Inkomstenbelasting
Tonnageregeling (winst uit zeescheepvaart)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De tonnageregeling bestaat om zeescheepvaartactiviteiten vanuit Nederland fiscaal aantrekkelijk te houden ten opzichte van andere vlaggenstaten: in plaats van de werkelijke winst te belasten, wordt de winst uit zeescheepvaart forfaitair vastgesteld aan de hand van de nettotonnage van de ingezette schepen. Een rederij met een goed jaar betaalt niet meer belasting dan een rederij met een slecht jaar, zolang de vloot dezelfde tonnage heeft; de fiscale grondslag is voorspelbaar en losgekoppeld van het commerciële resultaat, wat de mobiele zeescheepvaartsector minder prikkelt om naar een gunstiger vlaggenstaat uit te wijken. De regeling is neergelegd in art. 3.22 tot en met 3.24 Wet IB 2001 en werkt zowel voor de inkomstenbelasting als, via de vennootschapsbelasting, voor rederijen in de bv- of nv-vorm.
De regeling is een keuzeregime: de belastingplichtige moet er expliciet om verzoeken en is bij toewijzing voor een lange periode aan die keuze gebonden. Kernbegrippen zijn de nettotonnage (de tabelgrondslag), de exploitatie-eis (wie de winst mag toerekenen aan zichzelf), en de zeescheepvaart onbelaste reserve of "zor" (het bedrag dat bij intreding buiten de winst blijft, maar bij vroegtijdige uittreding alsnog belast kan worden). Voor de praktijk draait het thema vooral om drie vragen: kwalificeert de activiteit als winst uit zeescheepvaart, is sprake van exploitatie van een schip in de zin van de wet, en is het keuzemoment van in- of uittreding correct benut.
Wanneer speelt dit
- Bij rederijen, scheepvaart-cv's en maatschappen die schepen exploiteren voor internationaal zeetransport, baggerwerkzaamheden, sleep- en hulpwerkzaamheden of kabel- en pijplegwerk.
- Bij toetreding tot of uittreding uit een samenwerkingsverband, zoals een cv of maatschap, waarin scheepvaartactiviteiten worden uitgeoefend, en de fiscale gevolgen van de overgang naar het tonnageregime.
- Bij de beoordeling of een schip wordt geëxploiteerd via eigendom, rompbevrachting, commercieel beheer, tijd- of reischarter, of bemannings- en technisch beheer voor derden.
- Bij vlagkeuze en de gevolgen daarvan voor de toepassing van het regime, en bij fiscale eenheden waarin een of meer dochters scheepvaartactiviteiten verrichten.
- Bij de afbakening tussen winst uit zeescheepvaart en overige, normaal belaste winst binnen dezelfde onderneming, en bij de opstartfase van een nieuwe zeescheepvaartonderneming voordat het eerste schip vaart.
Hoe werkt de tonnageregeling
Wie en wat kwalificeert. Toepassing vergt cumulatief dat aan drie lagen wordt voldaan:
- Activiteit. De winst moet zijn behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor een van de in art. 3.22 lid 4 Wet IB 2001 genoemde activiteiten: internationaal vervoer van zaken of personen over zee, vervoer ten behoeve van exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, exploratie van de zeebodem, het leggen van kabels of pijpen, takel- en hefwerkzaamheden op zee, kwalificerende baggerwerkzaamheden, of sleep- en hulpwerkzaamheden op zee. Werkzaamheden die direct samenhangen met die exploitatie tellen mee.
- Exploitatievorm. De belastingplichtige moet het schip exploiteren op een van de wijzen van art. 3.22 lid 5: eigendom of rompbevrachting gecombineerd met beheer in Nederland en een EU/EER-vlag; hoofdzakelijk commercieel beheer voor een ander naast eigen kwalificerende schepen; tijd- of reischarter naast eigen kwalificerende schepen en binnen de 75%-grens voor niet-EU/EER-gevlagde chartertonnage; of volledig bemannings- en technisch beheer voor een ander bij een EU/EER-gevlagd schip.
- Beheer in Nederland. De exploitatie moet zowel formeel als materieel vanuit Nederland plaatsvinden: strategisch/commercieel beheer, technisch-nautisch beheer en bemanningsbeheer moeten (deels) in Nederland zijn belegd, te beoordelen aan kantoorruimte, personeel, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Scheepsmanagementbedrijven zonder eigen schip moeten het volledige bemannings- én technisch beheer voeren, inclusief de verplichtingen van de International Safety Management (ISM) Code.
