Vennootschapsbelasting
Verliesverrekening
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Verliesverrekening is het mechanisme waarmee een negatief fiscaal resultaat in het ene jaar wordt afgezet tegen positieve resultaten in een ander jaar. De regeling bestaat omdat een onderneming in werkelijkheid over een reeks van jaren wordt belast, niet uitsluitend over de jaren waarin toevallig winst is behaald: zonder verliesverrekening zou een bedrijf met een verliesjaar gevolgd door een winstjaar zwaarder worden belast dan een bedrijf met twee jaren gemiddelde winst, terwijl het totale resultaat over de periode gelijk is. Voor de vennootschapsbelasting is dit geregeld in art. 20 Wet VPB 1969, voor de inkomstenbelasting (box 1) in art. 3.150 Wet IB 2001. Naast het recht op verrekening bestaat een afzonderlijke antimisbruikbepaling, art. 20a Wet VPB 1969, die voorwaartse verrekening blokkeert wanneer een vennootschap met verliezen van eigenaar wisselt en vervolgens als lege huls wordt gebruikt om andermans winst mee te compenseren ("handel in verlieslichamen").
Verliesverrekening speelt zowel als zelfstandig aandachtspunt bij de aangifte, als in de aanloop naar of tijdens transacties, waar de vraag of verliezen bewaard blijven vaak medebepalend is voor waarde en structurering van een deal.
Wanneer speelt dit
Het thema speelt onder meer bij: het bepalen van de verrekenbare winst in de aangifte VPB of IB wanneer een voorgaand jaar of eerdere jaren verlieslatend waren; overnames, aandelenoverdrachten of andere wijzigingen in het aandeelhoudersbestand van een vennootschap met openstaande verliezen; het voegen of ontvoegen van een fiscale eenheid waarbij voorvoegingsverliezen in beeld komen; juridische fusies waarbij een verlieslatende of verliesgevende partij betrokken is; bedrijfsopvolging krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht bij een vennootschap met onverrekende verliezen; en de overgang van of naar de status van fiscale beleggingsinstelling, die de verliezenkring van vóór en na de statusperiode volledig scheidt.
Hoe werkt de regeling
Wie of wat kwalificeert. Een verlies ontstaat zodra de berekening van de belastbare winst (VPB) of het inkomen uit werk en woning (IB box 1) op een negatief bedrag uitkomt (art. 20 lid 1 Wet VPB 1969). Voor de VPB geldt bovendien dat het verlies pas verrekenbaar is nadat de inspecteur het heeft vastgesteld bij een voor bezwaar vatbare beschikking, de verliesvaststellingsbeschikking (art. 20 lid 2). Tegen die beschikking staat bezwaar en beroep open volgens de gewone regels.
Wat het gevolg is van toepassing. Een verrekenbaar verlies vermindert de belastbare winst (of het inkomen) van het jaar waarmee het wordt verrekend, tot maximaal het bedrag van dat verlies en binnen de hierna genoemde grenzen. Boven de franchie in de VPB blijft een deel van het verlies staan en schuift het door naar een later jaar; in de IB vervalt een na de verrekeningstermijn nog onverrekend restant definitief.
Bedragen, percentages en termijnen.
