Vennootschapsbelasting

Verliesverrekening

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Verliesverrekening is het mechanisme waarmee een negatief fiscaal resultaat in het ene jaar wordt afgezet tegen positieve resultaten in een ander jaar. De regeling bestaat omdat een onderneming in werkelijkheid over een reeks van jaren wordt belast, niet uitsluitend over de jaren waarin toevallig winst is behaald: zonder verliesverrekening zou een bedrijf met een verliesjaar gevolgd door een winstjaar zwaarder worden belast dan een bedrijf met twee jaren gemiddelde winst, terwijl het totale resultaat over de periode gelijk is. Voor de vennootschapsbelasting is dit geregeld in art. 20 Wet VPB 1969, voor de inkomstenbelasting (box 1) in art. 3.150 Wet IB 2001. Naast het recht op verrekening bestaat een afzonderlijke antimisbruikbepaling, art. 20a Wet VPB 1969, die voorwaartse verrekening blokkeert wanneer een vennootschap met verliezen van eigenaar wisselt en vervolgens als lege huls wordt gebruikt om andermans winst mee te compenseren ("handel in verlieslichamen").

Verliesverrekening speelt zowel als zelfstandig aandachtspunt bij de aangifte, als in de aanloop naar of tijdens transacties, waar de vraag of verliezen bewaard blijven vaak medebepalend is voor waarde en structurering van een deal.

Wanneer speelt dit

Het thema speelt onder meer bij: het bepalen van de verrekenbare winst in de aangifte VPB of IB wanneer een voorgaand jaar of eerdere jaren verlieslatend waren; overnames, aandelenoverdrachten of andere wijzigingen in het aandeelhoudersbestand van een vennootschap met openstaande verliezen; het voegen of ontvoegen van een fiscale eenheid waarbij voorvoegingsverliezen in beeld komen; juridische fusies waarbij een verlieslatende of verliesgevende partij betrokken is; bedrijfsopvolging krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht bij een vennootschap met onverrekende verliezen; en de overgang van of naar de status van fiscale beleggingsinstelling, die de verliezenkring van vóór en na de statusperiode volledig scheidt.

Hoe werkt de regeling

Wie of wat kwalificeert. Een verlies ontstaat zodra de berekening van de belastbare winst (VPB) of het inkomen uit werk en woning (IB box 1) op een negatief bedrag uitkomt (art. 20 lid 1 Wet VPB 1969). Voor de VPB geldt bovendien dat het verlies pas verrekenbaar is nadat de inspecteur het heeft vastgesteld bij een voor bezwaar vatbare beschikking, de verliesvaststellingsbeschikking (art. 20 lid 2). Tegen die beschikking staat bezwaar en beroep open volgens de gewone regels.

Wat het gevolg is van toepassing. Een verrekenbaar verlies vermindert de belastbare winst (of het inkomen) van het jaar waarmee het wordt verrekend, tot maximaal het bedrag van dat verlies en binnen de hierna genoemde grenzen. Boven de franchie in de VPB blijft een deel van het verlies staan en schuift het door naar een later jaar; in de IB vervalt een na de verrekeningstermijn nog onverrekend restant definitief.

Bedragen, percentages en termijnen.

OnderwerpGrens of termijnGeldend sindsVindplaats
Franchise voorwaartse en achterwaartse verrekening VPB€ 1.000.000 volledig verrekenbaar; boven dat bedrag nog 50% van het restant van de winst1 januari 2022art. 20 lid 2 Wet VPB 1969
Achterwaartse verliesverrekening VPB1 jaar terugart. 20 lid 2 Wet VPB 1969
Voorwaartse verliesverrekening VPBonbeperkt in tijd (alleen begrensd in bedrag)art. 20 lid 2 Wet VPB 1969
Verlengde achterwaartse termijn bij gemoedsbezwaren tegen volksverzekeringen (VPB)3 jaar in plaats van 1 jaar, voor verlies toerekenbaar aan normaliter verzekerde schadeart. 20 lid 5 en 6 Wet VPB 1969
Verliesverrekening box 1 (IB)3 jaar terug en 9 jaar vooruit1 januari 2015art. 3.150 lid 1 Wet IB 2001
Verlengde termijn bij gemoedsbezwaren (IB, ondernemingsverliezen)8 jaar in plaats van 3 jaar terugart. 3.150 lid 3 en 4 Wet IB 2001
Minimumbelang voor de uitzondering "reeds bestaande belanghebber"ten minste 1/3 deel van het uiteindelijke belang bij het begin van het oudste jaarart. 20a lid 2 onderdeel b Wet VPB 1969
Beleggingstoets: minimale duur "niet grotendeels belegd"ten minste 9 maanden van het jaarart. 20a lid 4, 6 en 9 Wet VPB 1969
Toegestane afname van de werkzaamheden rond de belangwijzigingniet verder dan tot 30% van de omvang bij het begin van het oudste jaarart. 20a lid 4 onderdeel a Wet VPB 1969
Voornemenstermijn voor verdere afbouw van werkzaamheden na de wijziging3 jaarart. 20a lid 4 onderdeel b Wet VPB 1969

