Inkomstenbelasting

Giftenaftrek

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Giftenaftrek is de fiscale faciliteit die giften aan algemeen nut beogende instellingen (ANBI's) en steunstichtingen SBBI onder voorwaarden in aftrek toelaat, zowel bij natuurlijke personen in de inkomstenbelasting als bij lichamen in de vennootschapsbelasting. De regeling erkent dat een gift op zichzelf geen zakelijke uitgave is en dus in beginsel niet aftrekbaar zou zijn, maar maakt daarop een uitzondering om vrijgevigheid aan het algemeen nut fiscaal te faciliteren.

Kern van het leerstuk is de afbakening van een echte gift ten opzichte van andere geldstromen: alleen bevoordelingen uit vrijgevigheid en (al dan niet verplichte) bijdragen zonder op geld waardeerbare tegenprestatie tellen mee, niet betalingen die feitelijk een prijs voor een dienst of activiteit vormen. Binnen de inkomstenbelasting bestaan daarnaast twee volledig verschillende giftvormen naast elkaar: de periodieke gift (een meerjarige verplichting zonder drempel of percentagemaximum, wel met een absoluut plafond) en de andere gift (een incidentele gift met zowel een drempel als een maximumpercentage van het inkomen). Voor de praktijk is giftenaftrek een terugkerend aandachtspunt bij twee heel verschillende belastingplichtigen: particulieren die periodiek of incidenteel schenken aan goede doelen, en vennootschappen (vaak met een dga) die vanuit de bv geven aan een ANBI. Bij vennootschappen ligt de spanning met name bij de vraag of een gift een zakelijke uitgave dan wel een verkapte winstuitdeling is, bij particulieren bij de vraag of aan de voorwaarden van de gekozen giftvorm is voldaan.

Wanneer speelt dit

  • Een dga laat de bv in plaats van hemzelf een gift doen aan een ANBI of aan een stichting die de dga zelf heeft opgericht.
  • Een belastingplichtige sluit een periodieke schenkingsovereenkomst en er ontstaat discussie of de uitkeringen daadwerkelijk vast en gelijkmatig zijn, bijvoorbeeld omdat een termijn later is betaald dan afgesproken, is uitgedrukt in certificaten in plaats van een vast bedrag, of omdat over de gehele looptijd van vijf jaar slechts één termijn daadwerkelijk is uitgevoerd.
  • Een erfgenaam betaalt zelf schenkingsrecht ten gunste van de instelling en de vraag rijst of dit meetelt als "andere gift".
  • Er wordt een gift in natura gedaan (kunst, effecten, onroerend goed) en de waardering daarvan moet worden onderbouwd met een taxatierapport of factuur.
  • Een instelling is in het buitenland gevestigd en de vraag rijst of de giftenaftrek daarop toepasbaar is.
  • Er is sprake van een "vrijwillige" bijdrage (ouderbijdrage school, bewonersbijdrage verpleeghuis) en de vraag is of dit een gift is of een betaling met een tegenprestatie.
  • Er wordt afstand gedaan van inkomsten (bijvoorbeeld door een religieuze aan een kloostergemeenschap) of van een vordering ten gunste van een instelling, en de vraag is of dit als gift kwalificeert.
  • Een vennootschap met een vereniging als enig aandeelhouder, of een vennootschap die vanuit maatschappelijk-verantwoord-ondernemenbeleid een eigen ANBI-stichting financiert, geeft aan die instelling en de zakelijkheid van de gift staat ter discussie.