Wat is het gevolg. Bij toewijzing vervangt de tonnagegrondslag de reguliere winstbepaling (art. 3.8 tot en met 3.20, 3.25 tot en met 3.65 en 3.79 Wet IB 2001) voor de kwalificerende activiteiten. De winst per schip per dag wordt afgeleid uit een wettelijke tabel op basis van de nettotonnage:
| Nettotonnage (schijf) | Bedrag per dag per 1.000 nettoton (2026) |
|---|---|
| Tot en met 1.000 NT | € 9,08 |
| 1.000 tot en met 10.000 NT (het meerdere) | € 6,81 |
| 10.000 tot en met 25.000 NT (het meerdere) | € 4,54 |
| 25.000 tot en met 50.000 NT (het meerdere) | € 2,27 |
| Boven 50.000 NT (het meerdere) | € 0,50 |
| Toeslag boven 50.000 NT bij niet-EU/EER-vlag, tenzij vlag na 31-12-2008 voor het eerst gevoerd of de vijf jaar vóór intreding niet-EU/EER-gevlagd | + € 1,77 |
| Winst bij volledig bemannings-/technisch beheer voor een ander (art. 3.22 lid 5 onderdeel d) | vermindering met 75% van het tabelbedrag |
Een schip van 900 nettoton levert dus 900/1.000 × € 9,08 = € 8,17 winst per dag op; een schip van 16.500 nettoton levert € 9,08 + 9 × € 6,81 + 6,5 × € 4,54 = € 99,88 per dag op. De tabel geldt over alle dagen van exploitatie in het kalenderjaar; onderbrekingen door onderhoud, reparatie of tijdelijke opleg vanwege de markt tellen mee als exploitatiedagen. Bij een slotcharter (verhuur van containercapaciteit) wordt eerst de winst voor het hele schip berekend en vervolgens naar rato van het aantal slots toegerekend.
Tegenover de forfaitaire, doorgaans lagere grondslag staat een intredeconsequentie: bij toewijzing van het verzoek wordt in het jaar van het verzoek het gezamenlijke bedrag van (a) de fiscale reserves die aan de zeescheepvaart zijn toe te rekenen (de herinvesteringsreserve en vergelijkbare reserves van art. 3.53, 3.54 en 3.54aa Wet IB 2001) en (b) de stille reserve op de scheepsvloot (het verschil tussen waarde in het economische verkeer en boekwaarde) tot de winst gerekend, tenzij en voor zover dat bedrag wordt gedekt door nog te verrekenen verliezen. Het bedrag dat op die manier buiten aanmerking blijft, heet de zeescheepvaart onbelaste reserve (zor). Die zor is geen definitieve vrijstelling: staakt de belastingplichtige de zeescheepvaartonderneming (geheel of gedeeltelijk) binnen tien jaar na intreding, dan wordt de zor alsnog tot de winst gerekend op het moment van staken. Blijft de onderneming langer dan tien jaar in het regime, dan vervalt de claim van rechtswege en wordt het schip bij latere uittreding gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer zonder correctie.
Procedure. Het verzoek wordt gedaan in het eerste jaar waarin winst uit zeescheepvaart wordt genoten, of in het tiende jaar of een veelvoud daarvan nadien. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Bij toewijzing geldt het regime vanaf dat jaar tot wederopzegging, en wederopzegging kan alleen met ingang van het tiende jaar of een veelvoud daarvan na het jaar van intreding (dus in jaar 11, 21, 31 enzovoort). Winst uit zeescheepvaart wordt al genoten vanaf de eerste voorbereidende kosten voor een te bestellen of te bouwen schip, zodat ook het keuzemoment al in die opstartfase kan liggen; leidt de opstartfase uiteindelijk niet tot een schip in de vaart, dan mag de gemaakte keuze alsnog worden herzien, ook als de aanslag al onherroepelijk vaststaat.
