Vennootschapsbelasting
Fiscale eenheid
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De fiscale eenheid vennootschapsbelasting is het consolidatieregime van art. 15 Wet VPB 1969 waarbij een moedermaatschappij en een of meer dochtermaatschappijen op gezamenlijk verzoek voor de heffing van vennootschapsbelasting als één belastingplichtige worden behandeld. De regeling bestaat om te voorkomen dat een groep die economisch als één onderneming functioneert, fiscaal wordt behandeld als een verzameling losse belastingplichtigen die onderling niets met elkaar te maken hebben: resultaten van de gevoegde maatschappijen worden verrekenbaar en onderlinge transacties komen bij de fiscale eenheid als geheel niet tot uitdrukking. Daar staat een uitgebreid stelsel van correctiebepalingen (art. 15aa tot en met 15al Wet VPB 1969) tegenover dat moet voorkomen dat voeging en ontvoeging worden gebruikt om verliezen of stille reserves oneigenlijk te verplaatsen; in de praktijk zijn die correctiebepalingen vaak bepalender dan de toegangseis zelf.
De regeling heeft zich in twee fasen verbreed vanuit een oorspronkelijk zuiver binnenlands moeder-dochtermodel. Naar aanleiding van rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (zaken C-39/13 en C-41/13) is bij de Wet aanpassing fiscale eenheid de topmaatschappij-constructie van art. 15 lid 2 toegevoegd, die het mogelijk maakt dat in Nederland gevestigde zustermaatschappijen met een gezamenlijke buitenlandse (tussen)moeder een fiscale eenheid vormen. Om te voorkomen dat diezelfde verruiming ook onbedoeld renteaftrekbeperkingen en andere anti-misbruikbepalingen zou uitschakelen, zijn vervolgens bij wijze van spoedreparatiemaatregel de leden 16 tot en met 18 aan art. 15 toegevoegd: deze passen art. 10a, delen van art. 13, art. 13a, art. 15ba en art. 20a toe alsof er geen fiscale eenheid bestond (de "per-elementbenadering").
Wanneer speelt dit
Het thema komt op zodra een groep vennootschappen de VPB-aangiften wil consolideren, bijvoorbeeld bij oprichting van een dochter, een overname waarbij de overgenomen vennootschap in de bestaande structuur wordt opgenomen, of een reorganisatie zoals een juridische splitsing of juridische fusie waarbij vermogensbestanddelen tussen concernmaatschappijen worden overgedragen. Ook bij beëindiging van een fiscale eenheid, een beursgang, verkoop van een dochter of wijziging van de aandeelhoudersstructuur is toetsing nodig, omdat voeging en vooral ontvoeging gevolgen hebben voor waardering en verliesverrekening. Dit regime voor de vennootschapsbelasting staat los van de fiscale eenheid voor de omzetbelasting, die eigen verwevenheidseisen kent.
Hoe werkt de fiscale eenheid
Wie kwalificeert. Voeging is alleen mogelijk tussen belastingplichtigen die tegelijk aan de volgende elementen voldoen:
- De moedermaatschappij bezit de gehele juridische én economische eigendom van ten minste 95% van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van de dochter (of, bij een topmaatschappij-constructie, van elk van de te voegen zustermaatschappijen).
- Dat bezit vertegenwoordigt ten minste 95% van de statutaire stemrechten.
- Dat bezit geeft in alle gevallen recht op ten minste 95% van de winst én ten minste 95% van het vermogen van de dochter.
- Een middellijk gehouden belang telt mee, mits de aandelen onmiddellijk worden gehouden door een reeds gevoegde maatschappij of door een kwalificerende tussenmaatschappij.
- De boekjaren van beide belastingplichtigen lopen gelijk.
- Beide zijn in Nederland gevestigd, of voldoen aan de vaste-inrichtingfictie van lid 8 (voor een niet in Nederland gevestigde belastingplichtige met een Nederlandse vaste inrichting, gevestigd in een EU/EER-staat of een kwalificerend verdragsland).