Hoe werkt de giftenaftrek

Wie en wat kwalificeert

Een gift is in de zin van art. 6.33, onderdeel a, Wet IB 2001 een bevoordeling uit vrijgevigheid of een (al dan niet verplichte) bijdrage waar geen directe tegenprestatie tegenover staat; art. 16 lid 2 Wet Vpb 1969 hanteert vrijwel dezelfde formulering. De ontvanger moet een instelling (ANBI), een steunstichting SBBI, of — alleen voor periodieke giften in de inkomstenbelasting — een vereniging zijn. Aan die laatste categorie stelt art. 6.33, onderdeel c, Wet IB 2001 eisen: volledige rechtsbevoegdheid, geen vennootschapsbelastingplicht, ten minste 25 leden, en vestiging in een EU-lidstaat, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de BES-eilanden of een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid. Art. 16 Wet Vpb 1969 kent die verenigingscategorie niet: voor de vennootschapsbelasting komen alleen instellingen en steunstichtingen SBBI voor giftenaftrek in aanmerking.

De inkomstenbelasting kent twee giftvormen naast elkaar (art. 6.32 Wet IB 2001): de periodieke gift (art. 6.34), een vaste en gelijkmatige periodieke uitkering die uiterlijk bij overlijden eindigt, en de andere gift (art. 6.35), een gift aan een instelling of steunstichting SBBI zonder de eis van een meerjarige verplichting. Daarnaast telt onder voorwaarden ook een afgezien vrijwilligersvergoeding als gift (art. 6.36): zowel het afzien van een vergoeding waarop de vrijwilliger aanspraak had — mits de instelling schriftelijk verklaart dat is ingezet als vrijwilliger, bereid en in staat is die uit te keren en de vrijwilliger vrij is erover te beschikken — als het afzien van vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten, waarbij een kilometervergoeding van € 0,23 in aanmerking wordt genomen.

Wat is niet aftrekbaar

Art. 6.37 Wet IB 2001 en art. 16 lid 3 Wet Vpb 1969 sluiten contante giften expliciet uit: een bevoordeling of bijdrage in contant geld is nooit een gift in de zin van deze regelingen. Voor de inkomstenbelasting geldt daarnaast dat een bevoordeling of bijdrage die pas bij of na overlijden van de belastingplichtige (of op een daarmee samenhangend tijdstip) wordt betaald, verrekend of ter beschikking gesteld, evenmin als gift telt (art. 6.37, onderdeel b, Wet IB 2001). Ook valt buiten het giftbegrip iedere betaling waar een op geld waardeerbare tegenprestatie tegenover staat: zodra de "gever" iets waardeerbaars terugkrijgt, is van vrijgevigheid geen sprake meer.

Bedragen, percentages en termijnen (stand 2026)

GiftvormOndergrens/drempelBovengrens/plafondGrondslag
IB — andere giften€ 60 én 1% van het verzamelinkomen (vóór persoonsgebonden aftrek)10% van het verzamelinkomen (vóór persoonsgebonden aftrek)art. 6.39 lid 1 Wet IB 2001
IB — andere giften in naturageen aparte drempelboven € 10.000 (€ 20.000 met fiscale partner) per kalenderjaar alleen aftrekbaar met taxatierapport of factuurart. 6.39 lid 2 en 4 Wet IB 2001
IB — periodieke giftengeen drempel, geen percentagemaximum€ 1.500.000 per kalenderjaar (gezamenlijk bedrag)art. 6.38 lid 4 Wet IB 2001
IB — periodieke giften in naturageen aparte drempelboven € 10.000 (€ 20.000 met fiscale partner) per kalenderjaar alleen aftrekbaar met taxatierapport of factuurart. 6.38 lid 2 en 5 Wet IB 2001
IB — multiplier giften aan culturele instellingn.v.t.verhoging met 25%, ten hoogste € 1.250 (gezamenlijk voor partners)art. 6.39a Wet IB 2001
Vpb — giftenaftrekn.v.t.ten hoogste 50% van de winst, met een maximum van € 100.000art. 16 lid 1 Wet Vpb 1969
Vpb — giften in naturadrempel € 10.000 per kalenderjaarboven die drempel alleen aftrekbaar met taxatierapport of factuurart. 16 lid 4 Wet Vpb 1969
Vpb — multiplier giften aan culturele instellingn.v.t.verhoging met 50% van het giftbedrag, ten hoogste € 2.500art. 16 lid 6 Wet Vpb 1969

Gevolg van toepassing

Bij natuurlijke personen verlaagt een aftrekbare gift het verzamelinkomen via de persoonsgebonden aftrek; bij lichamen verlaagt de gift de fiscale winst, tot de hierboven genoemde grenzen. Boven de grenzen blijft het meerdere fiscaal een gewone, niet-aftrekbare uitgave — bij een vennootschap met een gelieerde ontvangende instelling loopt het bovenmatige deel bovendien het risico als winstuitdeling aan de aandeelhouder te worden aangemerkt.

