Schenk- en erfbelasting

Vrijstellingen schenkbelasting

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De schenkbelasting belast de bevoordeling die iemand ontvangt zonder daar iets tegenover te stellen, maar niet elke bevoordeling: de wetgever wil vermijden dat gebruikelijke, kleinschalige of maatschappelijk wenselijke overdrachten in de heffing worden betrokken. Art. 33 SW 1956 geeft daarvoor het vrijstellingenkader: het bepaalt per categorie schenker, verkrijger of motief tot welk bedrag, of zonder maximum, een verkrijging krachtens schenking buiten de heffing blijft. Pas voor zover een schenking de toepasselijke vrijstelling overtreft, komt de verkrijger aan de tariefgroepen van de Successiewet toe.

De vrijstellingen zijn niet uniform. Ze verschillen naar de aard van de schenker (Koninklijk Huis, overheid), naar de aard van de verkrijger (ANBI, sociaal belang behartigende instelling, steunstichting SBBI), naar de relatie tussen schenker en verkrijger ("kind van de ouders" versus "alle andere gevallen") en naar het motief van de schenking (voldoening aan een natuurlijke verbintenis, bijstand aan een insolvente begiftigde). Voor de ouder-kindvrijstelling geldt bovendien een historisch gegroeide bijzonderheid: tot en met 2023 bestond naast art. 33 een aparte, sterk verhoogde vrijstelling voor schenkingen aan de eigen woning (de "jubelton", art. 33a SW), afgebouwd in stappen en per 1 januari 2024 volledig vervallen. Art. 33 SW 1956 is daarmee het centrale toetsingskader bij vrijwel elke schenking tussen particulieren: eerst wordt vastgesteld of, en zo ja onder welk onderdeel, een vrijstelling van toepassing is, pas daarna volgt de tariefberekening over het meerdere.

Wanneer speelt dit

Het vrijstellingenkader van art. 33 SW 1956 komt in de praktijk aan de orde bij onder meer:

  • de jaarlijkse schenking van ouders aan een kind, waarbij moet worden beoordeeld of het bedrag binnen de vrijstelling van onderdeel 5° blijft;
  • een eenmalige, hogere schenking aan een kind tussen 18 en 40 jaar, waarbij de verhoogde vrijstelling alleen werkt als daarop tijdig een beroep wordt gedaan in de aangifte, en waarbij het hoogste bedrag alleen geldt voor bovengemiddelde studie- of opleidingskosten;
  • schenkingen tussen partijen zonder ouder-kindrelatie (bijvoorbeeld grootouders-kleinkinderen, pleeg- of stiefouders buiten de gelijkstellingen van art. 19 SW, of derden), waarvoor de restvrijstelling van onderdeel 7° geldt;
  • giften aan ANBI's, SBBI's of steunstichtingen SBBI, waarbij per categorie moet worden beoordeeld of aan de verkrijging een opdracht is verbonden die het toepasselijke criterium aantast: het algemeen belang-karakter (ANBI), het sociaal belang-karakter (SBBI) of de bestemming voor de realisatie van de doelstelling van de steunstichting (steunstichting SBBI);
  • schenkingen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, met gevolgen voor zowel de schenk- als de erfbelasting, en met een scherpe grens ten opzichte van een legaat in een testament;
  • meerdere schenkingen binnen eenzelfde familie of tussen families die feitelijk zijn afgestemd om vrijstellingen te vermenigvuldigen, waarbij het leerstuk van wetsontduiking (fraus legis) de fiscale kwalificatie kan corrigeren.

Hoe werkt de vrijstelling

Wie of wat kwalificeert. Art. 33 SW 1956 knoopt telkens aan bij een specifieke schenker, verkrijger of grondslag. Voor de particuliere praktijk zijn drie categorieën bepalend:

  1. Kind van de ouders (onderdeel 5°). "Kind" wordt hier niet beperkt tot het biologische of geadopteerde kind: art. 19 SW 1956 stelt pleegkinderen gelijk met kinderen "die in familierechtelijke betrekking tot de pleegouder staan", mits het pleegkind vóór zijn 21e jaar gedurende ten minste vijf jaar uitsluitend door de pleegouder(s) als eigen kind is onderhouden en opgevoed. Ook kinderen over wie een ander dan de ouder gezamenlijk met de ouder het gezag uitoefent (art. 1:253t BW) worden voor de toepassing van de wet gelijkgesteld met kinderen van die ander.
  2. Alle andere gevallen (onderdeel 7°). De restcategorie vangt elke verkrijging op die niet onder een specifiekere vrijstelling valt: grootouder-kleinkind, oom-nicht, samenwonenden zonder kwalificerend partnerschap, of schenkingen tussen derden.
  3. ANBI, SBBI en steunstichting SBBI (onderdelen 4°, 13° en 14°). Deze vrijstellingen zijn gekoppeld aan de status van de verkrijger op het moment van de schenking, niet aan de relatie met de schenker.

