Inkomstenbelasting
Ondernemersfaciliteiten IB (zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling verlichten de fiscale positie van de IB-ondernemer op twee verschillende manieren en zijn samen de kern van de ondernemersfaciliteiten in de Wet IB 2001. De zelfstandigenaftrek beloont een minimale tijdsbesteding aan de onderneming met een vast bedrag; de MKB-winstvrijstelling stelt een percentage van de resterende winst vrij, ongeacht het aantal gewerkte uren. Beide grijpen aan op de winst uit onderneming, maar de eerste is een alles-of-niets-drempel (het urencriterium van art. 3.6 Wet IB 2001) en de tweede werkt door op vrijwel elke winstberekening van een IB-ondernemer.
Beide faciliteiten hebben sinds 2020 een uitgesproken beleidsmatige ontwikkeling doorgemaakt. In de fase 2020-2023 bedroeg de zelfstandigenaftrek nog boven de € 5.000 en de MKB-winstvrijstelling een vast percentage van 14%. Vanaf 2024 volgt een versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek naar uiteindelijk een fractie van het oorspronkelijke bedrag, terwijl de MKB-winstvrijstelling in twee stappen (2024 en 2025) is teruggebracht naar 12,7%. Deze parallelle bewegingen verschuiven het fiscale voordeel van een vast, aan uren gekoppeld bedrag naar een percentuele vrijstelling die voor elke IB-ondernemer geldt.
Wanneer speelt dit
Dit thema speelt bij elke aangifte inkomstenbelasting van een IB-ondernemer: zzp'ers, vof-vennoten, maten in een maatschap en meewerkende partners binnen een samenwerkingsverband. Concreet komt het urencriterium in beeld bij de beoordeling of iemand voldoende uren aan de onderneming heeft besteed, bij startende ondernemers die de verhoogde aftrek claimen, bij ondernemers die de AOW-leeftijd naderen of hebben bereikt, bij onderbreking van de werkzaamheden vanwege zwangerschaps- en bevallingsverlof, en bij samenwerkingsverbanden tussen fiscale partners of andere verbonden personen waar het "hoofdzakelijk ondersteunend" karakter van de werkzaamheden ter discussie kan staan. Datzelfde verbonden-personenbegrip speelt ook bij structuren waarin een ondernemer of een verbonden persoon een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam waarmee wordt samengewerkt, en raakt in die vorm aan de tbs-regeling voor vermogen dat aan een verbonden onderneming ter beschikking wordt gesteld. Ook bij staking van de onderneming, waaronder overlijden, en bij winst die pas na staking wordt verantwoord, spelen beide faciliteiten een rol. Bij boekenonderzoeken is het urencriterium een vaste toetssteen, omdat de bewijslast voor het gehaald hebben van de uren op de ondernemer rust.
Hoe werkt de regeling
Wie kwalificeert voor de zelfstandigenaftrek. De aftrek geldt uitsluitend voor de ondernemer die aan het urencriterium van art. 3.6 Wet IB 2001 voldoet. Dat criterium bestaat uit een basiseis en een van twee alternatieve aanvullende eisen:
- gedurende het kalenderjaar ten minste 1.225 uren besteden aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, én
- ofwel de totale tijd die aan die ondernemingen en aan resultaat-uit-overige-werkzaamheden en loondienst wordt besteed grotendeels (meer dan de helft) aan de onderneming(en) besteden, ofwel in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer zijn geweest (de nieuwe-ondernemer-uitzondering).
- Uren binnen een samenwerkingsverband met verbonden personen tellen niet mee wanneer de werkzaamheden hoofdzakelijk ondersteunend van aard zijn én een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen ongebruikelijk zou zijn, óf wanneer het samenwerkingsverband verband houdt met een onderneming (of, via art. 3.6 lid 4, met een lichaam waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden) waaruit een verbonden persoon wél als ondernemer winst geniet maar de belastingplichtige zelf niet.
- Als "verbonden personen" gelden huisgenoten en bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, of personen die tot hún huishouden behoren (art. 3.6 lid 3).
- Onderbreking van de werkzaamheden wegens zwangerschap wordt tijdens de periode die overeenkomt met het wettelijke zwangerschaps- en bevallingsverlof van werkneemsters niet als onderbreking van de uren aangemerkt.