Reikwijdte: wat valt wel en niet onder de tonnagegrondslag. Onder de grondslag vallen de kwalificerende vervoers- en scheepvaartactiviteiten zelf en de daarmee direct samenhangende werkzaamheden. Wordt met hetzelfde schip ook bruto-omzet behaald met andere werkzaamheden (bijvoorbeeld niet-vervoersactiviteiten bij kabelleggers), dan wordt de tabelwinst met die andere winst vermeerderd, waarvoor de gewone winstbepalingsregels gelden, inclusief investeringsaftrek en willekeurige afschrijving; voor schepen bestemd voor exploratie van de zeebodem, kabelleggen of takel- en hefwerk mag die bijtelling forfaitair worden berekend via het gemiddelde van het aandeel bemanning op de vervoersfunctie en het aandeel kosten van het kale schip in de totale scheepskosten. Bij baggerwerkzaamheden geldt de aanvullende eis dat de jaarlijkse bedrijfstijd grotendeels uit zeevervoer bestaat; de Belastingdienst hanteert daarvoor een verdeelsleutel van kwalificerende vaartijd (varen tussen haven en baggerplaats, tussen baggerplaats en stortlocatie, stilliggen op het werk) tegenover niet-kwalificerende tijd (eigenlijke winning- of baggertijd), zonder dat de regelgeving daarbij een percentage noemt. Niet onder de regeling valt pleziervaart, en niet onder de exploitatie-eis valt het enkel bijeenbrengen van kapitaal of optreden als beherend vennoot vóórdat een samenwerkingsverband daadwerkelijk een schip exploiteert. Bij een fiscale eenheid geldt de keuze voor de tonnagegrondslag voor alle zeescheepvaartactiviteiten gezamenlijk: een fiscale eenheid tussen een moeder en dochter die beide winst uit zeescheepvaart behalen kan niet worden gevormd als slechts een van beide voor de tonnagegrondslag heeft geopteerd.
Wettelijk kader
Art. 3.22 lid 1 Wet IB 2001 maakt de tonnagegrondslag tot een keuzeregeling: op verzoek van de belastingplichtige vervangt de tonnage-gebaseerde winstbepaling de reguliere winstbepalingsartikelen. Lid 2 en lid 3 regelen het keuzemoment en de gebondenheid: het verzoek moet in het eerste jaar van winst uit zeescheepvaart of in het tiende jaar (of een veelvoud) daarna worden gedaan, de inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, en bij toewijzing geldt het regime tot wederopzegging, die op haar beurt alleen kan ingaan op het tiende jaar of een veelvoud daarvan na intreding. Die lange gebondenheid voorkomt dat een belastingplichtige jaarlijks tussen het gewone regime en de tonnagegrondslag kan schakelen naar gelang wat fiscaal voordeliger uitpakt.
Lid 4 bakent de activiteiten af zoals opgesomd in de checklist hierboven (onderdeel a: internationaal vervoer en aanverwante werkzaamheden op zee; onderdeel b: kwalificerende bagger-, sleep- en hulpwerkzaamheden, met een uitzondering voor overwegend meren/ontmeren/verhalen; onderdeel c: rechtstreeks samenhangende werkzaamheden). Lid 5 werkt de exploitatie-eis uit langs de vier vormen uit diezelfde checklist, telkens gekoppeld aan beheer in Nederland en, behoudens de uitzonderingen van lid 6 tot en met 10, een EU/EER-vlag. Die uitzonderingen — een grandfathering-toets op de eigen vlagverhouding van 17 januari 2004, een alternatieve 60%-drempel voor de eigen kwalificerende vloot, en een bij ministeriële regeling vast te stellen landelijke vlagverhouding over een driejaars gemiddelde — voorkomen dat een tijdelijke terugval in de EU/EER-vlagverhouding meteen tot verlies van het regime leidt. Lid 11 regelt toerekening van werkzaamheden binnen een samenwerkingsverband, lid 12 definieert "zee" als de wateren voorbij de laagwaterlijn van de kust met een gelijkstelling voor maritieme waterwegen, en lid 13 biedt een delegatiegrondslag voor ministeriële regels.