| Onderwerp | Grens of termijn | Geldend sinds | Vindplaats |
|---|---|---|---|
| Franchise voorwaartse en achterwaartse verrekening VPB | € 1.000.000 volledig verrekenbaar; boven dat bedrag nog 50% van het restant van de winst | 1 januari 2022 | art. 20 lid 2 Wet VPB 1969 |
| Achterwaartse verliesverrekening VPB | 1 jaar terug | – | art. 20 lid 2 Wet VPB 1969 |
| Voorwaartse verliesverrekening VPB | onbeperkt in tijd (alleen begrensd in bedrag) | – | art. 20 lid 2 Wet VPB 1969 |
| Verlengde achterwaartse termijn bij gemoedsbezwaren tegen volksverzekeringen (VPB) | 3 jaar in plaats van 1 jaar, voor verlies toerekenbaar aan normaliter verzekerde schade | – | art. 20 lid 5 en 6 Wet VPB 1969 |
| Verliesverrekening box 1 (IB) | 3 jaar terug en 9 jaar vooruit | 1 januari 2015 | art. 3.150 lid 1 Wet IB 2001 |
| Verlengde termijn bij gemoedsbezwaren (IB, ondernemingsverliezen) | 8 jaar in plaats van 3 jaar terug | – | art. 3.150 lid 3 en 4 Wet IB 2001 |
| Minimumbelang voor de uitzondering "reeds bestaande belanghebber" | ten minste 1/3 deel van het uiteindelijke belang bij het begin van het oudste jaar | – | art. 20a lid 2 onderdeel b Wet VPB 1969 |
| Beleggingstoets: minimale duur "niet grotendeels belegd" | ten minste 9 maanden van het jaar | – | art. 20a lid 4, 6 en 9 Wet VPB 1969 |
| Toegestane afname van de werkzaamheden rond de belangwijziging | niet verder dan tot 30% van de omvang bij het begin van het oudste jaar | – | art. 20a lid 4 onderdeel a Wet VPB 1969 |
| Voornemenstermijn voor verdere afbouw van werkzaamheden na de wijziging | 3 jaar | – | art. 20a lid 4 onderdeel b Wet VPB 1969 |
Procedure. Verliesverrekening in de VPB loopt via de aangifte en de verliesvaststellingsbeschikking van de inspecteur (art. 20 lid 2); zonder die beschikking is een verlies niet verrekenbaar, ook niet als het materieel is geleden. Wie vooraf zekerheid wil over de gevolgen van een belangwijziging, kan de inspecteur om een voor bezwaar vatbare beschikking vragen over vijf deelvragen: is sprake van een belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang, bestonden de bezittingen in het verliesjaar niet grotendeels uit beleggingen, is aan de 30%-voorwaarden van lid 4 voldaan, zijn de werkzaamheden gestaakt in de zin van lid 9, en geldt dat laatste ook voor het jaar van achterwaartse verrekening (art. 20a lid 10). Verrekening zelf is niet naar keuze: zij vindt automatisch plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de winsten zijn behaald (art. 20 lid 4; art. 3.150 lid 5 Wet IB 2001).
Reikwijdte: wat valt eronder, wat niet. Binnen de kring van dezelfde belastingplichtige is verliesverrekening de hoofdregel; drie categorieën vallen daarbuiten. Verliezen van vóór en na een periode als fiscale beleggingsinstelling zijn volledig van elkaar afgeschermd (art. 20 lid 3). Verliezen van vóór een belangrijke aandeelhouderswisseling zijn uitgesloten wanneer aan de voorwaarden van art. 20a is voldaan (zie hierna). En het deel van een verlies dat bij de aandeelhoudersfictie van art. 14c lid 3 Wet VPB 1969 wordt toegerekend aan de voortzettende aandeelhouder, is uitsluitend verrekenbaar met winst uit de voortgezette onderneming (art. 3.150 lid 7 Wet IB 2001). Verlies uit werk en woning in het buitenland telt in de IB gewoon mee voor de driejaars-/negenjaarstermijn (art. 3.150 lid 2, verwijzend naar art. 7.2 lid 4 Wet IB 2001).
Wettelijk kader
Art. 20 Wet VPB 1969 is de hoofdregel. Lid 1 definieert een negatieve uitkomst van de belastbare winst als verlies. Lid 2 koppelt de verrekening aan de verliesvaststellingsbeschikking van de inspecteur en stelt de franchise van € 1.000.000 met een 50%-verrekening van het meerdere; voorwaarts is de verrekening in tijd onbeperkt, achterwaarts tot één jaar. Lid 3 trekt een harde grens rond een statusperiode als beleggingsinstelling: verliezen van binnen en buiten die periode worden nooit met elkaar verrekend. Lid 4 schrijft de verrekeningsvolgorde voor (eerst ontstaan, eerst verrekend). Lid 5 en 6, in het huidige dossier tot dusver onbesproken, verlengen de achterwaartse termijn tot drie jaar voor belastingplichtigen met ontheffing wegens gemoedsbezwaren tegen de volksverzekeringen, voor zover het verlies is toe te rekenen aan schade die vergelijkbare belastingplichtigen plegen te verzekeren: de gedachte is dat wie uit gemoedsbezwaren geen verzekering afsluit, fiscaal niet slechter af mag zijn dan wie dat wel doet.
