Formeel belastingrecht

Naheffing

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Naheffing is het middel waarmee de inspecteur alsnog belasting int die bij een aangiftebelasting te weinig is voldaan of afgedragen. Bij aangiftebelastingen zoals de loonheffingen en de omzetbelasting doet de belasting- of inhoudingsplichtige eerst zelf aangifte en betaalt; pas achteraf controleert de Belastingdienst of dat bedrag klopte. Blijkt dat te weinig is betaald, dan corrigeert de inspecteur dit niet via navordering (voorbehouden aan aanslagbelastingen), maar via een naheffingsaanslag. Het belangrijkste verschil met navordering is dat voor naheffing geen nieuw feit vereist is: de inspecteur kan ook naheffen als de te weinig geheven belasting al eerder uit de beschikbare gegevens had kunnen blijken. Dat maakt naheffing een relatief laagdrempelig correctiemiddel, dat in de praktijk vaak samengaat met een verzuim- of vergrijpboete en met belastingrente.

Het leerstuk is formeel van aard: het regelt niet wélke belasting verschuldigd is, maar wie, binnen welke termijn en op welke wijze die alsnog kan worden ingevorderd. Daarmee raakt naheffing vrijwel elke aangiftebelasting — loonheffingen, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, bpm, accijns — en speelt het een centrale rol in controle- en correctietrajecten van de Belastingdienst.

Wanneer speelt dit

Naheffing komt in de praktijk onder meer op wanneer een boekenonderzoek uitwijst dat over een of meer tijdvakken te weinig loonheffing of omzetbelasting is afgedragen, wanneer een eerder gehonoreerd verzoek om vrijstelling, vermindering van inhouding of teruggaaf achteraf ten onrechte blijkt te zijn toegekend, of wanneer een derde (niet de belasting- of inhoudingsplichtige zelf) door het niet naleven van wettelijke bepalingen heeft veroorzaakt dat te weinig belasting is geheven, waardoor de aanslag bij die derde wordt opgelegd. Ook de vraag of de vijfjaarstermijn (of, bij verkrijging van economische eigendom van onroerende zaken, de twaalfjaarstermijn) is verstreken, keert in de praktijk regelmatig terug.

Hoe werkt de naheffing

Wie en wat kwalificeert. Naheffing onderstelt steeds een aangiftebelasting — een belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, zoals loonbelasting of omzetbelasting. Twee situaties leiden tot een naheffingsaanslag:

  1. de verschuldigde belasting is geheel of gedeeltelijk niet betaald; of
  2. naar aanleiding van een verzoek is ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf verleend.

Beide situaties staan wettelijk gelijk: ook zonder feitelijke betalingsachterstand kan naheffing plaatsvinden zodra een eerder verleend voordeel achteraf onterecht blijkt.

Wie de aanslag krijgt. De naheffingsaanslag gaat naar degene die de belasting had behoren te betalen, of naar degene aan wie ten onrechte vrijstelling, vermindering of teruggaaf is verleend. Daarnaast kent de wet een toerekeningsregel: is het niet-naleven van de belastingwet te wijten aan een ander dan de belasting- of inhoudingsplichtige zelf, dan wordt de aanslag aan die ander opgelegd. Deze derde-toerekening werkt alleen wanneer het verzuim aantoonbaar bij die ander ligt en niet bij de belasting- of inhoudingsplichtige.

Termijnen. De bevoegdheid tot naheffen is aan een vervaltermijn gebonden die per situatie verschilt:

SituatieTermijnAanvangsmoment
Aangiftebelastingen in het algemeen (art. 20 lid 3 AWR)5 jaarEinde kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond of de teruggaaf werd verleend
Verkrijging economische eigendom onroerende zaken (art. 20 lid 4 AWR, art. 2 lid 2 WBR)12 jaarEinde kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond
Betaalverzuimboete bij naheffing (art. 67c lid 3 AWR)5 jaarEinde kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond
Vergrijpboete bij naheffing (art. 67f lid 4 AWR)5 jaarEinde kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond

Gevolgen van de naheffingsaanslag. Naheffing corrigeert primair het te weinig betaalde bedrag zelf: de nageheven belasting wordt alsnog verschuldigd van de aangewezen adressant. Daarnaast lopen twee bijkomende gevolgen vrijwel altijd mee:

  • Belastingrente. Wordt de naheffingsaanslag vastgesteld na afloop van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft, dan brengt de inspecteur belastingrente in rekening. Die rente wordt enkelvoudig berekend vanaf de dag na dat tijdvak tot de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar wordt. De hoogte van het rentepercentage zelf staat niet in de AWR maar wordt periodiek vastgesteld; dat aspect komt aan bod in het dossier belastingrente.
  • Boete. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur, gelijktijdig met de naheffingsaanslag, desgewenst een boete op: een betaalverzuimboete van ten hoogste € 6.709 zonder dat opzet of schuld hoeft te worden aangetoond, of — bij opzet of grove schuld — een vergrijpboete van ten hoogste 100% van het niet of niet tijdig betaalde bedrag. Beide boetes staan los van de vraag óf en hoeveel wordt nageheven; naheffing en beboeting zijn juridisch gescheiden vragen (zie de rechtspraak hieronder over ten onrechte verleende teruggaven).