Procedure. Verliesverrekening in de VPB loopt via de aangifte en de verliesvaststellingsbeschikking van de inspecteur (art. 20 lid 2); zonder die beschikking is een verlies niet verrekenbaar, ook niet als het materieel is geleden. Wie vooraf zekerheid wil over de gevolgen van een belangwijziging, kan de inspecteur om een voor bezwaar vatbare beschikking vragen over vijf deelvragen: is sprake van een belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang, bestonden de bezittingen in het verliesjaar niet grotendeels uit beleggingen, is aan de 30%-voorwaarden van lid 4 voldaan, zijn de werkzaamheden gestaakt in de zin van lid 9, en geldt dat laatste ook voor het jaar van achterwaartse verrekening (art. 20a lid 10). Verrekening zelf is niet naar keuze: zij vindt automatisch plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de winsten zijn behaald (art. 20 lid 4; art. 3.150 lid 5 Wet IB 2001).

Reikwijdte: wat valt eronder, wat niet. Binnen de kring van dezelfde belastingplichtige is verliesverrekening de hoofdregel; drie categorieën vallen daarbuiten. Verliezen van vóór en na een periode als fiscale beleggingsinstelling zijn volledig van elkaar afgeschermd (art. 20 lid 3). Verliezen van vóór een belangrijke aandeelhouderswisseling zijn uitgesloten wanneer aan de voorwaarden van art. 20a is voldaan (zie hierna). En het deel van een verlies dat bij de aandeelhoudersfictie van art. 14c lid 3 Wet VPB 1969 wordt toegerekend aan de voortzettende aandeelhouder, is uitsluitend verrekenbaar met winst uit de voortgezette onderneming (art. 3.150 lid 7 Wet IB 2001). Verlies uit werk en woning in het buitenland telt in de IB gewoon mee voor de driejaars-/negenjaarstermijn (art. 3.150 lid 2, verwijzend naar art. 7.2 lid 4 Wet IB 2001).

Wettelijk kader

Art. 20 Wet VPB 1969 is de hoofdregel. Lid 1 definieert een negatieve uitkomst van de belastbare winst als verlies. Lid 2 koppelt de verrekening aan de verliesvaststellingsbeschikking van de inspecteur en stelt de franchise van € 1.000.000 met een 50%-verrekening van het meerdere; voorwaarts is de verrekening in tijd onbeperkt, achterwaarts tot één jaar. Lid 3 trekt een harde grens rond een statusperiode als beleggingsinstelling: verliezen van binnen en buiten die periode worden nooit met elkaar verrekend. Lid 4 schrijft de verrekeningsvolgorde voor (eerst ontstaan, eerst verrekend). Lid 5 en 6, in het huidige dossier tot dusver onbesproken, verlengen de achterwaartse termijn tot drie jaar voor belastingplichtigen met ontheffing wegens gemoedsbezwaren tegen de volksverzekeringen, voor zover het verlies is toe te rekenen aan schade die vergelijkbare belastingplichtigen plegen te verzekeren: de gedachte is dat wie uit gemoedsbezwaren geen verzekering afsluit, fiscaal niet slechter af mag zijn dan wie dat wel doet.

Art. 20a Wet VPB 1969 is de antimisbruikbepaling tegen handel in verlieslichamen. Lid 1 sluit voorwaartse verrekening van oudere verliezen uit zodra het uiteindelijke belang in de belastingplichtige "in belangrijke mate" is gewijzigd, met een gesplitste winstberekening voor en na het wijzigingsmoment in het overgangsjaar. Lid 2 zondert twee situaties uit waarin een belangwijziging normaal en niet-fiscaal gedreven is: overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht, en uitbreiding van het belang door iemand die al ten minste een derde had. Lid 3 laat de hoofdregel buiten toepassing bij een voor de belastingplichtige onbekende of onkenbare, gebruikelijke wijziging. Lid 4 vormt de kern van de "reële bedrijfsuitoefening"-uitzondering: geen uitsluiting als de bezittingen in het verliesjaar niet grotendeels uit beleggingen bestonden én de werkzaamheden rond de wijziging niet zijn afgebouwd tot onder 30% van de oorspronkelijke omvang, mits ook geen voornemen bestaat dat binnen drie jaar alsnog te doen. De leden 5 tot en met 7 verfijnen die 30%-toets: nieuw gestarte werkzaamheden tellen niet mee (lid 5), een aldus vrijgesteld verlies blijft alleen verrekenbaar met winst van eveneens niet-beleggingsjaren (lid 6), en het referentiejaar verschuift naar het jaar met de grootste omvang wanneer de omvangrijkste activiteit pas kort tevoren is aangevangen of verworven (lid 7). Lid 8 definieert beleggingen, met inbegrip van liquide middelen en bepaalde verhuurde onroerende zaken, en zondert werkzaamheden uit die noodzakelijkerwijs meebrengen dat aan de belastingplichtige toevertrouwde (niet-eigen) gelden worden belegd. Lid 9 breidt de hele toets overeenkomstig uit naar achterwaartse verliesverrekening. Lid 10 opent de mogelijkheid vooraf zekerheid te vragen over vijf deelvragen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Lid 11 en 12 verzachten de uitsluiting: gedeeltelijke voorwaartse verrekening blijft mogelijk voor winst uit al vóór de wijziging bestaande werkzaamheden (lid 11), en wie definitief verrekeningsmogelijkheden verliest, mag onmiddellijk daarvoor een herinvesteringsreserve vormen en zijn bezittingen opwaarderen tot de waarde in het economische verkeer (lid 12).