- De moedermaatschappij is een NV, BV, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of daarmee vergelijkbaar buitenlands lichaam.
- De aandelen in de dochter worden niet als voorraad gehouden.
Certificering van aandelen staat voeging niet in de weg zolang de moedermaatschappij het stemrecht via bindende instructies volledig beheerst; ontbreekt die beheersing, dan is niet aan het bezitsvereiste voldaan.
Wat is het gevolg. De werkzaamheden en het vermogen van de dochter maken deel uit van die van de moeder; de belasting wordt geheven bij de moedermaatschappij en de gevoegde maatschappijen tezamen vormen de fiscale eenheid. Praktisch betekent dit verrekenbaarheid van winsten en verliezen binnen de groep en fiscaal geruisloze onderlinge transacties, maar ook: één gezamenlijke aangifte, aansprakelijkheidsrisico's over de gehele linie, en een verlies van de zelfstandige fiscale positie van elke gevoegde maatschappij zodra herstructurering aan de orde is.
Bedragen, percentages en termijnen
| Element | Norm | Geldt vanaf | Vindplaats |
|---|---|---|---|
| Bezitseis aandelen/stemrecht/winstrecht/vermogensrecht | elk ≥ 95% | doorlopend | art. 15 lid 1 Wet VPB 1969 |
| Terugwerkende kracht van het voegingsverzoek | ten hoogste 3 maanden vóór de verzoekdatum | doorlopend | art. 15 lid 9 Wet VPB 1969 |
| Uitzondering herwaardering bij bedrijfsoverdracht tegen aandelen | vervalt na 3 kalenderjaren | doorlopend | art. 15ai lid 3 onderdeel b Wet VPB 1969 |
| Algehele vervaltermijn herwaarderingsplicht bij ontvoeging | vervalt na 6 kalenderjaren na de overdracht | doorlopend | art. 15ai lid 3 onderdeel c Wet VPB 1969 |
| Drempel liquidatieverlies bij een bij voeging al (nagenoeg) gestaakte deelneming | € 1.000.000, plus 50% van de winst boven dat bedrag | vanaf Belastingplan 2021 | art. 15ab lid 3 Wet VPB 1969 |
Procedure. Het verzoek tot voeging wordt gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de moedermaatschappij; deze beslist bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Is de verzoekende belastingplichtige al moedermaatschappij van een bestaande fiscale eenheid, dan wordt een nieuw verzoek geacht mede namens de andere reeds gevoegde maatschappijen te zijn gedaan. De fiscale eenheid komt tot stand op het door partijen aangegeven tijdstip, met een terugwerkende kracht van ten hoogste drie maanden vóór de verzoekdatum. Beëindiging gebeurt van rechtswege zodra niet langer aan de vereisten wordt voldaan, of op gezamenlijk verzoek van moeder en dochter met ingang van het aangegeven tijdstip, maar niet eerder dan de indieningsdatum van dat verzoek. Voegen en ontvoegen binnen hetzelfde boekjaar van dezelfde maatschappij wordt voor de tussenliggende periode geacht niet te hebben plaatsgevonden.
Reikwijdte. Onder het regime vallen uitsluitend VPB-plichtige lichamen met de vereiste rechtsvorm; IB-ondernemingen en niet-kwalificerende rechtsvormen vallen erbuiten, evenals aandelenbelangen die als voorraad worden gehouden. Ook een niet-Nederlandse dochter zonder kwalificerende vaste inrichting in Nederland valt buiten bereik, tenzij de vestigingsuitzondering van lid 8 van toepassing is. Voor bepaalde anti-misbruikbepalingen (renteaftrekbeperking van art. 10a, deelnemingsvoorschriften van art. 13, art. 13a, de earningsstrippingmaatregel van art. 15ba en de verliesbeperking van art. 20a) werkt de consolidatie niet door: die worden ingevolge art. 15 lid 16-18 toegepast alsof er geen fiscale eenheid bestond, zodra de wet dat voorschrijft.
