Btw

Herziening van voorbelasting

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Herziening van voorbelasting is het correctiemechanisme in de omzetbelasting waarmee de aftrek van voorbelasting wordt bijgesteld zodra het feitelijke gebruik van een goed of dienst afwijkt van de bestemming die bij aanschaf gold. De regeling bestaat omdat de aftrek op het moment van de factuur onvermijdelijk een schatting is: een ondernemer weet bij aanschaf van een pand of machine wel wát hij ermee wil gaan doen, maar niet altijd zeker of dat gebruik zich in de praktijk ook zo zal ontwikkelen. Herziening koppelt de uiteindelijke aftrek terug aan het werkelijke gebruik, in twee richtingen: te veel afgetrokken belasting wordt teruggevorderd, te weinig afgetrokken belasting wordt alsnog teruggegeven. Voor roerende investeringsgoederen geldt daarbij een herzieningsperiode van in totaal vijf jaar en voor onroerende zaken van tien jaar, waarbij herziening jaarlijks plaatsvindt voor het aan dat jaar toerekenbare deel.

Het leerstuk raakt zowel ondernemers met volledig belaste prestaties als ondernemers met gemengd gebruik: bedrijfsmiddelen, onroerende zaken en andere goederen en diensten die zowel voor belaste als voor vrijgestelde of niet-bedrijfsmatige doeleinden worden ingezet. Voor de praktijk is herziening vooral relevant bij investeringsgoederen waarvan de bestemming na aanschaf nog kan wijzigen, en bij onroerend goed dat na levering van eigenaar of gebruiksfunctie wisselt.

Wanneer speelt dit

  • Bij ingebruikneming van een investeringsgoed of onroerende zaak wanneer het werkelijke gebruik afwijkt van het bij aanschaf voorziene gebruik.
  • Bij verkoop of overdracht van een onroerende zaak waarbij de nieuwe gebruiker (koper) niet aan de voorwaarde van belast gebruik voldoet.
  • Bij gemengd gebruik van een onroerende zaak voor zowel bedrijfsdoeleinden als privégebruik van de ondernemer of van personeel.
  • Bij toepassing van de pro-rata-methode versus de werkelijk-gebruik-methode wanneer een ondernemer zowel belaste als vrijgestelde prestaties verricht.
  • Bij overstap van of naar de kleineondernemersregeling, waardoor de bestemming van eerder aangeschafte investeringsgoederen wijzigt.
  • Bij verlies, diefstal of vernietiging van goederen, en bij onttrekkingen voor geschenken van geringe waarde of monsters, waar de wet de herziening juist uitsluit.

Hoe werkt de herziening

Wie kwalificeert. Herziening speelt alleen bij goederen en diensten die de ondernemer afzonderlijk volgt: onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen, roerende zaken waarop voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting wordt afgeschreven (of zou kunnen worden afgeschreven), en sinds 1 januari 2026 ook kostbare diensten aan onroerende zaken van ten minste € 30.000 per dienst. Zaken die niet worden geactiveerd — voorraad, of goederen van geringe aanschafwaarde die direct als kosten worden verantwoord — vallen buiten dit regime; daarvoor geldt uitsluitend de eenmalige aftrektoets bij aanschaf, zonder latere correctie.

Twee rekenmethoden voor gemengd gebruik. Wie zowel belaste als vrijgestelde prestaties verricht, moet de voorbelasting op gemengd gebruikte goederen en diensten splitsen. Het uitgangspunt is de pro-rata-methode: het aftrekbare deel wordt berekend naar de verhouding tussen de omzet uit belaste handelingen en de totale omzet uit belaste én vrijgestelde handelingen. Wijkt het werkelijke gebruik van die omzetverhouding af, dan moet — niet: mag — het aftrekbare deel op basis van het werkelijke gebruik worden berekend, mits dat werkelijke gebruik aannemelijk wordt gemaakt. Voor een onroerende zaak met gemengd (bedrijfs- en privé-)gebruik is de werkelijk-gebruik-methode zelfs dwingend voorgeschreven; de omzetverhouding is daar geen keuzemogelijkheid. De verkoopopbrengst van een bedrijfsmiddel dat de ondernemer zelf heeft gebruikt, telt niet mee in deze omzetbreuk: het afstoten van zo'n goed wordt niet als een handeling voor de berekening aangemerkt.