Art. 3.150 Wet IB 2001 regelt verliesverrekening in box 1. Lid 1 stelt de termijn van drie jaar terug en negen jaar vooruit. Lid 2 rekent buitenlands verlies uit werk en woning in de zin van art. 7.2 lid 4 Wet IB 2001 mee. Lid 3 en 4 verlengen de achterwaartse termijn tot acht jaar voor ondernemingsverliezen toe te rekenen aan normaliter verzekerde schade, bij gemoedsbezwaren tegen de volksverzekeringen — het IB-spiegelbeeld van art. 20 lid 5 en 6 Wet VPB 1969. Lid 5 schrijft, net als in de VPB, de verrekeningsvolgorde voor. Lid 6 regelt de overgang van een niet met de partner verrekenbaar gebleven verlies naar de partner bij overlijden van de belastingplichtige, mits beiden op dat moment binnenlands of kwalificerend buitenlands belastingplichtig waren. Lid 7 wijst het verlies dat bij toepassing van art. 14c lid 3 Wet VPB 1969 wordt toegerekend aan de voortzettende aandeelhouder, uitsluitend toe aan verrekening met winst uit de voortgezette onderneming.

Belangrijkste rechtspraak

De belangwijzigingstoets van art. 20a zelf. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2026:811 (2026) dat art. 20a Wet VPB de verliesverrekening ook beperkt wanneer een verhuurder in het belang van de volkshuisvesting een materiële onderneming drijft en van misbruik geen sprake is: het artikel werkt dus objectief, los van een concreet misbruikoogmerk. Gerechtshof Amsterdam overwoog in ECLI:NL:GHAMS:2023:1382 (2023) dat de beperking van art. 20a blijkens de wetsgeschiedenis ook geldt voor latente, nog niet formeel vastgestelde verliezen die ten tijde van de belangenwijziging al aanwezig waren; een beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

Doorwerking bij een fiscale eenheid. In ECLI:NL:HR:2021:884 (2021) oordeelde de Hoge Raad dat een voorvoegings-houdsterverlies van de moedermaatschappij, volgens de duidelijke bewoordingen van de samenhangende bepalingen, wordt verrekend met de winst van de fiscale eenheid als geheel, ook al staat dat op gespannen voet met doel en strekking van die bepalingen. Eerder al oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2015:1779 (2015) dat het jaarbegrip van art. 7 lid 4 Wet VPB 1969 doorwerkt naar de verliesverrekening van art. 20: het deel van een boekjaar waarin een belastingplichtige geen deel uitmaakt van een fiscale eenheid geldt als een afzonderlijk jaar. Deze twee zaken raken in het bijzonder het voegen en ontvoegen van een fiscale eenheid met openstaande voorvoegingsverliezen.