Wettelijk kader
Art. 15 lid 1 Wet VPB 1969 bevat de kernvoorwaarde: de moedermaatschappij moet "de gehele juridische en economische eigendom bezitten van ten minste 95% van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een andere belastingplichtige (dochtermaatschappij) en dit bezit ten minste 95% van de statutaire stemrechten in de dochtermaatschappij vertegenwoordigen en in alle gevallen recht geven op ten minste 95% van de winst en ten minste 95% van het vermogen van de dochtermaatschappij". Pas als aan al deze elementen tegelijk is voldaan, kan op verzoek van beide belastingplichtigen de belasting worden geheven alsof er één belastingplichtige is. Lid 3 rekt het bezitsbegrip op: ook een middellijk gehouden belang telt mee, mits het onmiddellijk wordt gehouden door een reeds gevoegde maatschappij of door een tussenmaatschappij.
Lid 2 introduceert de topmaatschappij-constructie: bezit een topmaatschappij (buiten de fiscale eenheid) ten minste 95% in twee belastingplichtigen, dan kunnen die twee onderling een fiscale eenheid vormen, met een van beide als moedermaatschappij. Lid 5 en 6 definiëren de tussenmaatschappij en topmaatschappij die dit mogelijk maken, en lid 8 breidt de eenheid uit naar een niet in Nederland gevestigde belastingplichtige met een Nederlandse vaste inrichting, mits gevestigd in een EU/EER-staat of een land met een discriminatieverbod in het belastingverdrag met Nederland — een reactie op HvJ EU-rechtspraak over zustermaatschappijen met een buitenlandse gemeenschappelijke moeder.
Lid 4 stelt de aanvullende cumulatieve voorwaarden: gelijklopende tijdvakken (a), dezelfde winstbepalingsregels of regels op grond van lid 7 (b), vestiging in Nederland dan wel de uitzondering van lid 8 (c), de vereiste rechtsvorm van de moedermaatschappij (d) respectievelijk van moeder én dochter bij een topmaatschappij-constructie (e), en het verbod om de aandelen als voorraad te houden (f). Lid 9 bepaalt dat de fiscale eenheid tot stand komt op het aangegeven tijdstip, "doch niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop het verzoek is gedaan". Lid 10 somt de beëindigingsgronden op, met als hoofdregel onderdeel a: "indien niet langer aan de bij of krachtens dit artikel gestelde vereisten wordt voldaan", aangevuld met gronden die samenhangen met de topmaatschappij-constructie en met beëindiging op gezamenlijk verzoek (h). Lid 11 regelt de fictie dat bij voeging en ontvoeging binnen hetzelfde boekjaar geen fiscale eenheid geacht wordt te hebben bestaan voor de tussenliggende periode. Lid 12 en 13 geven de procedure: het verzoek gaat naar de inspecteur van de moedermaatschappij, die bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist, en een verzoek van een reeds bestaande moedermaatschappij geldt mede namens de andere gevoegde maatschappijen. Lid 14 en 15 bevatten delegatiebepalingen voor uitvoeringsregels bij algemene maatregel van bestuur. Lid 16 tot en met 18 vormen de per-elementbenadering: zij schakelen de fiscale-eenheidsfictie uit voor specifiek genoemde anti-misbruikbepalingen (art. 10a, delen van art. 13, art. 13a, art. 15ba, art. 20a), zodat winsten en verliesbeperkingen die zonder fiscale eenheid zouden ontstaan, alsnog tot uitdrukking komen. Art. 15ad Wet VPB 1969 is per 2019 vervallen, wat het nummeringshiaat tussen art. 15ac en art. 15ae verklaart.
