorde, op grond van de uitzondering van art. 2.14a lid 2 letter b Wet IB 2001 geen sprake is van een afgezonderd particulier vermogen.
-
ECLI:NL:HR:2020:1948 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel dat kwijtschelding van een rentevordering van de BV op de aandeelhouder een winstuitdeling vormt, geen stand houdt omdat de onderliggende hofuitspraak in de samenhangende zaak ECLI:NL:HR:2020:1949 is vernietigd; verwijzing volgt.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:6762 (2025)
De zaak betreft of een managementfee kwalificeert als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking; het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2017:1326 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de 183-dagenregeling de aanwezigheid in de werkstaat bepalend is, ook op werkgerelateerde dagen zonder werkzaamheden, en dat de fictiefloonregeling geldt voor een in België wonende aanmerkelijkbelanghouder van een Belgische BVBA.
-
ECLI:NL:HR:2023:26 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat de zaak moet worden verwezen ter beoordeling of navordering mogelijk is ondanks een eerder conform de convenantaangifte vastgestelde aanslag in het kader van horizontaal toezicht, en of de lening van de vennootschap aan de aandeelhouder als uitdeling geldt.
-
ECLI:NL:HR:2019:1228 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat een verlies op een middellijk gehouden lucratief belang niet aftrekbaar is van het resultaat uit overige werkzaamheden, en dat deze regeling, ondanks de asymmetrie tussen belaste winst en onaftrekbaar verlies, niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:101 (2025)
Het Hof oordeelt dat artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, Wet IB 2001 niet van toepassing is bij emigratie van een partieel buitenlands belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap, zodat de conserverende aanslag ten onrechte is opgelegd.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:3685 (2025)
De zaak betreft of dividenduitkeringen aan belanghebbende, in het kader van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2011, kwalificeren als inkomen uit aanmerkelijk belang op grond van economische gerechtigdheid.
-
ECLI:NL:GHARL:2020:10811 (2020)
De zaak betreft of door uitoefening van aandelenoptierechten (waarbij certificaten van aandelen zijn verkregen) een aanmerkelijk belang ontstaat, en welke bij vervreemding van de certificaten in aanmerking te nemen (geschatte) overdrachtsprijs geldt.
Beleid en standpunten
24 bronnen in de kennisbank-
KG:003:2022:16 (2022)
Standpunt: Een natuurlijke persoon kan een aanmerkelijk belang hebben in een omgekeerd hybride lichaam onder artikel 4.6, onderdeel e, Wet IB 2001, mits zij voor ten minste 5% in winst deelt vóór artikel 9-aftrek.
-
KG:003:2026:4 (2026)
Standpunt: Teruglevering aandelen waarop bad-leaver bepaling van toepassing is leidt tot vervreemdingsvoordeel. Overdrachtsprijs is de werkelijke opbrengst van terugkere.
-
KG:003:2025:2 (2025)
Standpunt: Nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang kan vanaf 2019 worden omgezet in belastingkorting artikel 4.53 Wet IB.
-
KG:003:2023:10 (2023)
Standpunt: Dit standpunt is ingetrokken in verband met de inwerkingtreding van het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025.
-
KG:063:2023:24 (2023)
Standpunt: Toerekeningsregel artikel 35c, vijfde lid, Wet Successie 1956 is van toepassing bij overlijden indirect aanmerkelijkbelanghouder in algehele gemeenschap van goederen met 5%-belang.
-
Besluit BWBR0052230
Beleid inzake rendement uit onroerende zaken (ROW); actualisering artikel 3.90 Wet IB 2001 met nieuwe beleidsstandpunten.
-
KG:003:2024:4 (2024)
Standpunt: De omzetting van gewone aandelen in tracking stocks vormt voor meerdere aandeelhouders een vervreemding onder artikel 4.12 Wet IB 2001, tenzij de tracking stocks economisch identiek zijn aan de vorige aandelen.
-
KG:003:2026:01 (2026)
Standpunt: Herroeping van schenking van aanmerkelijkbelangaandelen leidt tot vervreemdingsvoordeel voor aandeelhouder, zowel bij obligatoire als goederenrechtelijke werking van het herroepingsrecht.
-
KG:041:2024:24 (2024)
Standpunt: Nederland heeft heffingsrecht over voordeel uit vervreemding van aanmerkelijk belang aandelen, ook wanneer het geconsolideerde vermogen voor meer dan 70% uit buitenlandse onroerende goederen bestaat (artikel 13, vierde lid, Verdrag NL-FRA 1973). Dit volgt niet onder artikel 13, eerste lid over directe onroerend-goederenvervreemding.
-
Kamerstuk 36202 nr. H (EK)
In deze nota antwoordt de regering op vragen van Kamerleden over het Belastingplan 2023, waaronder alternatieven voor afbouw van de algemene heffingskorting.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.