Art. 20a Wet VPB 1969 is de antimisbruikbepaling tegen handel in verlieslichamen. Lid 1 sluit voorwaartse verrekening van oudere verliezen uit zodra het uiteindelijke belang in de belastingplichtige "in belangrijke mate" is gewijzigd, met een gesplitste winstberekening voor en na het wijzigingsmoment in het overgangsjaar. Lid 2 zondert twee situaties uit waarin een belangwijziging normaal en niet-fiscaal gedreven is: overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht, en uitbreiding van het belang door iemand die al ten minste een derde had. Lid 3 laat de hoofdregel buiten toepassing bij een voor de belastingplichtige onbekende of onkenbare, gebruikelijke wijziging. Lid 4 vormt de kern van de "reële bedrijfsuitoefening"-uitzondering: geen uitsluiting als de bezittingen in het verliesjaar niet grotendeels uit beleggingen bestonden én de werkzaamheden rond de wijziging niet zijn afgebouwd tot onder 30% van de oorspronkelijke omvang, mits ook geen voornemen bestaat dat binnen drie jaar alsnog te doen. De leden 5 tot en met 7 verfijnen die 30%-toets: nieuw gestarte werkzaamheden tellen niet mee (lid 5), een aldus vrijgesteld verlies blijft alleen verrekenbaar met winst van eveneens niet-beleggingsjaren (lid 6), en het referentiejaar verschuift naar het jaar met de grootste omvang wanneer de omvangrijkste activiteit pas kort tevoren is aangevangen of verworven (lid 7). Lid 8 definieert beleggingen, met inbegrip van liquide middelen en bepaalde verhuurde onroerende zaken, en zondert werkzaamheden uit die noodzakelijkerwijs meebrengen dat aan de belastingplichtige toevertrouwde (niet-eigen) gelden worden belegd. Lid 9 breidt de hele toets overeenkomstig uit naar achterwaartse verliesverrekening. Lid 10 opent de mogelijkheid vooraf zekerheid te vragen over vijf deelvragen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Lid 11 en 12 verzachten de uitsluiting: gedeeltelijke voorwaartse verrekening blijft mogelijk voor winst uit al vóór de wijziging bestaande werkzaamheden (lid 11), en wie definitief verrekeningsmogelijkheden verliest, mag onmiddellijk daarvoor een herinvesteringsreserve vormen en zijn bezittingen opwaarderen tot de waarde in het economische verkeer (lid 12).
Art. 3.150 Wet IB 2001 regelt verliesverrekening in box 1. Lid 1 stelt de termijn van drie jaar terug en negen jaar vooruit. Lid 2 rekent buitenlands verlies uit werk en woning in de zin van art. 7.2 lid 4 Wet IB 2001 mee. Lid 3 en 4 verlengen de achterwaartse termijn tot acht jaar voor ondernemingsverliezen toe te rekenen aan normaliter verzekerde schade, bij gemoedsbezwaren tegen de volksverzekeringen — het IB-spiegelbeeld van art. 20 lid 5 en 6 Wet VPB 1969. Lid 5 schrijft, net als in de VPB, de verrekeningsvolgorde voor. Lid 6 regelt de overgang van een niet met de partner verrekenbaar gebleven verlies naar de partner bij overlijden van de belastingplichtige, mits beiden op dat moment binnenlands of kwalificerend buitenlands belastingplichtig waren. Lid 7 wijst het verlies dat bij toepassing van art. 14c lid 3 Wet VPB 1969 wordt toegerekend aan de voortzettende aandeelhouder, uitsluitend toe aan verrekening met winst uit de voortgezette onderneming.