De aanvullende bepalingen van art. 15aa tot en met 15aj regelen de mechaniek rond voeging en ontvoeging. Art. 15aa definieert maatschappij, voegingstijdstip en ontvoegingstijdstip. Art. 15ab schrijft voor dat de moedermaatschappij haar belang in de dochter bij voeging waardeert op de waarde in het economische verkeer, en beperkt de aftrek van een liquidatieverlies op een deelneming die bij voeging al (nagenoeg) was gestaakt tot het bedrag dat aan de betrokken maatschappij toerekenbaar is, met een jaarlijkse drempel (zie tabel) — zie ook de deelnemingsvrijstelling en de bijbehorende liquidatieverliesregeling. Art. 15ac bevat winstberekeningsregels: tantièmes en salarissen die een dochter aan derden toekent, worden geacht door de moeder te zijn toegekend; de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt berekend alsof de fiscale eenheid één belastingplichtige is. Art. 15ae en 15af regelen de verrekening van voorvoegingsverliezen bij voeging respectievelijk van fiscale-eenheidsverliezen bij ontvoeging, voor zover toerekenbaar aan de betrokken maatschappij; art. 15af lid 4 sluit die verrekening juist uit voor winst op vermogensbestanddelen die de ontvoegde dochter tijdens het bestaan van de fiscale eenheid van een andere maatschappij heeft verkregen, tenzij art. 15ai al is toegepast. Art. 15ag bevat de spiegelbeeldige uitsluiting voor de moedermaatschappij bij beëindiging van de fiscale eenheid. Art. 15ah geeft de winstsplitsingsregels: bij een onderlinge overdracht wordt de afschrijving bij de overnemer berekend op de waarde in het economische verkeer ten tijde van de overdracht, en het verschil met de afschrijving die bij de fiscale eenheid als geheel tot uitdrukking komt, wordt toegerekend aan de overdrager; stille reserves die al vóór de overdracht aanwezig waren, blijven bij de overnemer buiten aanmerking en worden aan de overdrager toegerekend. Art. 15ai schrijft bij ontvoeging binnen de termijnen van lid 3 herwaardering op de waarde in het economische verkeer voor van eerder binnen de fiscale eenheid overgedragen vermogensbestanddelen, met uitzonderingen voor normale bedrijfsuitoefening, voor overdracht van een onderneming tegen eigen aandelen na drie kalenderjaren, en na verloop van zes kalenderjaren. Art. 15aj regelt de afwikkeling bij ontvoeging: schuldvorderingen tussen maatschappijen worden op nominale waarde gesteld, egalisatiereserves worden verdeeld naar kostentoerekening, herinvesteringsreserves gaan naar de vervreemdende maatschappij, en de ontvoegde maatschappij treedt voor wat zij voortzet in de plaats van de fiscale eenheid.
Belangrijkste rechtspraak
Toegang tot de fiscale eenheid. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2010:BK3803 (2010) dat certificering van aandelen een fiscale eenheid niet uitsluit wanneer de moedermaatschappij het stemrecht via bindende instructies volledig beheerst; het cassatieberoep werd in die zaak gegrond verklaard. Aan de andere kant van diezelfde toegangsvraag oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2017:3128 (2017) dat in Nederland gevestigde zustermaatschappijen met gezamenlijke, in Israël gevestigde moedermaatschappijen geen fiscale eenheid kunnen vormen, ook niet samen met die moedermaatschappijen, zonder dat dit het discriminatieverbod van art. 27 lid 4 van het belastingverdrag Nederland-Israël schendt: de topmaatschappij-verruiming van lid 2 werkt dus niet automatisch door naar elk verdragsland. In ECLI:NL:HR:2016:1350 (2016) legde de Hoge Raad het Hof van Justitie van de EU de prejudiciële vraag voor of het weigeren van renteaftrek op grond van art. 10a zich verdraagt met de vrijheid van vestiging, nu die aftrek binnen een fiscale eenheid wel mogelijk zou zijn; deze zaak markeert het begin van de per-elementbenadering die later in lid 16-18 is gecodificeerd.