Wat de aftrek en de vrijstelling opleveren. Wie aan het urencriterium voldoet, mag een vast bedrag van de winst aftrekken; de hoogte hangt af van de AOW-status en van het al dan niet gelden van de startersverhoging. De MKB-winstvrijstelling wordt daarna toegepast: een percentage van de winst ná aftrek van de ondernemersaftrek (waaronder de zelfstandigenaftrek) blijft onbelast. Voor "winst" in art. 3.76 Wet IB 2001 geldt telkens het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit al zijn ondernemingen geniet (art. 3.76 lid 10 Wet IB 2001); bij meerdere ondernemingen wordt dus niet per onderneming afzonderlijk getoetst.
| Jaar | Zelfstandigenaftrek (vóór AOW-leeftijd) | Verhoging voor starters | MKB-winstvrijstelling |
|---|---|---|---|
| 2020 | € 7.030 | € 2.123 | 14% |
| 2021 | € 6.670 | € 2.123 | 14% |
| 2022 | € 6.310 | € 2.123 | 14% |
| 2023 | € 5.030 | € 2.123 | 14% |
| 2024 | € 3.750 | € 2.123 | 13,31% |
| 2025 | € 2.470 | € 2.123 | 12,7% |
| 2026 | € 1.200 | € 2.123 | 12,7% |
Voor de ondernemer die bij het begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd al heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek 50% van het bedrag in de tabel (inclusief een eventuele startersverhoging).
Procedure: geen aparte aanvraag, wel beschikkingen. De zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling worden niet apart aangevraagd, maar via de aangifte inkomstenbelasting geclaimd en door de inspecteur bij de aanslag beoordeeld. Twee bijzondere beschikkingen horen daarbij: als de zelfstandigenaftrek door de winstbegrenzing van lid 5 lager uitvalt dan het tabelbedrag, stelt de inspecteur het verschil vast als "niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek" bij een voor bezwaar vatbare beschikking, afzonderlijk vermeld op het aanslagbiljet. Dat bedrag kan in de volgende negen kalenderjaren worden verrekend, in de volgorde waarin het is ontstaan en tot maximaal het bedrag waarmee de winst van dat latere jaar de daar geldende zelfstandigenaftrek overtreft; ook de verrekening zelf loopt via een voor bezwaar vatbare beschikking, tegelijk met de aanslag van het verrekeningsjaar. Rechtsmiddelen tegen die verrekeningsbeschikking kunnen uitsluitend de toepassing van de verrekeningsregel zelf betreffen, niet de onderliggende vaststelling van het niet-gerealiseerde bedrag.
Wat wel en niet onder de regeling valt. De aftrek en de vrijstelling gelden voor winst uit onderneming van een IB-ondernemer; resultaat uit overige werkzaamheden en loon vallen erbuiten, ook al tellen de daaraan bestede uren mee bij de grotendeels-toets van het urencriterium. De winstbegrenzing van lid 5 geldt niet voor de ondernemer die de startersverhoging geniet: bij hem kan de zelfstandigenaftrek de winst dus wél overtreffen, zonder dat een niet-gerealiseerd bedrag ontstaat. Samenwerkingsverbanden met verbonden personen tellen voor het urencriterium alleen mee als de werkzaamheden niet hoofdzakelijk ondersteunend zijn, of als een vergelijkbaar samenwerkingsverband tussen onafhankelijke partijen gebruikelijk zou zijn.
Wettelijk kader
Art. 3.6 Wet IB 2001 omschrijft het urencriterium als toegangspoort tot de zelfstandigenaftrek en (via andere bepalingen) tot enkele andere ondernemersfaciliteiten. Lid 1 bevat de kwantitatieve 1.225-uursgrens, gecombineerd met een kwalitatieve eis (grotendeels-toets) die niet geldt voor wie recent nog geen ondernemer was; de twee onderdelen van lid 1 zijn met "of" verbonden en dus alternatief, niet cumulatief. Lid 2 beperkt misbruikgevoelige situaties: uren binnen een samenwerkingsverband met verbonden personen tellen niet mee als de werkzaamheden hoofdzakelijk ondersteunend zijn in een verder ongebruikelijk samenwerkingsverband, of als het samenwerkingsverband is gekoppeld aan een onderneming waaruit alleen de verbonden persoon winst geniet. Lid 3 definieert wie als "verbonden persoon" telt (huisgenoten en bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, of hun huisgenoten) en lid 4 trekt de uitsluitingsgrond van lid 2 door naar samenwerkingsverbanden die verband houden met een lichaam waarin de belastingplichtige of een verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, zodat de bepaling ook via een bv-structuur niet kan worden omzeild. Lid 5 beschermt ondernemers die hun werkzaamheden vanwege zwangerschap onderbreken: de verlofperiode telt mee als gewerkte tijd voor het urencriterium.