Wat is het gevolg. Voor zover een verkrijging binnen de toepasselijke vrijstelling blijft, is over dat deel geen schenkbelasting verschuldigd; alleen het meerdere wordt belast tegen het tarief van de toepasselijke tariefgroep (zie de tarieven en vrijstellingen van de erfbelasting voor de tariefsystematiek die de schenk- en erfbelasting delen). Bij de verhoogde ouder-kindvrijstelling is het gevolg voorwaardelijk: zonder een uitdrukkelijk beroep in de aangifte geldt alleen de reguliere vrijstelling van onderdeel 5°.

Bedragen, percentages en termijnen (2026).

Onderdeel art. 33 SW 1956Vrijstelling / termijn 2026
5°, kind van de ouders (jaarlijks)€ 6.908
5°, kind 18-40 jaar, eenmalig verhoogd (vrij besteedbaar)€ 33.129
5°, kind 18-40 jaar, eenmalig verhoogd (studie- of opleidingskosten, aanzienlijk hoger dan gebruikelijk)€ 69.009
7°, alle andere gevallen (grootouders, derden, niet-kwalificerende partners)€ 2.769
4°, 13°, 14° — ANBI, SBBI, steunstichting SBBIgeen bedragsgrens; volledige vrijstelling voor zover geen opdracht het algemeen-belang-, sociaal-belang- of doelstellingskarakter aantast
8°, 12° — bijstand insolvente begiftigde, natuurlijke verbintenisgeen bedragsgrens; vrijstelling naar de omvang die het motief rechtvaardigt
Aangiftetermijn schenkbelasting (art. 46 SW)uiterlijk twee maanden na het einde van het kalenderjaar van de schenking

Procedure. De schenkbelasting wordt geheven van de verkrijger (art. 36 SW 1956), bij wege van aanslag (art. 37 lid 1 SW 1956). De inspecteur stelt de aangiftetermijn zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden (art. 46 SW 1956); voor schenkingen in enig kalenderjaar loopt de aangiftetermijn dus altijd door tot in het jaar erna. Een beroep op de verhoogde ouder-kindvrijstelling van onderdeel 5° moet uitdrukkelijk in die aangifte worden gedaan: zonder die keuze geldt alleen de reguliere vrijstelling. Voor de hoogste variant (€ 69.009) komen daar de bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden bij en de eis dat de studie- of opleidingskosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk; de inhoud van die ministeriële regeling zelf staat niet in art. 33 SW.

Reikwijdte: wat valt eronder, wat niet. Onder onderdeel 5° valt de schenking aan het eigen kind en het gelijkgestelde pleeg- of gezagskind, maar niet de schenking aan een kleinkind, schoonkind of derde: die vallen terug op de restvrijstelling van onderdeel 7°, ook als de familieband nauw is. Partners worden voor onderdeel 5° gelijkgesteld als één persoon, maar alleen wanneer zij aan het partnerbegrip van art. 1a SW voldoen; ontbreekt die kwalificatie, dan telt de relatie voor de vrijstelling niet mee als partnerschap. Bij ANBI's, SBBI's en steunstichtingen SBBI valt een verkrijging buiten de vrijstelling voor zover eraan een opdracht is verbonden die het algemeen-belang-, sociaal-belang- respectievelijk doelstellingskarakter wegneemt. Schenkingen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis vallen alleen onder onderdeel 12° zolang de bevoordeling zelf een schenking bij leven is; een legaat dat dezelfde natuurlijke verbintenis in een testament vastlegt, is geen schenking maar een erfrechtelijke verkrijging en valt buiten deze vrijstelling.

Wettelijk kader

Art. 33 SW 1956 somt limitatief op welke verkrijgingen krachtens schenking zijn vrijgesteld; de onderdelen 5° en 7° zijn de kernbepalingen voor de particuliere praktijk, maar het artikel regelt meer dan alleen de familievrijstellingen.