Procedure

Voor de aftrek zelf hoeft geen aparte aanvraag bij de Belastingdienst te worden gedaan: de gift wordt in de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting van het jaar van betaling opgevoerd, gestaafd met schriftelijke bescheiden. Voor de periodieke gift is wél een formele stap vereist: de verplichting om gedurende ten minste vijf jaar (ten minste jaarlijks) uit te keren moet zijn vastgelegd in een notariële of onderhandse akte van schenking die aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen voldoet (art. 6.38 lid 1 en 8 Wet IB 2001). De akte kan tussentijdse beëindiging toestaan bij verlies van de ANBI/SBBI-status, faillissement van de instelling, of arbeidsongeschiktheid of werkloosheid van de schenker; eindigt de periodieke gift binnen vijf jaar op een van die gronden en had de schenker daarop geen of nauwelijks invloed, dan wordt geacht alsnog aan de vijfjaarseis te zijn voldaan (art. 6.38 lid 6 en 7 Wet IB 2001). Voor giften in natura boven de drempel is bovendien een onafhankelijk taxatierapport of factuur vereist die aan ministeriële eisen voldoet.

Reikwijdte: wel en niet

Onder de giftenaftrek vallen: schriftelijk gestaafde eenmalige of periodieke giften aan ANBI's, giften aan steunstichtingen SBBI, periodieke giften aan kwalificerende verenigingen, giften in natura met deugdelijke waardering, en het afzien van vrijwilligersvergoedingen onder de voorwaarden van art. 6.36 Wet IB 2001. Daarbuiten vallen: contante giften, bevoordelingen die pas bij of na overlijden worden uitgekeerd, bijdragen waar een tegenprestatie tegenover staat (ook als die bijdrage "vrijwillig" wordt genoemd, zoals een ouderbijdrage of bewonersbijdrage), en giften aan instellingen die niet aan de Nederlandse ANBI- of SBBI-voorwaarden voldoen. Voor de precieze status- en registratie-eisen aan de ontvangende instelling geldt het ANBI-kader; voor verenigingen zonder ANBI-status speelt de eigen belastingplicht van de stichting of vereniging een rol bij de vraag of en hoe zij als ontvanger kwalificeert.

Wettelijk kader

Art. 16 Wet Vpb 1969 is voor de vennootschapsbelasting de enige grondslag voor giftenaftrek. Lid 1 koppelt de aftrek aan twee formele eisen (in het jaar gedaan, schriftelijk gestaafd) en aan het in de tabel hierboven genoemde plafond. Lid 2 definieert het giftbegrip; lid 3 sluit contant geld uit; de leden 4 en 5 stellen de waarderingseis voor natura en trekken kwijtschelding van een vordering op vermogensbestanddelen in natura onder dat regime; lid 6 bevat de cultuurmultiplier. Anders dan bij de inkomstenbelasting kent art. 16 Wet Vpb geen aparte categorie voor periodieke giften of voor giften aan verenigingen: elke gift aan een ANBI of steunstichting SBBI valt onder hetzelfde, ene regime.