Gevolg van toepassing. Wijkt het gebruik bij ingebruikneming af van de aftrek die op basis van de bestemming is toegepast, dan wordt de te veel afgetrokken belasting op dat moment verschuldigd, en wordt te weinig afgetrokken belasting teruggegeven. Voor investeringsgoederen werkt dit door in de jaren daarna: elk boekjaar van de herzieningsperiode wordt opnieuw getoetst of het werkelijke gebruik van dat jaar overeenkomt met het bij ingebruikneming gehanteerde uitgangspunt, en wordt het aan dat jaar toerekenbare deel gecorrigeerd.

Procedure en tijdstip. De eerste toets vindt plaats in het belastingtijdvak (de aangifteperiode) waarin de ondernemer het goed of de dienst is gaan gebruiken. Daarna loopt de jaarlijkse herziening automatisch mee in de reguliere btw-aangifte: bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van elk boekjaar van de herzieningsperiode wordt de aftrek herzien op basis van de voor dat hele boekjaar geldende gegevens. Er is geen apart verzoek of aparte procedure nodig — herziening is onderdeel van de periodieke aangifte, niet een op te starten traject. Wordt een investeringsgoed binnen de herzieningstermijn geleverd (verkocht), dan wordt niet gewacht tot de resterende jaren: de nog openstaande herziening wordt in één keer afgerekend bij de aangifte over het tijdvak van de levering. Daarbij wordt de ondernemer geacht het goed voor de rest van de termijn te zijn blijven gebruiken voor uitsluitend belaste handelingen (als over de levering belasting verschuldigd is, of als de levering onder een vrijstelling met behoud van aftrekrecht valt) dan wel voor uitsluitend vrijgestelde handelingen (als over de levering geen belasting verschuldigd is en geen zodanige vrijstelling geldt).

Concrete termijnen, breukdelen en drempels.

CategorieHerzieningsperiode (incl. jaar van ingebruikneming)Jaarlijks te herzien deelDrempel om herziening in dat boekjaar achterwege te laten
Onroerende zaken10 jaar1/10e per boekjaarminder dan 10% afwijking van de eerder gehanteerde verhouding
Roerende investeringsgoederen waarop wordt afgeschreven5 jaar1/5e per boekjaarminder dan 10% afwijking
Kostbare diensten aan onroerende zaken van ten minste € 30.000 (vanaf 1 januari 2026)5 jaar1/5e per boekjaarminder dan 10% afwijking
Elke bovenstaande categorie, indien de herziening het gevolg is van in- of uittreden van de kleineondernemersregelingzelfde termijn als de categoriezelfde breukdeelherziening blijft sowieso achterwege als het herzieningsbedrag in dat boekjaar minder is dan € 500
Overige goederen en diensten (niet geactiveerd, direct als kosten verantwoord)geen herzieningsperioden.v.t.eenmalige aftrektoets bij aanschaf, geen latere herziening

Reikwijdte: wat valt er wel en niet onder. Onder het regime vallen onroerende zaken, afschrijfbare roerende investeringsgoederen en — sinds 2026 — kostbare onroerendgoeddiensten boven de drempel. Buiten het regime vallen: voorraad en klein materieel dat direct als kosten wordt geboekt (eenmalige toets, geen herziening); situaties van bewezen vernietiging, verlies of diefstal van goederen; en onttrekkingen voor geschenken van geringe waarde of monsters. Deze twee uitzonderingen zijn in de wet limitatief geformuleerd — buiten deze twee gevallen blijft herziening bij een gewijzigd gebruik in beginsel gewoon aan de orde. Bij privégebruik van bedrijfsmatig vastgoed door de ondernemer of het personeel loopt de correctie via de aftrekbeperking naar evenredigheid van het bedrijfsgebruik; bij roerende investeringsgoederen loopt eenzelfde soort correctie voor privégebruik niet via een aftrekbeperking maar via een fictieve dienst met heffing over dat gebruik (zie privégebruik en het BUA).