Procedure. Naheffing verloopt niet via een apart verzoek of keuzemoment van de belastingplichtige: de inspecteur legt de naheffingsaanslag eenzijdig op zodra hij de onderbetaling of ten onrechte verleende teruggaaf constateert, doorgaans naar aanleiding van een boekenonderzoek, een derdenonderzoek of eigen controle van de aangiftegegevens. Tegen de naheffingsaanslag (en een eventueel gelijktijdig opgelegde boete) staat bezwaar en beroep open volgens de gewone regels.

Reikwijdte. Naheffing ziet uitsluitend op aangiftebelastingen; bij aanslagbelastingen (zoals de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting) is het spiegelbeeldige correctiemiddel navordering, waarvoor wél een nieuw feit is vereist. Ook de wijze van bekendmaking van de aanslag (door de inspecteur zelf in plaats van door de ontvanger) tast de rechtsgeldigheid niet aan, en een naheffingsaanslag kan al vóór een formeel registratiemoment (zoals bij bpm de kentekenregistratie) worden opgelegd — het gaat om het ontstaan van de belastingschuld, niet om een later formeel feit.

Wettelijk kader

Art. 20 AWR is de centrale bepaling voor naheffing bij aangiftebelastingen en telt vier leden.

Lid 1 omschrijft het toepassingsbereik: het regelt zowel de situatie waarin verschuldigde belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, als de situatie waarin — naar aanleiding van een gedaan verzoek — ten onrechte of tot een te hoog bedrag vrijstelling, vermindering van inhouding of teruggaaf is verleend. Door beide situaties wettelijk gelijk te stellen voorkomt de wetgever dat een onterecht toegekend voordeel buiten het bereik van naheffing zou vallen enkel omdat er geen sprake was van een feitelijke onderbetaling.

Lid 2 regelt de adressering van de aanslag in twee stappen. De eerste zin wijst de aanslag toe aan degene die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie het voordeel ten onrechte is verleend. De tweede zin voegt een toerekeningsregel toe voor situaties waarin een ander dan de belasting- of inhoudingsplichtige, door het niet naleven van de belastingwet, heeft veroorzaakt dat te weinig belasting is geheven: in dat geval gaat de aanslag naar die ander. Deze toerekening bestaat om te voorkomen dat een belasting- of inhoudingsplichtige die zelf niets fout deed, toch de rekening krijgt voor andermans verzuim.

Lid 3 stelt de hoofdregel voor de vervaltermijn: vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond of de teruggaaf werd verleend. Lid 4 maakt hierop een uitzondering voor de verkrijging van economische eigendom van onroerende zaken of daaraan onderworpen rechten als bedoeld in art. 2 lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer: voor die categorie geldt een verlengde termijn van twaalf jaar. De verlenging hangt samen met de aard van deze verkrijgingen, die vaak pas geruime tijd na het ontstaan van de belastingschuld aan het licht komen.

Naast art. 20 AWR zijn twee flankerende bepalingen relevant voor de gevolgen van een naheffingsaanslag. Art. 30h AWR regelt de belastingrente bij naheffingsaanslagen: rente wordt in rekening gebracht zodra de aanslag na afloop van het kalenderjaar of boekjaar wordt vastgesteld, enkelvoudig berekend vanaf de dag na dat tijdvak tot de dag voor de invorderbaarheid van de aanslag. Art. 67c AWR en art. 67f AWR regelen de bijbehorende boetes: art. 67c de verzuimboete (ten hoogste € 6.709, zonder opzet- of schuldvereiste) en art. 67f de vergrijpboete (ten hoogste 100% van de niet of niet tijdig betaalde belasting, bij opzet of grove schuld). Beide boetebepalingen schrijven voor dat de boete gelijktijdig met de naheffingsaanslag wordt opgelegd en vervallen, net als de naheffingsbevoegdheid zelf, na vijf jaar.

Belangrijkste rechtspraak

Wie is adressant van de aanslag. De Hoge Raad oordeelde in 2022 (ECLI:NL:HR:2022:301) dat wanneer de koper van een onroerende zaak niet voldoet aan de voorwaarde van belast gebruik, de inspecteur de als gevolg van de herziene aftrek onbetaald gebleven omzetbelasting op grond van art. 20 AWR kan naheffen bij de verkoper. De uitspraak illustreert hoe ruim de adresseringsregel van art. 20 lid 2 AWR in de praktijk kan uitpakken: niet degene bij wie de belasting feitelijk "hangt", maar degene die de wettelijke voorwaarde schond, kan de aanslag krijgen.