Onderdeel 5° stelt vrij hetgeen wordt verkregen "door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 6.908", met dien verstande dat dit bedrag voor een kind tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot € 33.129, of tot € 69.009 "onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het bedrag is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind en deze kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk". De en/of-structuur is bepalend: de twee verhoogde bedragen zijn alternatief, niet cumulatief, en de hoogste variant vereist zowel de aangiftekeuze als vervulling van de ministeriële voorwaarden én dat de studiekosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk. Onderdeel 6° is vervallen; de wettekst geeft geen aanknopingspunt voor de vroegere inhoud. Onderdeel 7° regelt de restcategorie: vrijgesteld is hetgeen wordt verkregen "in alle andere gevallen: € 2.769".

Onderdelen 4°, 13° en 14° stellen achtereenvolgens vrij wat wordt verkregen door een ANBI ("voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang"), door een sociaal belang behartigende instelling (dezelfde toetsstructuur, gericht op het sociaal belang-karakter) en door een steunstichting SBBI (getoetst aan de bestemming voor de realisatie van de doelstelling van de steunstichting). De drie onderdelen delen een structuur — vrijstelling, tenzij een opdracht het kwalificerende karakter wegneemt — maar toetsen elk aan een ander criterium.

Onderdeel 8° stelt vrij hetgeen wordt verkregen "door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen": een motiefgebonden vrijstelling zonder bedragsgrens. Onderdeel 12° stelt vrij hetgeen is geschonken ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis in de zin van art. 6:3 BW. De wetgever kiest bewust voor een ruimere vrijstelling bij schenkbelasting dan bij erfbelasting: de kwalificatie als schenking berust op praktische, bewijsrechtelijke gronden (de bewijslast dat het om nakoming van een natuurlijke verbintenis gaat, komt zo bij de verkrijger te liggen), niet op een civielrechtelijke gift in de zin van art. 7:186 lid 2 BW. Strekt de schenking tot verzorging na overlijden van de schuldenaar, dan wordt zij alsnog geacht krachtens erfrecht te zijn verkregen.

De koppeling tussen onderdeel 5° en het partnerbegrip loopt via art. 1a SW 1956, dat bepaalt in welke gevallen twee ongehuwde personen als partner gelden, met een termijn van twee jaar voorafgaand aan de schenking en een uitzondering op de zorgverplichtingseis bij vijf jaar of langer samenwonen op hetzelfde adres. Art. 19 SW 1956 breidt het begrip "kind" uit met pleegkinderen en gezagskinderen. Art. 36, 37 en 46 regelen dat de belasting van de verkrijger wordt geheven bij wege van aanslag, met een aangiftetermijn van ten minste twee maanden na het einde van het kalenderjaar van de schenking.

Belangrijkste rechtspraak

De rechtspraak over art. 33 SW 1956 valt uiteen in twee lijnen: kwalificatievragen over wie als partner of kind geldt, en de grens tussen een vrijgestelde schenking en een belaste erfrechtelijke verkrijging.

Partner- en kindkwalificatie. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:4084) dat de ontvanger van een schenking niet kwalificeerde als partner in de zin van art. 1a lid 1 onderdeel c SW 1956, omdat het samenlevingscontract geen wederzijdse zorgverplichting bevatte. Bij gebreke van die kwalificatie kon geen aanspraak worden gemaakt op de destijds geldende verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning (zie "Recente ontwikkelingen" voor de vervallen status daarvan). Niet de feitelijke samenwoning, maar de exacte inhoud van het samenlevingscontract was beslissend.

Schenking versus erfrechtelijke verkrijging bij een natuurlijke verbintenis. De Hoge Raad oordeelde in 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1789) dat een legaat dat een erflater in zijn testament heeft opgenomen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis naar zijn aard een verkrijging krachtens erfrecht vormt, en dus een belastbaar feit voor de erfbelasting is, niet een vrijgestelde schenking onder onderdeel 12°. De wetgever mag schenk- en erfbelasting op dit punt verschillend behandelen: de ruimere schenkbelastingvrijstelling berust op de bewijsrechtelijke functie van onderdeel 12°, niet op een principiële gelijkstelling van natuurlijke verbintenissen in beide belastingen.

Fraus legis bij opgesplitste schenkingen. De Hoge Raad oordeelde in 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1328) dat kruislings tussen twee families gedane schenkingen die uitsluitend het ontgaan van schenkbelasting dienden, gelden als een samenstel van rechtshandelingen (wetsontduiking), zodat de destijds geldende eigenwoningvrijstelling niet nogmaals kon worden benut nadat de eigen ouder het maximale, per schenker begrensde bedrag al had geschonken. Het arrest betrof een vervallen vrijstelling, maar het beoordelingskader — is het ontgaan van schenkbelasting het doorslaggevende motief en wordt in strijd gehandeld met doel en strekking van de wet — raakt elke opzet waarbij schenkingen worden omgeleid om een vrijstelling of tariefgroep meermaals te benutten.