Verliesverrekening rond voeging en ontvoeging. In ECLI:NL:HR:2021:884 (2021) oordeelde de Hoge Raad dat een voorvoegings-houdsterverlies van de moeder volgens de duidelijke bewoordingen van de samenhangende bepalingen wordt verrekend met de winst van de fiscale eenheid, ook al staat dat op gespannen voet met doel en strekking van die bepalingen; de wettekst kreeg hier voorrang boven een teleologische lezing. ECLI:NL:GHARL:2022:7192 (2022) illustreert hoe zo'n verrekening cijfermatig uitpakt: het hof stelde het te verrekenen voorvoegingsverlies uit 2010 vast op € 302.436 en verminderde het verlies uit 2014 tot € 311.990. ECLI:NL:HR:2026:811 (2026) bevestigt dat de verliesbeperking van art. 20a ook geldt wanneer een verhuurder in het belang van de volkshuisvesting een materiële onderneming drijft en van misbruik geen sprake is: het ontbreken van misbruik ontslaat niet van de toets van art. 20a.
Winstsplitsing en waardering bij overdracht binnen de eenheid. ECLI:NL:HR:2025:1957 (2025) betreft de winstsplitsing van art. 15ah: de Hoge Raad oordeelde dat de overnemende vennootschap ingevolge art. 15ah lid 2 onderdeel a verplicht is overgenomen goodwill te activeren tegen de waarde in het economische verkeer en daarop af te schrijven bij de toepassing van art. 15ae. ECLI:NL:HR:2015:3369 (2015) oordeelde dat bij ontvoeging van een dochter via een beursgang de storting op de nieuw uitgegeven aandelen tot het beginvermogen van de dochter behoort, zodat de destijds geldende thin-capcorrectie van art. 10d ten onrechte was toegepast. ECLI:NL:GHAMS:2022:1902 (2022) laat zien dat een beroep op herwaardering (of juist afwaardering) bij ontvoeging op grond van art. 15ai moet worden onderbouwd met een aannemelijk gemaakte waardevermindering; bij gebreke daarvan blijft de gestelde afwaardering buiten aanmerking.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Het bezitsvereiste van art. 15 lid 1 kent vier elementen die tegelijk vervuld moeten zijn (juridische én economische eigendom, stemrecht, winst- en vermogensrecht); certificering van aandelen sluit een fiscale eenheid, blijkens ECLI:NL:HR:2010:BK3803, niet uit zolang de moedermaatschappij het stemrecht via bindende instructies volledig beheerst.
- Bij overname of reorganisatie is van belang of overdrachten binnen de groep onder de termijnen van art. 15ai lid 3 vallen; ontvoeging binnen drie kalenderjaren na een aandelenruil of binnen zes kalenderjaren na een gewone overdracht leidt tot herwaarderen op waarde in het economische verkeer, tenzij normale bedrijfsuitoefening van toepassing is.
- Bij voeging en ontvoeging is bepalend welk deel van winst en verlies aan welke maatschappij toerekenbaar is; de tekstuele lezing van de verliesverrekeningsregels kan, zoals in ECLI:NL:HR:2021:884, afwijken van wat op basis van doel en strekking verwacht zou worden.
- Winstsplitsing op grond van art. 15ah vergt een aparte administratie van de aan elke maatschappij toerekenbare winst, met name bij afschrijving op eerder binnen de groep overgedragen activa: het verschil tussen de afschrijving op basis van de waarde in het economische verkeer en de afschrijving die bij de fiscale eenheid als geheel tot uitdrukking komt, blijft anders onopgemerkt tot aan ontvoeging.