Art. 3.76 Wet IB 2001 regelt de zelfstandigenaftrek zelf. Lid 1 koppelt de aftrek dwingend aan het urencriterium. Lid 2 geeft het basisbedrag voor wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt; lid 3 verhoogt dat bedrag voor startende ondernemers, met een uitzondering voor wie een onderneming voortzet die eerder via de doorschuifregeling van art. 14c Wet Vpb 1969 is overgedragen. Lid 4 halveert het bedrag voor wie de AOW-leeftijd al heeft bereikt. Lid 5 begrenst de aftrek op de winst zelf, met een uitzondering voor de startersverhoging, en introduceert het begrip niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek voor het verschil dat door die begrenzing wegvalt. Lid 6 tot en met 9 regelen de formele kant: vaststelling van het niet-gerealiseerde bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking (lid 6), verrekening in de negen volgende jaren naar volgorde van ontstaan (lid 7), de bijbehorende verrekeningsbeschikking (lid 8) en de beperking van rechtsmiddelen daartegen tot de toepassing van lid 7 (lid 9). Lid 10 sluit af met de definitie van "winst" voor dit artikel: het gezamenlijke bedrag van de winst uit al de ondernemingen van de belastingplichtige, niet per onderneming afzonderlijk.
Art. 3.79a Wet IB 2001 bepaalt dat de MKB-winstvrijstelling een percentage bedraagt van de gezamenlijke winst uit onderneming ná vermindering met de ondernemersaftrek van paragraaf 3.2.4 (waaronder de zelfstandigenaftrek). De vrijstelling werkt dus door op de winst na aftrek, niet op de brutowinst, en is aan geen urencriterium gekoppeld: ook een IB-ondernemer die niet aan het urencriterium voldoet en dus geen zelfstandigenaftrek geniet, past de MKB-winstvrijstelling toe over zijn volledige winst uit onderneming.
Belangrijkste rechtspraak
Bewijslast en toetsing van het urencriterium. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2011:BU4804 (2011) dat de bewijslast voor het hoofdzakelijkheids- en gebruikelijkheidscriterium van de zelfstandigenaftrek bij de belanghebbende ligt, ook wanneer sprake is van een navorderingsaanslag, en bevestigde dat dit bewijs in die zaak niet was geleverd. Diezelfde bewijslastverdeling voor het gehaald hebben van de 1.225 uur keert terug in de feitenrechtspraak: Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2023:387 (2023) dat de inspecteur de zelfstandigen- en startersaftrek terecht had geweigerd omdat de belanghebbende niet aan het urencriterium voldeed, in ECLI:NL:GHAMS:2022:1285 (2022) speelde de vraag of het urencriterium was gehaald samen met de zakelijkheid van een uitgave, en in ECLI:NL:GHAMS:2024:2041 (2024) ging het opnieuw om de vraag of voor het jaar 2019 aan het urencriterium was voldaan. Deze lijn laat zien dat het gros van de geschillen niet over de uitleg van de norm gaat, maar over de feitelijke onderbouwing van gewerkte uren.
Kwalificatie van uren. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2023:3572 (2023) dat aan studie bestede uren onder omstandigheden meetellen voor het urencriterium, maar uitsluitend voor zover de studie dient tot instandhouding van de kennis die nodig is voor de bestaande onderneming, conform ECLI:NL:HR:2016:2901 (23 december 2016), en niet voor het verwerven van geheel nieuwe vakkennis. Het hoger beroep werd in die zaak niettemin ongegrond verklaard, omdat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de vereiste 1.225 uur waren gehaald. In ECLI:NL:GHAMS:2024:3133 (2024) liep een vergelijkbaar type geschil (winst uit onderneming, aftrekbaarheid van zakelijke kosten, zelfstandigenaftrek en startersaftrek voor de jaren 2015 en 2016) uit op een beroep op het gelijkheidsbeginsel, wat aangeeft dat de reikwijdte van de aftrek ook langs die band wordt aangevochten.