ANBI-status met terugwerkende kracht ingetrokken. In dezelfde lijn heeft de kennisgroep van de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat intrekking van een ANBI-status met terugwerkende kracht bij de verkrijger van een uitkering van die instelling (onderdeel 10°) alsnog tot heffing kan leiden, tenzij de begiftigde te kwader trouw is. Op de vermelding in het ANBI-register mag in beginsel worden vertrouwd, maar dat vertrouwen laat onverlet dat de uitkeringen ook geheel of nagenoeg geheel het karakter moeten hebben van te zijn geschied in het algemeen belang.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Voor de hoogste ouder-kindvariant (€ 69.009) gelden naast de aangiftekeuze ook ministeriële voorwaarden en de eis dat de studiekosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk; de aangeleverde wettekst specificeert die ministeriële voorwaarden niet, zodat aanvullende raadpleging nodig is voordat deze route wordt geadviseerd.
  • Bij twijfel over de partnerkwalificatie is, zoals de Amsterdamse zaak laat zien, niet de feitelijke samenwoning maar de exacte tekst van het notarieel samenlevingscontract beslissend voor de vraag of de wederzijdse zorgverplichting van art. 1a lid 1 onderdeel c SW is vervuld.
  • Bij uitkeringen ván een ANBI (onderdeel 10°) speelt dat een achteraf met terugwerkende kracht ingetrokken ANBI-status bij de begiftigde alsnog tot heffing kan leiden; alleen bij kwade trouw van de begiftigde werkt het vertrouwen op het ANBI-register niet.
  • Het opsplitsen of omleiden van schenkingen tussen familieleden om een vrijstelling of het lage tarief meermaals te benutten, kan via het leerstuk van fraus legis worden gecorrigeerd wanneer het ontgaan van schenkbelasting het doorslaggevende motief is; dit beoordelingskader is niet beperkt tot de (vervallen) eigenwoningvrijstelling waarin het is ontwikkeld.
  • Onderdeel 6° van art. 33 SW is vervallen; de aangeleverde wettekst bevat geen nadere toelichting op de vroegere inhoud van dit onderdeel.

Recente ontwikkelingen

Tot en met 2023 bevatte de Successiewet 1956 naast art. 33 een afzonderlijke bepaling, art. 33a SW 1956, met een verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning (in de praktijk aangeduid als de "jubelton"), voor schenkingen aan personen tussen 18 en 40 jaar te besteden aan de verwerving, verbetering of het onderhoud van een eigen woning, de afkoop van erfpacht of opstal, of de aflossing van een eigenwoningschuld. Het vrijgestelde bedrag is verlaagd van € 106.671 in 2022 naar € 28.947 in 2023, waarna art. 33a SW per 1 januari 2024 volledig is vervallen; sindsdien resteert voor schenkingen aan kinderen alleen het kader van art. 33, onderdeel 5°.

Art. 33a lid 2 kende een bestedingstermijn van ten hoogste twee kalenderjaren volgend op het jaar van de schenking. Schenkingen die in 2022 of 2023 onder deze vrijstelling zijn gedaan, konden daardoor nog tot en met 2024 respectievelijk 2025 aan de eigen woning worden besteed. De zaken voor het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2021:4084) en de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1328) betroffen beide nog geschillen over deze vervallen vrijstellingsvariant; het fraus-legis-toetsingskader uit het arrest van 2025 blijft relevant voor de resterende vrijstellingen van art. 33 SW.

Voor de tarieven en vrijstellingen die na toepassing van art. 33 SW 1956 aan de orde komen, zie de tarieven en vrijstellingen van de erfbelasting, waarmee de schenkbelasting in de Successiewet 1956 nauw samenhangt. Voor schenkingen of overdrachten van een onderneming binnen de familie is daarnaast de bedrijfsopvolgingsregeling relevant, die een eigen vrijstellingskader kent naast art. 33 SW 1956. De kwalificatie als partner voor de vrijstellingen en tarieven van de Successiewet raakt ook het fiscaal partnerschap, dat voor de inkomstenbelasting een net andere invulling van het partnerbegrip kent. Voor de vrijstelling en aftrek bij giften aan ANBI's en SBBI's buiten de schenkbelasting, zie de giftenaftrek en de ANBI-status. Voor de waardering van niet-geldelijke schenkingen (bijvoorbeeld vermogensbestanddelen of vorderingen) waarop de vrijstellingsbedragen van art. 33 SW moeten worden toegepast, zie de waardering voor de Successiewet.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Alle bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.