Naheffing en beboeting zijn gescheiden vragen. In 2024 oordeelde de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1422) dat ten onrechte op verzoek verleende teruggaven van bpm weliswaar via art. 20 AWR kunnen worden nageheven, maar geen beboetbaar feit opleveren in de zin van art. 67f AWR, en vernietigde de boetebeschikkingen. Deze uitspraak scheidt scherp de bevoegdheid tot naheffen (die ruim is) van de bevoegdheid tot beboeten (die aan eigen, striktere voorwaarden is gebonden).

Termijn en Unierecht. Bij wijze van prejudiciële beslissing oordeelde de Hoge Raad in 2019 (ECLI:NL:HR:2019:483) dat het berekeningsvoorschrift van art. 34 lid 2 Wet MRB niet in strijd is met art. 18 VWEU, voor zover de naheffing niet eerder aanvangt dan het vijfde kalenderjaar vóór de constatering. Deze zaak bevestigt dat de vervaltermijnsystematiek van naheffing ook aan het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel kan worden getoetst, zonder dat dit tot een andere uitkomst leidde.

Formaliteiten van de aanslag. De Hoge Raad oordeelde in 2013 (ECLI:NL:HR:2013:64) dat een naheffingsaanslag bpm al vóór registratie van de personenauto kan worden opgelegd, en dat bekendmaking door de inspecteur in plaats van door de ontvanger geen afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de aanslag. In 2026 verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep in een zaak over parkeerbelasting van de gemeente Diemen gegrond en vernietigde de naheffingsaanslag (ECLI:NL:HR:2026:715). Samen laten deze uitspraken zien dat formaliteiten van bekendmoment en -wijze weliswaar zelden de aanslag zelf raken, maar dat een naheffingsaanslag wel degelijk sneuvelt zodra de onderliggende heffingsgrondslag niet standhoudt.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Naheffing en navordering worden in de praktijk regelmatig door elkaar gehaald; het onderscheidende criterium is niet de ernst van de correctie maar het type belasting: aangiftebelastingen lopen via naheffing (geen nieuw feit vereist), aanslagbelastingen via navordering (nieuw feit wél vereist).
  • Een naheffingsaanslag en een eventuele boete zijn afzonderlijke vragen: uit ECLI:NL:HR:2024:1422 volgt dat een ten onrechte op verzoek verleende teruggaaf van bpm geen beboetbaar feit in de zin van art. 67f AWR oplevert, terwijl de naheffing zelf wel standhoudt.
  • Bij de derde-toerekening van art. 20 lid 2 AWR speelt in de praktijk vaak discussie over de vraag of het verzuim werkelijk aan de "ander" is te wijten en niet (mede) aan de belasting- of inhoudingsplichtige zelf; die toerekening werkt namelijk alleen in de eerstgenoemde situatie.
  • Bij de wijze van bekendmaking van een naheffingsaanslag is van belang dat bekendmaking door de inspecteur in plaats van door de ontvanger, blijkens ECLI:NL:HR:2013:64, geen afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de aanslag — een formeel verweer op dat punt heeft dus doorgaans weinig kans van slagen.
  • Bij samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid kan de belastingschuld voor de omzetbelasting niet rechtstreeks bij het samenwerkingsverband worden ingevorderd; invordering loopt via een aparte aansprakelijkstelling van de achterliggende bestuurders op grond van art. 33 lid 1 onderdeel a Invorderingswet 1990, met een eigen bezwaar- en beroepsmogelijkheid tegen die aansprakelijkstellingsbeschikking.

Recente ontwikkelingen

Ook in 2026 blijft de Hoge Raad zich over naheffingsaanslagen uitspreken: het cassatieberoep in een zaak over parkeerbelasting van de gemeente Diemen werd gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd (ECLI:NL:HR:2026:715). Daarnaast nam de kennisgroep omzetbelasting in 2025 het standpunt in dat een belastingschuld van een feitelijk samenwerkingsverband voor de omzetbelasting niet rechtstreeks bij dat samenwerkingsverband kan worden ingevorderd, omdat het samenwerkingsverband zelf niet als belastingschuldige kwalificeert (KG:207:2025:3). Invordering bij de natuurlijke personen achter het samenwerkingsverband vereist een afzonderlijke aansprakelijkstelling op grond van art. 33 lid 1 onderdeel a Invorderingswet 1990: het samenwerkingsverband is een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid, zodat ieder van de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk is, en tegen die aansprakelijkstellingsbeschikking staat een eigen bezwaar en beroep open. Dit is relevant voor de vraag bij wie een naheffingsaanslag feitelijk kan worden ingevorderd.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 120 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.