MKB-winstvrijstelling en winst na staking. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2012:BX0947 (2012) dat de MKB-winstvrijstelling van art. 3.79a Wet IB 2001 ook kan worden genoten over winst die wordt verantwoord in een jaar ná het staken van de onderneming waarvoor de belastingplichtige ondernemer was. De vrijstelling is daarmee niet beperkt tot de jaren waarin de onderneming feitelijk werd gedreven.
Niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek bij staking. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in ECLI:NL:GHARL:2025:8439 (2025) dat voor het jaar 2011 in het geheel geen zelfstandigenaftrek was geclaimd en dat een gestelde softwarefout daarbij niet aannemelijk was gemaakt; omdat de aanslag over 2011 al onherroepelijk vaststond, kon de inspecteur voor dat jaar geen niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek vaststellen, zodat er bij de staking van de eenmanszaak in 2019 niets te verrekenen viel. Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.
Aandachtspunten voor de praktijk
De bewijslast dat aan het urencriterium is voldaan rust op de ondernemer zelf, ook bij een navorderingsaanslag; dossiervorming over bestede uren is dus geen formaliteit maar bepalend voor de uitkomst van een geschil, zoals de aanhoudende reeks feitelijke procedures over de 1.225-uursgrens illustreert. De kwalificatie van uren is niet beperkt tot direct declarabele werkzaamheden: onder omstandigheden tellen ook aan studie bestede uren mee, maar alleen voor zover die studie de bestaande kennis van de ondernemer op peil houdt en niet strekt tot het verwerven van geheel nieuwe vakkennis; ook dan blijft het aan de ondernemer om de gehaalde 1.225 uur aannemelijk te maken.
De uitsluitingsgrond voor samenwerkingsverbanden met verbonden personen in art. 3.6 lid 2 vergt een precieze toets langs twee alternatieve gronden (hoofdzakelijk ondersteunend én ongebruikelijk samenwerkingsverband, óf een samenwerkingsverband dat verband houdt met een onderneming van een verbonden persoon), die niet met elkaar mogen worden verward; door lid 4 werkt diezelfde uitsluiting ook door bij samenwerkingsverbanden die aan een bv-structuur met een aanmerkelijk belang zijn gekoppeld. Bij staking van de onderneming blijft aandacht nodig voor de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek: correcties daarop bij staking kunnen standhouden wanneer voor een eerder jaar geen aftrek is geclaimd en die aanslag al onherroepelijk vaststaat, terwijl de MKB-winstvrijstelling juist doorwerkt op winst die pas ná de staking wordt verantwoord. Bij staking door overlijden keurt een beleidsbesluit goed dat de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek kan worden verrekend zonder toetsing aan het urencriterium.
De zelfstandigenaftrek is, behalve voor de ondernemer die de startersverhoging geniet, nooit hoger dan de winst van dat jaar; het verschil wordt bij de overige ondernemers verrekenbaar over de negen volgende jaren, in de volgorde van ontstaan, wat een zorgvuldige jaar-op-jaar bijhouding van niet-gerealiseerde bedragen vergt. De aflopende reeks tabelbedragen van de zelfstandigenaftrek (van € 7.030 in 2020 naar € 1.200 in 2026) betekent dat het belang van de winstbegrenzing van lid 5, en daarmee van correcte vaststelling van niet-gerealiseerde bedragen, per saldo afneemt, terwijl het belang van de MKB-winstvrijstelling – die over de volledige winst na aftrek loopt – relatief toeneemt.