- Bij internationale concernstructuren is de vestigingseis van art. 15 lid 4 onderdeel c bepalend: is een van de betrokken belastingplichtigen niet in Nederland gevestigd en wordt evenmin aan de voorwaarden van lid 8 voldaan, dan staat dat voeging in de weg. Zo konden in ECLI:NL:HR:2017:3128 in Nederland gevestigde zustermaatschappijen met een gezamenlijke, in Israël gevestigde moedermaatschappij geen fiscale eenheid vormen.
- Een liquidatieverlies op een deelneming die bij voeging al (nagenoeg) was gestaakt, verdampt niet, maar wordt begrensd op € 1.000.000 vermeerderd met 50% van de winst daarboven en pas in latere of eerdere jaren verrekend; dat kan de facto tot langdurig voortgewentelde liquidatieverliezen leiden.
- De per-elementbenadering van lid 16-18 betekent dat renteaftrekbeperking (art. 10a), bepaalde deelnemingsvoorschriften, de earningsstrippingmaatregel en de verliesbeperking van art. 20a binnen een fiscale eenheid niet zonder meer buiten werking blijven: deze bepalingen worden voor de genoemde toetsen toegepast alsof de fiscale eenheid niet bestond.
Recente ontwikkelingen
Kennisgroepstandpunt KG:011:2025:4 (18 februari 2025) bevestigt dat een verlies van de fiscale eenheid dat toerekenbaar is aan een dochtermaatschappij waarop art. 20a Wet VPB 1969 is toegepast, verrekend kan worden met de gehele toekomstige winst van de fiscale eenheid, maar alleen voor zover die maatschappij op enkelvoudig niveau voldoet aan de beleggingstoets van art. 20a lid 6 Wet VPB 1969. ECLI:NL:HR:2026:811 (2026) bevestigt in lijn daarmee dat de verliesbeperking van art. 20a onverkort geldt, ook zonder misbruik, bij een verhuurder met een materiële onderneming in de volkshuisvesting. Het Verzamelbesluit fiscale eenheid (Besluit BWBR0049622) actualiseert het beleid rond art. 15 e.v., onder meer op het punt van winstsplitsing en de samenloop met art. 10a.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
103 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2023:1675 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat een beschikking fiscale eenheid geen formele rechtskracht heeft en een fiscale eenheid niet ontstaat als niet aan de vereisten van art. 15 Wet Vpb 1969 is voldaan, al kan de inspecteur via het vertrouwensbeginsel toch gebonden zijn.
-
ECLI:NL:HR:2015:962 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat geen fiscale eenheid tot stand is gekomen tussen belanghebbende en haar dochtermaatschappij, omdat het economische belang in de aandelen van de dochter vanaf de oprichting bij een derde berustte in plaats van bij de moedermaatschappij (art. 15, lid 1, Wet Vpb 1969).
-
ECLI:NL:HR:2018:1968 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969 buiten toepassing blijft, omdat renteaftrek op een lening voor kapitaalstorting in een buitenlandse dochter werd geweigerd terwijl dit bij een binnenlandse dochter wel mogelijk was.
-
ECLI:NL:HR:2015:3369 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat bij ontvoeging van een dochter uit een fiscale eenheid door een beursgang, de storting op de nieuw uitgegeven aandelen tot het beginvermogen van de dochter behoort, zodat de correctie op grond van art. 10d Wet Vpb ten onrechte is toegepast.
-
ECLI:NL:HR:2017:3128 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat in Nederland gevestigde zustermaatschappijen met gezamenlijke, in Israël gevestigde moedermaatschappijen geen fiscale eenheid kunnen vormen, ook niet samen met die moedermaatschappijen, zonder dat dit het discriminatieverbod van artikel 27, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland-Israël schendt.
-
ECLI:NL:GHARL:2022:7192 (2022)
Het Hof oordeelt over de verrekening van voorvoegingsverliezen binnen een fiscale eenheid vennootschapsbelasting en wijzigt de verliesverrekeningsbeschikking 2015 zodanig dat het te verrekenen verlies uit 2010 wordt vastgesteld op € 302.436 en het verlies uit 2014 wordt verminderd tot € 311.990.