De oudere houdster- en financieringsverliezenregeling. Een inmiddels vervallen tekst van art. 20 Wet VPB 1969 beperkte de verrekenbaarheid van verliezen van een houdster- of financieringsvennootschap tot winst uit soortgelijke activiteiten. De Hoge Raad oordeelde daarover in ECLI:NL:HR:2011:BN3537 (2011) dat de beperking niet in strijd is met de EU-vestigingsvrijheid en ook geldt voor belastingplichtigen met zowel houdster- als financieringsactiviteiten, met inbegrip van werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd. In ECLI:NL:HR:2014:2680 (2014) besliste de Hoge Raad dat voor de temporele eis van die regeling alleen de periode telt waarin een deelneming daadwerkelijk wordt gehouden; een verwervingsperiode telt niet mee, ook niet als in die periode al verwervingswerkzaamheden zijn verricht. Deze lijn vormt de achtergrond van de latere fusie-casus: in ECLI:NL:HR:2023:1579 (2023) besliste de Hoge Raad dat een voorfusie-houdster- en financieringsverlies niet verrekenbaar is met nafusiewinst wanneer de belastingplichtige door de juridische fusie de status van houdster- en financieringsvennootschap verliest, ook niet voor zover die winst aan houdsteractiviteiten van de verkrijgende rechtspersoon is toe te rekenen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Zonder verliesvaststellingsbeschikking is een VPB-verlies niet verrekenbaar, ongeacht of het materieel is geleden; de beschikking zelf en tijdig bezwaar en beroep daartegen zijn een zelfstandig aandachtspunt naast de inhoudelijke verliesberekening.
  • Het oordeel of het uiteindelijke belang "in belangrijke mate" is gewijzigd (art. 20a lid 1) werkt objectief, dus ook bij een verhuurder die een materiële onderneming drijft zonder enig misbruikoogmerk.
  • Bij de uitzonderingen van art. 20a lid 2 en de 30%-werkzaamhedentoets van lid 4 telt of aan alle cumulatieve voorwaarden is voldaan, niet aan één ervan; ook latente, nog niet formeel vastgestelde verliezen vallen onder de beperking als de wijziging zich vóór vaststelling voordoet.
  • Bij een fiscale eenheid bepaalt de tekst van de samenhangende bepalingen, niet de veronderstelde ratio ervan, hoe voorvoegingsverliezen zich verhouden tot de winst van de eenheid als geheel; hetzelfde jaarbegrip splitst een boekjaar rond voeging of ontvoeging in afzonderlijke verrekeningsjaren.
  • Bij een juridische fusie is van belang of de betrokken vennootschap haar houdster- of financieringskarakter behoudt: verliest zij dat, dan kan het voorfusieverlies zijn verrekenbaarheid met nafusiewinst verliezen, ook voor zover die winst aan houdsteractiviteiten is toe te rekenen.
  • De franchise van € 1.000.000 werkt per jaar, niet cumulatief: het deel van een verlies dat de franchie in één jaar overschrijdt, schuift automatisch door, met een nieuwe berekening van de franchie in het volgende jaar.

Recente ontwikkelingen

De Belastingdienst-kennisgroepen publiceerden van 2022 tot 2025 diverse standpunten over de toepassing van art. 20a, waaronder de samenloop met erfopvolging, de kwalificatie van groepsvorderingen en herontwikkelde onroerende zaken onder de beleggingstoets, en de doorwerking bij een fiscale eenheid na de spoedreparatiemaatregel van art. 15 leden 16 en 17 Wet VPB 1969.

In KG:011:2023:10 (2023) oordeelt een kennisgroep dat de verdeling van een nalatenschap waarbij aandelen aan één erfgenaam worden toegescheiden, geldt als een overgang krachtens erfrecht: art. 20a lid 1 staat verliesverrekening dan niet in de weg. Dit raakt in het bijzonder bedrijfsopvolging na overlijden. Aansluitend verduidelijkt KG:011:2025:6 (2025) dat de uitzondering van art. 20a lid 2 onderdeel b (uitbreiding van het belang door iemand die al ten minste een derde had) ook geldt voor aandelen die eerder krachtens erfrecht zijn verkregen, ook wanneer een mede-erfgenaam die aandelen later koopt.

Volgens KG:011:2025:8 (2025) kwalificeren groepsvorderingen die dienen ter financiering van de onderneming niet als belegging onder de beleggingstoets van art. 20a; KG:011:2022:16 (2022) oordeelt in tegengestelde richting dat onroerende zaken die in herontwikkeling zijn en bestemd zijn voor langdurige verhuur aan derden wél als belegging kwalificeren, ook tijdens de herontwikkelingsfase. KG:011:2023:11 (2023) verduidelijkt dat de bepalingen over het uiteindelijke belang van art. 20a lid 2 onderdeel b ook van toepassing zijn wanneer een coöperatie als commanditaire vennoot in een open CV participeert.

Voor de fiscale eenheid oordeelt KG:011:2025:4 (2025) dat verliezen van een fiscale eenheid bij toepassing van art. 20a kunnen worden verrekend met de gehele toekomstige winst van de eenheid, ook als het verlies volledig aan één dochtermaatschappij is toe te rekenen. KG:011:2025:5 (2025) behandelt de samenloop van een 20a-belangwijziging met een daaropvolgende juridische fusie waarbij de 20a-vennootschap verdwijnt: met een beroep op de hardheidsclausule van art. 63 AWR kan negatieve winst uit de periode tussen belangwijziging en fusie alsnog in aftrek komen bij de verkrijgende rechtspersoon, met een overeenkomstige winstsplitsing.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 66 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.