Recente ontwikkelingen
De zelfstandigenaftrek is in de wet stapsgewijs afgebouwd: van € 7.030 (2020) via € 6.670 (2021), € 6.310 (2022) en € 5.030 (2023) naar € 3.750 (2024), € 2.470 (2025) en € 1.200 (2026), terwijl de startersverhoging in diezelfde periode ongewijzigd € 2.123 is gebleven. De MKB-winstvrijstelling is in dezelfde periode verlaagd van 14% (2020-2023) naar 13,31% (2024) en 12,7% (2025 en 2026). De aangeleverde jurisprudentie laat daarnaast een aanhoudende stroom van hofuitspraken zien over 2022 tot en met 2026, met een duidelijke concentratie op geschillen over het urencriterium en op de afwikkeling van de zelfstandigenaftrek bij staking, wat erop wijst dat vooral de feitelijke onderbouwing van gewerkte uren en de verwerking van niet-gerealiseerde aftrek bij bedrijfsbeëindiging onderwerpen blijven waarover met de Belastingdienst wordt geprocedeerd.
Kernartikelen
- Art. 3.6 Wet IB 2001 — Art. 3.6 Wet IB 2001: Begrip urencriterium
- Art. 3.76 Wet IB 2001 — Art. 3.76 Wet IB 2001: Zelfstandigenaftrek
- Art. 3.79a Wet IB 2001 — Art. 3.79a Wet IB 2001: MKB-winstvrijstelling
Belangrijkste rechtspraak
16 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2024:3133 (2024)
De zaak betreft geschillen over de winst uit onderneming, de aftrekbaarheid van zakelijke kosten, de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek voor de inkomstenbelasting 2015 en 2016, mede met een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:3572 (2023)
Het Hof oordeelt dat aan studie bestede uren meetellen voor het urencriterium van de Wet inkomstenbelasting 2001.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:2041 (2024)
De zaak betreft of belanghebbende voor de zelfstandigenaftrek voldoet aan het urencriterium van art. 3.6 Wet IB 2001 voor het jaar 2019.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:8439 (2025)
Het hof oordeelt dat de correctie van de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek bij het staken van de eenmanszaak terecht is toegepast en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:6420 (2024)
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de aanslag IB/PVV, mede gelet op interne compensatie, niet te hoog is vastgesteld.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:387 (2023)
Het Hof oordeelt dat de inspecteur terecht de zelfstandigen- en startersaftrek niet heeft verleend omdat belanghebbende niet voldoet aan het urencriterium, en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
-
ECLI:NL:GHAMS:2026:527 (2026)
De zaak betreft of de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2019-2021 naar een te hoog bedrag zijn opgelegd, of sprake is van een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, letter c, AWR die navordering toestaat, en of sprake is van winst uit onderneming.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1285 (2022)
De zaak betreft de aanslag IB/PVV 2014 en de vraag of belanghebbende voldoet aan het urencriterium en of een uitgave als zakelijk kan worden aangemerkt.
-
ECLI:NL:HR:2012:BX0947 (2012)
De Hoge Raad oordeelt dat de MKB-winstvrijstelling van artikel 3.79a Wet IB 2001 ook kan worden genoten over winst die wordt verantwoord in een jaar na het staken van de onderneming waarvoor de belastingplichtige ondernemer was.
-
ECLI:NL:HR:2011:BU4804 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat de bewijslast voor het hoofdzakelijkheids- en gebruikelijkheidscriterium van de zelfstandigenaftrek bij belanghebbende ligt, ook wanneer een navorderingsaanslag is opgelegd, en bevestigt dat dit bewijs niet is geleverd.
Beleid en standpunten
24 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 33003 nr. 3
- Kamerstuk 36602 nr. 38
- Kamerstuk 30306 nr. 31
-
Besluit BWBR0038145
Beleid inzake bestuurlijke boeten voor overtredingen bij heffing van rijksbelastingen.
- Kamerstuk 27431 nr. 3
-
Besluit BWBR0037558
Goedkeuring inzake zelfstandigenaftrek bij staking door overlijden. De niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek kan worden verrekend zonder urencriterium als onderneming stagneert door overlijden.
-
Besluit BWBR0047168
Dit beleidsbesluit bevat fiscale noodmaatregelen in verband met de coronacrisis, waaronder uitstelmogelijkheden en betalingsregelingen.
- Kamerstuk 30804 nr. 9
- Kamerstuk 33003 nr. 21
- Kamerstuk 33003 nr. 76
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.