Art. 3.23 Wet IB 2001 bevat de rekenkern: de tabel van bedragen per 1.000 nettoton per dag (lid 1, zie de tabel hierboven), de bijtelling voor niet-kwalificerende bruto-omzet uit andere werkzaamheden met hetzelfde schip, en de intredeconsequentie van reserves en stille reserve tot de zor (lid 2 en lid 3, hierboven toegelicht). Art. 3.24 Wet IB 2001 regelt de beëindiging: bij gehele of gedeeltelijke staking binnen tien jaar na intreding wordt de zor alsnog belast (lid 1); bij het einde van de tonnagetoepassing van een individueel schip binnen die termijn wordt het schip gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer verminderd met de nog openstaande zor, met een ondergrens van nihil, tenzij de tienjaarstermijn al is verstreken (lid 2); na wederopzegging na tien jaar wordt gewaardeerd op de volledige waarde in het economische verkeer zonder correctie (lid 3); en bepaalde fiscaal gefaciliteerde overgangen (doorschuiving bij ontbinding huwelijksgemeenschap, doorschuiving naar ondernemers, omzetting in een bv of nv) worden niet als staking aangemerkt als de verkrijgende partij in de plaats treedt van de belastingplichtige (lid 4).
Het Besluit winst uit zeescheepvaart (BWBR0050418) van de minister van Financiën vult de wettekst aan met beleid over onder meer de opstartfase, de materiële beheereis, de baggerverdeelsleutel, de winstsplitsing bij niet-vervoersactiviteiten en de samenloop met de fiscale eenheid, zoals hierboven verwerkt.
Belangrijkste rechtspraak
Keuzemoment en gebondenheid. ECLI:NL:HR:2016:2859 (2016) oordeelt dat het tonnageregime niet gedeeltelijk binnen een boekjaar kan gelden: het geldt voor het volledige boekjaar waarin het verzoek is gedaan. Belanghebbende had juist verzocht om een latere ingangsdatum — de dag waarop het eerste schip feitelijk in de vaart kwam — om in het begin van dat boekjaar nog willekeurig te kunnen afschrijven; de Hoge Raad wees dat af omdat dit volgt uit lid 3 en niet uit het keuzemoment van lid 2, dat alleen bepaalt in welk jaar het verzoek mag worden ingediend. ECLI:NL:HR:2018:2086 (2018) sluit hierop aan: aan het enkele feit dat een beschikking tot toepassing van de tonnageregeling is afgegeven, kan niet het vertrouwen worden ontleend dat de in een bepaald jaar behaalde winst ook daadwerkelijk als winst uit zeescheepvaart kwalificeert — de beschikking regelt de toepassing van het regime, niet de jaarlijkse kwalificatietoets.
Kwalificatie van de activiteit en het schip. ECLI:NL:HR:2010:BL1976 (2010) beslist dat een schip dat wordt gebruikt voor cruises waarbij passagiers naar bestemmingen worden vervoerd, wordt geëxploiteerd voor het vervoer van personen en geen pleziervaart is in de zin van art. 3.22 lid 4 onderdeel a. ECLI:NL:PHR:2021:476 (2021, conclusie) betrof of een pijplegschip wordt geëxploiteerd "in het internationaal verkeer" in verdragsrechtelijke zin; het hof oordeelde van niet omdat vervoer bijkomstig was aan de hoofdactiviteit van het leggen van pijpleidingen — de hoofdfunctie van het schip is bepalend voor de kwalificatie. ECLI:NL:HR:2011:BO1371 (2011) betreft geen kwalificatievraag maar de verdeling van gemengde kosten: algemene kosten die niet rechtstreeks aan de ene of de andere winst zijn toe te rekenen, moeten naar een passende bedrijfseconomische verdeelsleutel worden verdeeld, in plaats van geheel ten laste van de normaal belaste winst te komen.
Exploitatie-eis en toe- en uittreding. ECLI:NL:HR:2012:BV8203 (2012) oordeelt dat het bijeenbrengen van kapitaal en het optreden als beherend vennoot van scheepvaart-cv's, vóórdat commanditaire vennoten zijn toegetreden, geen exploitatie van een schip is en daar ook niet direct mee samenhangt, zodat de tonnageregeling in die fase niet van toepassing is. ECLI:NL:HR:2014:1622 (2014) beslist dat bij toetreding tot een transparante personenvennootschap gevolgd door toetreding tot het tonnageregime, het verschil tussen overdrachtsprijs en aanschaffingskosten van het schip — voor zover nog niet bij inbreng belast — tot de winst van het toetredingsjaar behoort, wat aansluit bij de intredeconsequentie van art. 3.23 lid 2. ECLI:NL:HR:2017:1236 (2017) verbreedt "winst uit zeescheepvaart" naar de vennoot zelf: een verkoopprovisie die een vennoot buiten de cv om in eigen beheer heeft ontvangen voor de verkoop van het in cv-verband geëxploiteerde schip, valt eveneens onder het tonnageregime.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Een verzoek dat op een latere ingangsdatum binnen hetzelfde boekjaar mikt heeft geen effect: ECLI:NL:HR:2016:2859 laat zien dat het regime, eenmaal ingegaan, het volledige boekjaar beheerst.