Belangrijkste rechtspraak
De belangwijzigingstoets van art. 20a zelf. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2026:811 (2026) dat art. 20a Wet VPB de verliesverrekening ook beperkt wanneer een verhuurder in het belang van de volkshuisvesting een materiële onderneming drijft en van misbruik geen sprake is: het artikel werkt dus objectief, los van een concreet misbruikoogmerk. Gerechtshof Amsterdam overwoog in ECLI:NL:GHAMS:2023:1382 (2023) dat de beperking van art. 20a blijkens de wetsgeschiedenis ook geldt voor latente, nog niet formeel vastgestelde verliezen die ten tijde van de belangenwijziging al aanwezig waren; een beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
Doorwerking bij een fiscale eenheid. In ECLI:NL:HR:2021:884 (2021) oordeelde de Hoge Raad dat een voorvoegings-houdsterverlies van de moedermaatschappij, volgens de duidelijke bewoordingen van de samenhangende bepalingen, wordt verrekend met de winst van de fiscale eenheid als geheel, ook al staat dat op gespannen voet met doel en strekking van die bepalingen. Eerder al oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2015:1779 (2015) dat het jaarbegrip van art. 7 lid 4 Wet VPB 1969 doorwerkt naar de verliesverrekening van art. 20: het deel van een boekjaar waarin een belastingplichtige geen deel uitmaakt van een fiscale eenheid geldt als een afzonderlijk jaar. Deze twee zaken raken in het bijzonder het voegen en ontvoegen van een fiscale eenheid met openstaande voorvoegingsverliezen.
De oudere houdster- en financieringsverliezenregeling. Een inmiddels vervallen tekst van art. 20 Wet VPB 1969 beperkte de verrekenbaarheid van verliezen van een houdster- of financieringsvennootschap tot winst uit soortgelijke activiteiten. De Hoge Raad oordeelde daarover in ECLI:NL:HR:2011:BN3537 (2011) dat de beperking niet in strijd is met de EU-vestigingsvrijheid en ook geldt voor belastingplichtigen met zowel houdster- als financieringsactiviteiten, met inbegrip van werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd. In ECLI:NL:HR:2014:2680 (2014) besliste de Hoge Raad dat voor de temporele eis van die regeling alleen de periode telt waarin een deelneming daadwerkelijk wordt gehouden; een verwervingsperiode telt niet mee, ook niet als in die periode al verwervingswerkzaamheden zijn verricht. Deze lijn vormt de achtergrond van de latere fusie-casus: in ECLI:NL:HR:2023:1579 (2023) besliste de Hoge Raad dat een voorfusie-houdster- en financieringsverlies niet verrekenbaar is met nafusiewinst wanneer de belastingplichtige door de juridische fusie de status van houdster- en financieringsvennootschap verliest, ook niet voor zover die winst aan houdsteractiviteiten van de verkrijgende rechtspersoon is toe te rekenen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Zonder verliesvaststellingsbeschikking is een VPB-verlies niet verrekenbaar, ongeacht of het materieel is geleden; de beschikking zelf en tijdig bezwaar en beroep daartegen zijn een zelfstandig aandachtspunt naast de inhoudelijke verliesberekening.
- Het oordeel of het uiteindelijke belang "in belangrijke mate" is gewijzigd (art. 20a lid 1) werkt objectief, dus ook bij een verhuurder die een materiële onderneming drijft zonder enig misbruikoogmerk.
- Bij de uitzonderingen van art. 20a lid 2 en de 30%-werkzaamhedentoets van lid 4 telt of aan alle cumulatieve voorwaarden is voldaan, niet aan één ervan; ook latente, nog niet formeel vastgestelde verliezen vallen onder de beperking als de wijziging zich vóór vaststelling voordoet.
- Bij een fiscale eenheid bepaalt de tekst van de samenhangende bepalingen, niet de veronderstelde ratio ervan, hoe voorvoegingsverliezen zich verhouden tot de winst van de eenheid als geheel; hetzelfde jaarbegrip splitst een boekjaar rond voeging of ontvoeging in afzonderlijke verrekeningsjaren.
- Bij een juridische fusie is van belang of de betrokken vennootschap haar houdster- of financieringskarakter behoudt: verliest zij dat, dan kan het voorfusieverlies zijn verrekenbaarheid met nafusiewinst verliezen, ook voor zover die winst aan houdsteractiviteiten is toe te rekenen.
- De franchise van € 1.000.000 werkt per jaar, niet cumulatief: het deel van een verlies dat de franchie in één jaar overschrijdt, schuift automatisch door, met een nieuwe berekening van de franchie in het volgende jaar.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst-kennisgroepen publiceerden van 2022 tot 2025 diverse standpunten over de toepassing van art. 20a, waaronder de samenloop met erfopvolging, de kwalificatie van groepsvorderingen en herontwikkelde onroerende zaken onder de beleggingstoets, en de doorwerking bij een fiscale eenheid na de spoedreparatiemaatregel van art. 15 leden 16 en 17 Wet VPB 1969.