Voor de inkomstenbelasting splitst art. 6.32 Wet IB 2001 de aftrekbare gift in twee categorieën met een eigen regime. Art. 6.33 geeft de gemeenschappelijke definities (gift, instelling, vereniging — met de vestigings- en ledeneis voor verenigingen). Art. 6.34 en 6.35 omschrijven periodieke gift en andere gift materieel (zie hierboven); art. 6.36 regelt afgezien vrijwilligersvergoedingen; art. 6.37 bakent het giftbegrip negatief af (contant geld, overlijdensgerelateerde bevoordelingen). Art. 6.38 en 6.39 werken de formele en kwantitatieve voorwaarden uit die in de tabel zijn opgenomen, inclusief de samentelling van giften en inkomens bij fiscale partners; art. 6.39a kent de cultuurmultiplier toe. Giftenaftrek is daarmee een van de categorieën persoonsgebonden aftrek in de inkomstenbelasting; de status van de ontvangende instelling zelf wordt bepaald aan de hand van het ANBI-kader, en de fiscale behandeling van de gift bij de ontvangende instelling raakt aan de vrijstellingen in de schenkbelasting.

Belangrijkste rechtspraak

Contractuele verplichting, niet feitelijke uitvoering, is bepalend bij periodieke giften. In een serie op dezelfde dag gewezen arresten zette de Hoge Raad de toetssteen voor de vaste en gelijkmatige periodieke uitkering neer. In ECLI:NL:HR:2013:BY8117 oordeelde de Hoge Raad dat bepalend is welke verplichtingen uit de schenkingsovereenkomst voortvloeien, niet hoe de uitkeringen feitelijk zijn verlopen; een termijn die pas het volgende jaar werd voldaan, tastte de giftenaftrek daarom niet aan. In ECLI:NL:HR:2013:BY8147 bevestigde de Hoge Raad dat ook uitkeringen uitgedrukt in een vast aantal certificaten van aandelen als vaste en gelijkmatige periodieke uitkering in de zin van art. 6.34 Wet IB 2001 kunnen kwalificeren, opnieuw met de contractuele verplichting als toetssteen. Het samenhangende ECLI:NL:HR:2013:BY8105 betrof dezelfde vraag: is het contractueel verschuldigde of de feitelijk verrichte uitkering bepalend voor het jaar waarin een later uitgevoerde termijn aftrekbaar is. Deze lijn betekent dat een vertraagde betaling op zichzelf niet fataal is voor de aftrek, zolang de onderliggende verplichting aan art. 6.38 Wet IB 2001 voldoet.

Het giftbegrip van de "andere gift" reikt verder dan een rechtstreekse betaling. In ECLI:NL:HR:2013:BY8161 oordeelde de Hoge Raad dat het door erfgenamen ten gunste van de instelling betaalde schenkingsrecht een "andere gift" is in de zin van art. 6.35 Wet IB 2001; de aanslag werd verminderd omdat de giftenaftrek te laag was vastgesteld. Dit arrest laat zien dat het giftbegrip van art. 6.32, onderdeel b, Wet IB 2001 niet beperkt is tot een rechtstreekse betaling aan de instelling zelf, maar ook een betaling ten gunste van de instelling aan een derde (de fiscus) kan omvatten.

Afbakening tussen giftenaftrek en andere aftrekgrondslagen bij lichamen. In ECLI:NL:HR:2012:BQ0525 oordeelde de Hoge Raad dat het hofoordeel over de aftrek van een aan een woningcorporatie gedane uitkering — op grond van art. 9, lid 1, onderdeel i, Wet Vpb 1969, dan wel op grond van de giftenaftrek van art. 16 Wet Vpb — niet in stand kon blijven, en verwees de zaak voor verdere behandeling. Dit arrest onderstreept dat een uitkering aan een kwalificerende instelling niet automatisch onder de giftenaftrek valt: eerst moet worden vastgesteld onder welke aftrekgrondslag de uitkering thuishoort.