-
ECLI:NL:HR:2025:1957 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat de overnemende vennootschap ingevolge art. 15ah, lid 2, letter a, Wet Vpb 1969 verplicht is overgenomen goodwill te activeren tegen de waarde in het economische verkeer en hierop af te schrijven bij de winstsplitsing van art. 15ae Wet Vpb 1969.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:723 (2024)
De zaak betreft aanslagen vennootschapsbelasting 2011 tot en met 2015 en de toepassing van de faciliteit tijdelijke willekeurige afschrijving (art. 3.34 Wet IB 2001), mede in samenhang met een van rechtswege verbroken fiscale eenheid en een beroep op het verschoningsrecht.
-
ECLI:NL:HR:2010:BK3803 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat certificering van de aandelen in de dochtermaatschappij meebrengt dat niet is voldaan aan het vereiste van juridische eigendom voor een fiscale eenheid ex artikel 15 Wet Vpb 1969; verwijzing volgt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2014:5186 (2014)
Het hof oordeelt dat het weigeren van een fiscale eenheid tussen binnenlandse zuster- of dochtervennootschappen met een in een andere EU-lidstaat gevestigde moeder een verboden beperking van de vrijheid van vestiging vormt, nu fiscale coherentie hier geen rechtvaardiging biedt.
Beleid en standpunten
76 bronnen in de kennisbank-
Kamerstuk 34323 nr. 7
Amendementen verduidelijken fiscale eenheid voorwaarden voor gerelateerde vennootschappen en topmaatschappijveranderingen.
-
KG:011:2025:4 (2025)
Standpunt: Verliezen van een fiscale eenheid kunnen bij artikel 20a Wet Vpb 1969 worden verrekend met de gehele toekomstige winst van de fiscale eenheid, ook indien het verlies geheel aan een dochtermaatschappij is toerekenbaar.
-
KG:032:2025:3 (2025)
Standpunt: Bij winstsplitsing in fiscale eenheid kunnen voorvoegingsverliezen tegen winstdelen worden verrekend ondanks voortgewentelde 15b-rente, mits winstdelen werkelijk worden bepaald.
-
KG:032:2024:1 (2024)
Standpunt: Bij ontvoeging deelneming uit fiscale eenheid kan op grond van artikel 15ai verlies worden genomen voor negatieve stille reserves zonder voorafgaande afwaardering.
-
KG:032:2023:5 (2023)
Standpunt: Onder toepassing van hardheidsclausule artikel 63 AWR kan afwaardering schuld bij demerger buiten beschouwing blijven voor zover waardedaling corresponderende vordering onmiddellijk voorafgaande ontstond.
-
Kamerstuk 34323 nr. 10
Tweede nota van wijziging regelt verdere bepalingen fiscale eenheid-vennootschapsbelasting over schuldenaar-verliezen en waardeverminderde schuldvorderingen.
-
Besluit BWBR0049622
Beleid inzake fiscale eenheid vennootschapsbelasting; actualisering artikel 15 e.v. Wet Vpb 1969 met samenvoeging winstsplitsing en artikel 10a.
-
Kamerstuk 34323 nr. 6
Reactie kabinet op vragen fracties bij wetsvoorstel aanpassing fiscale eenheid, met beantwoording van bevragingen over diverse praktijksituaties en EU-rechtsaspecten.
-
Kamerstuk 35572 nr. 12
Artikel 10a lid 8 en artikel 15ab lid 3 Wet Vpb 1969 aangepast: schuld geen winstvermindering, liquidatieverlies beperkt € 1 mln + 50% winst verrekening.
-
Kamerstuk 34323 nr. 3
Memorie van toelichting op wijzigingen fiscale eenheid naar aanleiding van HvJ EU-uitspraken (zaken C-39/13, C-41/13), voor situaties Nederlands moederbedrijf met buitenlandse dochter.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.