In KG:011:2023:10 (2023) oordeelt een kennisgroep dat de verdeling van een nalatenschap waarbij aandelen aan één erfgenaam worden toegescheiden, geldt als een overgang krachtens erfrecht: art. 20a lid 1 staat verliesverrekening dan niet in de weg. Dit raakt in het bijzonder bedrijfsopvolging na overlijden. Aansluitend verduidelijkt KG:011:2025:6 (2025) dat de uitzondering van art. 20a lid 2 onderdeel b (uitbreiding van het belang door iemand die al ten minste een derde had) ook geldt voor aandelen die eerder krachtens erfrecht zijn verkregen, ook wanneer een mede-erfgenaam die aandelen later koopt.
Volgens KG:011:2025:8 (2025) kwalificeren groepsvorderingen die dienen ter financiering van de onderneming niet als belegging onder de beleggingstoets van art. 20a; KG:011:2022:16 (2022) oordeelt in tegengestelde richting dat onroerende zaken die in herontwikkeling zijn en bestemd zijn voor langdurige verhuur aan derden wél als belegging kwalificeren, ook tijdens de herontwikkelingsfase. KG:011:2023:11 (2023) verduidelijkt dat de bepalingen over het uiteindelijke belang van art. 20a lid 2 onderdeel b ook van toepassing zijn wanneer een coöperatie als commanditaire vennoot in een open CV participeert.
Voor de fiscale eenheid oordeelt KG:011:2025:4 (2025) dat verliezen van een fiscale eenheid bij toepassing van art. 20a kunnen worden verrekend met de gehele toekomstige winst van de eenheid, ook als het verlies volledig aan één dochtermaatschappij is toe te rekenen. KG:011:2025:5 (2025) behandelt de samenloop van een 20a-belangwijziging met een daaropvolgende juridische fusie waarbij de 20a-vennootschap verdwijnt: met een beroep op de hardheidsclausule van art. 63 AWR kan negatieve winst uit de periode tussen belangwijziging en fusie alsnog in aftrek komen bij de verkrijgende rechtspersoon, met een overeenkomstige winstsplitsing.
Kernartikelen
- Art. 20a Wet VPB 1969
- Art. 20 Wet VPB 1969
- Art. 3.150 Wet IB 2001 — Art. 3.150 Wet IB 2001: Verliesverrekening
Belangrijkste rechtspraak
32 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1382 (2023)
Het Hof oordeelt dat de beperking van verliesverrekening op grond van artikel 20a Wet Vpb 1969 blijkens de wetsgeschiedenis ook geldt voor latente verliezen die ten tijde van de belangenwijziging aanwezig waren, en dat de stelling dat het vertrouwensbeginsel is geschonden feitelijke grondslag mist.
-
ECLI:NL:HR:2026:811 (2026)
De Hoge Raad oordeelt dat art. 20a Wet Vpb de verliesverrekening ook beperkt wanneer een verhuurder in het belang van de volkshuisvesting een materiële onderneming drijft en geen sprake is van misbruik.
-
ECLI:NL:HR:2021:884 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat een voorvoegings-houdsterverlies van de moeder volgens de duidelijke bewoordingen van de samenhangende bepalingen wordt verrekend met de winst van de fiscale eenheid, ook al staat dat op gespannen voet met doel en strekking van die bepalingen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:2323 (2023)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat een controlerapport geen verliesvaststellingsbeschikking is die vertrouwen wekt, dat een hogere pensioenvoorziening niet aannemelijk is en dat de HIR terecht is vrijgevallen omdat de gestelde vastgoedcrisis geen bijzondere omstandigheid is.
-
ECLI:NL:HR:2023:1579 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat een voorfusie-houdster- en financieringsverlies op grond van artikel 20, lid 4, Wet Vpb 1969 niet verrekenbaar is met nafusiewinst, ook niet voor zover die winst toerekenbaar is aan houdsteractiviteiten van de verkrijgende rechtspersoon, wanneer de belastingplichtige door de juridische fusie de status van houdster- en financieringsvennootschap verliest.