Wettelijk kader

Art. 15 Wet OB 1968 is het centrale artikel. Lid 1 koppelt de aftrek vanaf het begin aan het gebruik voor belaste handelingen, niet aan het enkele bezit van een factuur: de ondernemer trekt de belasting af "voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen". Voor een onroerende zaak die zowel bedrijfsmatig als voor privédoeleinden wordt gebruikt, bepaalt lid 1 verder dat de belasting over de uitgaven slechts aftrekbaar is naar evenredigheid van het gebruik voor de bedrijfsactiviteiten, en dat de gewone fictieve-dienstregeling voor privégebruik van roerende zaken (art. 4 lid 2 onderdeel a Wet OB 1968) voor deze onroerendgoedsituatie uitdrukkelijk niet geldt — de wet kiest hier voor een aftrekbeperking vooraf in plaats van heffing achteraf. Lid 2 breidt de aftrek uit tot bepaalde in het buitenland verrichte of overigens vrijgestelde handelingen waarvoor bij een fictieve binnenlandse verrichting wel recht op aftrek zou bestaan.

Lid 4 bevat de kern van het herzieningsmechanisme: de aftrek vindt plaats overeenkomstig de bestemming op het moment van facturering of verschuldigdheid, en wijkt het gebruik bij ingebruikneming daarvan af, dan wordt de ondernemer de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd, terwijl te weinig afgetrokken belasting op zijn verzoek wordt teruggegeven. De correctie werkt dus zowel in het nadeel als in het voordeel van de ondernemer, afhankelijk van de richting van de afwijking.

Lid 6 draagt de nadere invulling van herziening bij gemengd gebruik op aan ministeriële regeling en bepaalt uitdrukkelijk dat daarbij ook rekening wordt gehouden met wijzigingen in het gebruik van onroerende zaken zoals bedoeld in lid 1; dezelfde ministeriële regeling kan bepalen dat het afstoten van bedrijfsgoederen buiten aanmerking blijft — een opdracht die is uitgewerkt in art. 14 Uitv.besch. OB 1968 (zie hieronder). Lid 7 sluit herziening uit in twee limitatief genoemde gevallen: bewezen vernietiging, verlies of diefstal van goederen, en onttrekkingen van goederen voor geschenken van geringe waarde en monsters.

De concrete herzieningssystematiek staat in de artikelen 11 tot en met 14a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Art. 11 werkt de twee rekenmethoden voor gemengd gebruik uit: de pro-rata-berekening naar omzetverhouding (lid 1, onderdeel c), de correctie naar werkelijk gebruik zodra dat aannemelijk afwijkt van de omzetverhouding (lid 2), een bewijsvermoeden voor goederen van dezelfde soort waarvan niet blijkt welke voor welk doel worden gebruikt (lid 3), en de dwingende werkelijk-gebruik-toets voor gemengd gebruikte onroerende zaken (lid 4). Art. 12 regelt de tijdstippen: de eerste berekening op basis van het tijdvak van facturering of verschuldigdheid (lid 1), de eerste herziening op basis van het tijdvak van ingebruikneming (lid 2), en de jaarlijkse herziening bij de aangifte over het laatste tijdvak van elk boekjaar (lid 3). Art. 13 wijst de drie afzonderlijk te volgen categorieën aan — onroerende zaken, afschrijfbare roerende zaken en kostbare investeringsdiensten vanaf € 30.000 — met de herzieningstermijnen, breukdelen en de 10%-drempel, aangevuld met een absolute ondergrens van € 500 wanneer de herziening het gevolg is van in- of uittreden van de kleineondernemersregeling (art. 25a of 25c Wet OB 1968). Art. 13a regelt de versnelde, eenmalige herziening bij levering van het goed binnen de herzieningstermijn, met een fictie over het veronderstelde vervolggebruik afhankelijk van of over die levering belasting verschuldigd is. Art. 14 zondert het afstoten van bedrijfsgoederen uit van de aftrekberekening. Art. 14a is met ingang van 1 januari 2018 vervallen.

Belangrijkste rechtspraak

Lijn 1: gevolgen bij verkoop en overdracht. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2022:301 (2022) dat wanneer de koper van een onroerende zaak niet voldoet aan de voorwaarde van belast gebruik, de inspecteur de als gevolg van de herziene aftrek onbetaald gebleven omzetbelasting op grond van art. 20 AWR kan naheffen bij de verkoper. Dit arrest sluit rechtstreeks aan bij de systematiek van art. 13a Uitv.besch. OB 1968: bij levering binnen de herzieningstermijn wordt de resterende herziening in één keer afgerekend op basis van een fictie over het vervolggebruik; geeft de koper in werkelijkheid een andere, niet-belaste bestemming aan de zaak dan bij levering was voorzien, dan kan die correctie via naheffing bij de verkoper worden geëffectueerd.