Buitenlandse instellingen en vrij verkeer van kapitaal. In ECLI:NL:GHAMS:2024:1296 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat geen sprake was van een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, nu de betrokken instellingen geen verzoek als bedoeld in art. 5b, lid 6, AWR hadden gedaan en niet voldeden aan de Nederlandse voorwaarden voor giftenaftrek; van schending van het evenredigheids- of doeltreffendheidsbeginsel was volgens het hof geen sprake. Dit arrest laat zien dat een beroep op EU-recht de nationale kwalificatie-eisen niet opzijzet als de instelling zelf niet aan de procedurele voorwaarden heeft voldaan.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij een gift van een bv aan een ANBI waarvan de aandeelhouder oprichter is, wordt getoetst of de gift uit aandeelhoudersmotieven wordt gedaan; giften die voortspruiten uit de persoonlijke charitatieve behoefte van de aandeelhouder kunnen niettemin als aftrekbare gift onder art. 16 Wet Vpb gelden, mits aan de ANBI-eisen is voldaan (goedkeuring in Besluit BWBR0038678). Bij een bv met een vereniging als enig aandeelhouder speelt dezelfde toets aan de hand van het "renpaardenarrest": ook dan wordt beoordeeld of de gift uit aandeelhoudersmotieven voortvloeit. Wordt de eigen ANBI-stichting daarentegen gefinancierd vanuit het maatschappelijk-verantwoord-ondernemenbeleid van de vennootschap zelf, dan kan de gift als zakelijke bedrijfsuitgave gelden in plaats van als (beperkt aftrekbare) gift.
  • De multiplier van art. 16 lid 6 Wet Vpb 1969 blijft toepasbaar bij een negatieve winst, omdat de verhoging aansluit bij het giftbedrag en niet bij de winst zelf.
  • Een "vrijwillige" bijdrage is niet automatisch een gift: een vrijwillige ouderbijdrage aan een school en een vrijwillige bewonersbijdrage aan een verpleeghuis kwalificeren doorgaans niet als aftrekbare gift, omdat zij vaak een verplichting uit moraal en fatsoen vormen en tegenover de bijdrage georganiseerde activiteiten (een tegenprestatie) staan; de bijdrage is bovendien niet splitsbaar in een wel en niet aftrekbaar deel.
  • Afstand van inkomsten kan wél als gift kwalificeren: bij afstand van inkomsten ten gunste van een kloostergemeenschap geldt het verschil tussen de inkomsten en de door de gemeenschap betaalde kosten als aftrekbare gift, zij het niet als periodieke gift.
  • Bij giften aan buitenlandse instellingen is een enkel beroep op vrij verkeer van kapitaal onvoldoende als niet ook aan het verzoekvereiste van art. 5b, lid 6, AWR en de overige Nederlandse voorwaarden is voldaan.
  • Bedragen in euro's die als drempel, franchise of maximum in art. 16 Wet Vpb 1969 zijn opgenomen, worden bij een aangifte in functionele valuta rekenkundig afgerond op hele bedragen, niet ten gunste van de belastingplichtige.

Recente ontwikkelingen

De tijdelijke regeling "geven uit de vennootschap", die alleen voor het jaar 2024 gold, is per 1 januari 2025 vervallen. Onder die regeling werd een gift van een vennootschap aan een ANBI of steunstichting SBBI, voor zover deze het aftrekplafond van art. 16 Wet Vpb (50% van de winst met een maximum van € 100.000) overschreed, niet aangemerkt als uitdeling aan de aandeelhouder in aanmerkelijk belang (box 2) en bleef buiten de dividendbelasting. Sinds het vervallen van deze regeling wordt het bovenmatige deel van een dergelijke gift weer standaard als uitdeling behandeld, tenzij de zakelijkheid van de gift wordt aangetoond langs de band van aandeelhoudersmotieven zoals hierboven beschreven. Dit is in het bijzonder relevant voor het scenario waarin een dga de bv laat geven aan een ANBI of aan een stichting die de dga zelf heeft opgericht.

Op 11 november 2025 is een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de periodieke gift waarbij van de beoogde looptijd van vijf jaar slechts één termijn daadwerkelijk is uitgevoerd, een vraagstuk dat aansluit bij de hierboven besproken rechtspraak over de contractuele verplichting als toetssteen.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 6 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.