-
ECLI:NL:GHDHA:2023:1116 (2023)
Het Hof oordeelt dat houdsterverliezen op grond van artikel 20, lid 4, Wet Vpb 1969 niet met niet-houdsterwinsten kunnen worden verrekend, dat de onherroepelijke verliesvaststellingsbeschikkingen niet ambtshalve worden herzien en dat dit niet onevenredig is.
-
ECLI:NL:PHR:2024:197 (2024)
De zaak betreft of de verliesverrekeningsbeperking van artikel 20a Wet Vpb bij wijziging van het belang in een vennootschap ook geldt voor op dat moment nog latente verliezen die pas nadien worden gerealiseerd, en of HR BNB 2004/218 (onder het oude artikel 20, lid 5, Wet Vpb) daarbij nog opgaat.
-
ECLI:NL:PHR:2023:848 (2023)
De zaak betreft of art. 20a, lid 8 onderdeel a, Wet Vpb 1969 in de weg staat aan verrekening van voorvoegingsverliezen na een belangenwijziging bij een woningcorporatie, nu verhuur van onroerende zaken aan derden als beleggen geldt terwijl de verhuurder stelt materieel een onderneming te drijven.
-
ECLI:NL:HR:2014:2680 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de temporele eis van de houdsterverliesregeling (art. 20 lid 4 Wet Vpb 1969) alleen de periode telt waarin de deelneming wordt gehouden; een periode van verwerving telt niet mee, ook niet bij verwervingswerkzaamheden in die periode.
-
ECLI:NL:HR:2011:BN3537 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat de verliesverrekeningsbeperking van art. 20, lid 4, Wet Vpb 1969 niet in strijd is met art. 43 EG (49 VWEU), en ook geldt voor belastingplichtigen met houdster- én financieringsactiviteiten, inclusief werkzaamheden die zij door derden laten uitvoeren.
Beleid en standpunten
54 bronnen in de kennisbank-
KG:011:2025:6 (2025)
Standpunt: Artikel 20a, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 beperkt de uitsluiting van belangwijzigingen bij erfrecht. Aandelen verkregen door erfrecht behouden hun gunstregime ook na latere aankoop door mede-erfgenaam.
-
KG:011:2025:4 (2025)
Standpunt: Verliezen van een fiscale eenheid kunnen bij artikel 20a Wet Vpb 1969 worden verrekend met de gehele toekomstige winst van de fiscale eenheid, ook indien het verlies geheel aan een dochtermaatschappij is toerekenbaar.
-
KG:011:2025:5 (2025)
Standpunt: Onder toepassing van hardheidsclausule artikel 63 AWR kan negatieve winst tussen belangwijziging en fusie in aftrek bij verkrijgende rechtspersoon met overeenkomstige winstsplitsing.
-
KG:011:2023:7 (2023)
[VERVALLEN]
-
KG:011:2023:11 (2023)
Standpunt: De bepalingen over uiteindelijk belang en verrekening van verliezen in artikel 20a Wet Vpb 1969 zijn van toepassing ook wanneer een coöperatie als commanditair vennoot in een open CV participeert.
-
KG:011:2023:10 (2023)
Standpunt: De verdeling van een nalatenschap waarbij aandelen aan één erfgenaam worden toegescheiden is een erfopvolgingsovergang, zodat artikel 20a eerste lid (verliesverrekening verboden) niet van toepassing is.
-
KG:011:2025:8 (2025)
Standpunt: Groepsvorderingen voor ondernemingsfinanciering kwalificeren niet als belegging onder artikel 20a verliesverrekeningsmaatregel.
-
KG:011:2022:16 (2022)
Standpunt: Onroerende zaken die in herontwikkeling zijn en bestemd voor langdurige verhuur aan derden kwalificeren als beleggingen in de zin van artikel 20a, achtste lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969, ook al bevinden zij zich nog in de herontwikkelingsfase.
-
Besluit BWBR0050219
Dit beleidsbesluit regelt de belastingfaciliteiten bij samenvoeging van gemeenten en de voorwaarden voor winstvrijstelling.
-
Kamerstuk 35572 nr. 12
Artikel 10a lid 8 en artikel 15ab lid 3 Wet Vpb 1969 aangepast: schuld geen winstvermindering, liquidatieverlies beperkt € 1 mln + 50% winst verrekening.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.