Lijn 2: bewijsmaatstaf bij pro-rata versus werkelijk gebruik. ECLI:NL:HR:2014:9 (2014) bevestigt dat voor toepassing van de werkelijk-gebruik-maatstaf bij herziening van voorbelasting het werkelijke gebruik van het pand als geheel objectief en nauwkeurig moet worden vastgesteld, en niet gedeeltelijk op omzetverhouding mag worden gebaseerd; ontbreekt dat bewijs, dan geldt de pro-rata-methode als terugvaloptie. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in ECLI:NL:GHARL:2023:8625 (2023) op vergelijkbare gronden een uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep over de aftrek van voorbelasting op geïntegreerde zonnepanelen en de toepassing van de pro-rataregel ongegrond was.

Lijn 3: tijdigheid van de aftrek zelf. In ECLI:NL:HR:2021:455 (2021) heeft de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd over de situatie waarin een ondernemer de btw-aftrek niet tijdig heeft geëffectueerd overeenkomstig het voorgenomen gebruik: kan die aftrek bij latere ingebruikneming alsnog via herziening worden gerealiseerd als het gebruik dan niet afwijkt. In dezelfde zaak (19/01427) heeft de Hoge Raad op 16 september 2022 einduitspraak gedaan (ECLI:NL:HR:2022:1116).

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij levering van een onroerende zaak binnen de herzieningstermijn wordt de resterende herziening ineens afgerekend via art. 13a Uitv.besch. OB 1968; uit ECLI:NL:HR:2022:301 volgt dat een afwijkend, niet-belast gebruik door de koper vervolgens kan leiden tot naheffing bij de verkoper op de voet van art. 20 AWR.
  • Bij gemengd gebruik is de keuze tussen pro-rata en werkelijk gebruik geen vrije keuze: volgens ECLI:NL:HR:2014:9 moet het werkelijke gebruik objectief en nauwkeurig worden aangetoond voor het pand als geheel; kan dat bewijs niet worden geleverd, dan is de pro-rata-methode het uitgangspunt. Voor gemengd gebruikte onroerende zaken schrijft art. 11 lid 4 Uitv.besch. OB 1968 de werkelijk-gebruik-toets bovendien dwingend voor.
  • De 10%-drempel van art. 13 lid 4 Uitv.besch. OB 1968 geldt per boekjaar per categorie; bij overstap van of naar de kleineondernemersregeling geldt daarnaast een aparte ondergrens van € 500 waaronder herziening sowieso achterwege blijft.
  • De uitzonderingen van art. 15 lid 7 Wet OB 1968 (bewezen vernietiging, verlies of diefstal, en onttrekkingen voor geschenken van geringe waarde of monsters) zijn limitatief geformuleerd; buiten deze twee gevallen blijft herziening bij gewijzigd gebruik gewoon aan de orde.
  • De prejudiciële procedure achter ECLI:NL:HR:2021:455 betrof situaties waarin aftrek niet tijdig conform de bestemming is geëffectueerd; in dezelfde zaak (19/01427) is op 16 september 2022 einduitspraak gedaan (ECLI:NL:HR:2022:1116).

Recente ontwikkelingen

Met ingang van 1 januari 2026 is het herzieningsregime uitgebreid naar kostbare diensten aan onroerende zaken van ten minste € 30.000 (art. 13 lid 1 onderdeel c jo. lid 3 Uitv.besch. OB 1968). Deze diensten worden, anders dan de onroerende zaak waarop zij betrekking hebben, niet gedurende tien jaar gevolgd: zij lopen mee in de herzieningstermijn van roerende investeringsgoederen, dat wil zeggen het jaar van ingebruikneming en de vier daaropvolgende boekjaren, in stappen van telkens een vijfde deel. De 10%-drempel van art. 13 lid 4 Uitv.besch. OB 1968 geldt onverkort ook voor deze categorie, naast de eerder bestaande € 500-ondergrens bij samenloop met de kleineondernemersregeling.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 104 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.