- Een afgegeven beschikking is geen garantie dat alle in een later jaar behaalde winst onder het regime valt; per jaar wordt getoetst of sprake is van winst uit zeescheepvaart in de zin van lid 4 (ECLI:NL:HR:2018:2086).
- Bij de opstartfase ligt het keuzemoment al bij de eerste voorbereidende kosten, ook als het schip nog wordt gebouwd of pas later wordt geleverd of gecharterd; de vroege keuze is alleen herzienbaar als uiteindelijk geen schip in de vaart komt.
- De 5%-ondergrens voor mede-eigendom, de 75%-grens voor niet-EU/EER-gevlagde chartertonnage en de vlaguitzonderingen van lid 6 tot en met 10 werken cumulatief met de exploitatie-eis; bij belangen of tonnageverhoudingen rond die grenzen bepaalt een klein verschil in vlootsamenstelling of het regime van toepassing blijft.
- Voorbereidende activiteiten zoals het bijeenbrengen van kapitaal of het optreden als beherend vennoot vóór toetreding van andere vennoten gelden niet als exploitatie van een schip (ECLI:NL:HR:2012:BV8203), wat vooral speelt bij scheepvaart-cv's in oprichting.
- Uittreding binnen tien jaar na intreding activeert de zor als winst op het moment van (gedeeltelijke) staking; na tien jaar vervalt die claim van rechtswege.
- Bij een fiscale eenheid met scheepvaartdochters kan een scheepvaartmoeder de tonnageregeling direct toepassen ook als een dochter afzonderlijk bezien nog een wachttermijn zou hebben (KG:011:2022:11); bij verbreking blijft de zor in beginsel bij de moeder, tenzij beide gezamenlijk om overdracht aan de dochter verzoeken.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst-kennisgroep heeft in KG:011:2025:1 (2025) het standpunt ingenomen dat de tonnageregeling ook kan worden toegepast op geleaste schepen tijdens de opstartfase van een zeescheepvaartonderneming, mits aan alle voorwaarden van art. 3.22 wordt voldaan. Dit is met name relevant voor startende rederijen die eerst een of meer schepen in tijd- of reischarter houden voordat zij overgaan tot eigendom of rompbevrachting van eigen schepen, en verduidelijkt dat de opstartfase op zichzelf geen beletsel vormt voor toepassing van het regime, in lijn met de beleidslijn dat winst uit zeescheepvaart al bij de eerste voorbereidende kosten kan aanvangen.
Kernartikelen
- Art. 3.22 Wet IB 2001 — Art. 3.22 Wet IB 2001: Winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage
Belangrijkste rechtspraak
11 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2016:2859 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat het tonnageregime alleen kan ingaan met ingang van het boekjaar waarin de belastingplichtige winst uit zeescheepvaart is gaan genieten, zodat de Inspecteur het verzoek om een eerdere ingangsdatum terecht heeft afgewezen; de uitspraak op bezwaar wordt bevestigd.
-
ECLI:NL:HR:2018:2086 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat aan het enkel geven van een beschikking tot toepassing van de tonnageregeling niet het vertrouwen kan worden ontleend dat de in een jaar behaalde winst is aan te merken als winst uit zeescheepvaart.
-
ECLI:NL:HR:2017:1236 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat een verkoopprovisie die een vennoot buiten de CV om in eigen beheer heeft ontvangen voor werkzaamheden bij de verkoop van het in CV-verband geëxploiteerde schip, als winst uit zeescheepvaart onder het tonnageregime valt; het cassatieberoep van belanghebbende is gegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2021:3826 (2021)
De zaak betreft de toepassing van het tonnageregime in de vennootschapsbelasting op de aan belanghebbende voor 2009 tot en met 2011 opgelegde aanslagen; het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank, die de aanslagen al had verminderd.
-
ECLI:NL:HR:2010:BL1976 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat een schip dat wordt gebruikt voor cruises waarbij passagiers naar bestemmingen worden vervoerd, wordt geëxploiteerd voor het vervoer van personen en niet voor pleziervaart in de zin van artikel 3.22, lid 4, letter a, Wet IB 2001.
-
ECLI:NL:HR:2014:1622 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat bij inbreng in een transparante personenvennootschap gevolgd door toetreding tot het tonnageregime, het verschil tussen overdrachtsprijs en aanschaffingskosten van het schip, voor zover nog niet bij inbreng belast, tot de winst van het toetredingsjaar behoort.
-
ECLI:NL:PHR:2021:476 (2021)
De zaak betreft of een pijplegschip wordt geëxploiteerd 'in het internationaal verkeer' in de zin van art. 15, lid 3, Verdrag Nederland-Zwitserland; het Hof oordeelde van niet, omdat vervoer bijkomstig is aan de hoofdactiviteit van het leggen van pijpleidingen.
-
ECLI:NL:HR:2011:BO1371 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat algemene kosten die niet rechtstreeks aan winst uit zeescheepvaart of aan normaal belaste winst zijn toe te rekenen, naar rato van een passende bedrijfseconomische verdeelsleutel over beide winstgenererende activiteiten moeten worden verdeeld, in plaats van geheel ten laste van de normaal belaste winst te worden gebracht.
-
ECLI:NL:GHARL:2021:2192 (2021)
De zaak betreft de vennootschapsbelasting over 2011 bij een participatie in scheepvaart-CV's onder het tonnageregime; het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank die de aanslag Vpb had verminderd tot een belastbaar bedrag van € 121.680.
-
ECLI:NL:HR:2012:BV8203 (2012)
De Hoge Raad oordeelt dat het bijeenbrengen van kapitaal en optreden als beherend vennoot van scheepvaart-cv's vóór toetreding van commanditaire vennoten niet is aan te merken als exploitatie van een schip en daarmee ook niet direct samenhangt, zodat de tonnageregeling van artikel 3.22 Wet IB 2001 niet van toepassing is.
Beleid en standpunten
30 bronnen in de kennisbank-
KG:011:2025:1 (2025)
Standpunt: De tonnageregeling voor bepaling van inkomsten uit zeescheepvaart kan worden toegepast op geleaste schepen in de opstartfase mits aan alle voorwaarden wordt voldaan.
-
Besluit BWBR0050418
Beleid inzake winst uit zeescheepvaart, tonnageregime en winstsplitsing (asset-split en crew-split).
-
KG:011:2023:6 (2023)
Standpunt ingetrokken per 22 oktober 2024; oorspronkelijk: tonnageregeling artikel 3.22 Wet IB 2001 ziet op werkzaamheden op zee voorbij laagwaterlijn, ook indien internationale zeerechtsovereenkomst die als binnenwater kwalificeert.
-
KG:011:2026:2 (2026)
Standpunt: [Ingetrokken per 1 januari 2025 bij inwerkingtreding Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen] Franse SCPI die vastgoed verwerft en exploiteert kwalificeert als niet-transparant lichaam voor Nederlandse belastingheffing.
-
KG:011:2022:11 (2022)
Standpunt: Een scheepvaartmoeder die deelneemt aan een fiscale eenheid kan direct de tonnageregeling toepassen, hoewel zij apart een wachttermijn tot 2025 zou hebben gehad.
-
KG:204:2025:12 (2025)
Standpunt: Zeeschip kwalificeert als zodanig artikel 1, eerste lid, onderdeel h, WVA als meer dan 50% van beurttijd voor vervoer over zee of exploitatie natuurlijke rijkdommen wordt geëxploiteerd.
-
RULOV 20241119-000004 (2024)
X verzoekt om zekerheid over toepassing van het tonnageregime voor zeescheepvaartactiviteiten over 2021-2030, met eigendom van vijf schepen zonder EU/EER-vlag en deelname in samenwerkingsverband.
-
RULOV 20250114-000008 (2025)
X (fiscale eenheid moeder, internationaal handels- en scheepvaartactiviteiten) verzoekt tonnageregime en winst-vaststelling zeescheepvaart 2023-2027; EU-vlag schepen.
-
KG:011:2023:2 (2023)
Standpunt: Dit standpunt is ingetrokken per 22 oktober 2024 in verband met opname in beleid over tonnageregeling en scheepsdefinitie.
-
RULOV 20220719-000006 (2022)
Maritieme vennootschap verzoekt tonnageregime 2020-2029 voor zeescheepvaartactiviteiten met centraal beheer vanuit Nederland.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.