Schenk- en erfbelasting

Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) is de voorwaardelijke vrijstelling van schenk- en erfbelasting die geldt bij verkrijging van kwalificerend ondernemingsvermogen in het kader van een bedrijfsopvolging. Het doel van de regeling is te voorkomen dat de heffing van schenk- of erfbelasting de continuïteit van een reële onderneming in gevaar brengt op het moment dat deze van eigenaar wisselt: zonder faciliteit zou een opvolger belasting moeten betalen over vermogen dat in de onderneming vastzit en niet zomaar liquide te maken is.

Flankerend aan de BOR bestaan voor de inkomstenbelasting de doorschuifregelingen (DSR) van art. 4.17a en art. 4.17c Wet IB 2001, die de afrekening over de aanmerkelijkbelangclaim bij vererving respectievelijk schenking van aandelen uitstellen voor zover die claim toerekenbaar is aan ondernemingsvermogen. BOR en DSR worden in de praktijk vrijwel altijd samen beoordeeld, omdat een schenking of vererving van aanmerkelijkbelangaandelen zowel de schenk- of erfbelasting (BOR) als de inkomstenbelasting (DSR) raakt.

De regeling kent een sterk gedetailleerde en casuïstische toepassing: de kwalificatie van vermogen als ondernemingsvermogen, de bezitstermijn van de overdrager en het voortzettingsvereiste van de verkrijger vormen ieder een zelfstandige toets, en falen op één onderdeel leidt tot (gedeeltelijk) verval van de faciliteit. De regeling is bovendien recent en herhaaldelijk aangepast: het percentage van de gedeeltelijke vrijstelling boven de drempel ging per 1 januari 2025 omlaag, de bezitstermijn kent sinds 1 januari 2026 een leeftijdsafhankelijke verlenging, en per dezelfde datum geldt nieuw beleid in het Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026.

Wanneer speelt dit

De BOR en de DSR komen aan de orde bij overdracht van een onderneming of aanmerkelijkbelangaandelen binnen de familie of aan opvolgers, zowel bij overlijden als bij schenking tijdens leven. Het speelt bij zowel de overdracht van de onderneming zelf of een medegerechtigdheid als de overdracht van aandelen in een werkmaatschappij of holding. Het thema is ook relevant bij herstructureringen voorafgaand aan een bedrijfsopvolging, bij holdingstructuren met preferente aandelen of tracking stocks, bij onroerend goed dat aan de eigen onderneming of aan een gelieerd lichaam ter beschikking wordt gesteld, en bij situaties waarin de bezits- of voortzettingstermijn wordt doorbroken door een latere gebeurtenis zoals vervreemding, omzetting in preferente aandelen of staking.

Voorwaarden en werking

Wie en wat kwalificeert

Van een bedrijfsopvolging in de zin van art. 35b lid 5 SW 1956 is pas sprake als aan drie cumulatieve eisen tegelijk is voldaan (niet aan één ervan):

  1. Kwalificerend ondernemingsvermogen (art. 35c SW 1956): een onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB 2001, een medegerechtigdheid als bedoeld in art. 3.3 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001, of aanmerkelijkbelangvermogensbestanddelen mits het lichaam een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt. Bij een medegerechtigdheid (bijvoorbeeld een commanditair belang) geldt bovendien dat deze een rechtstreekse voortzetting moet zijn van een eerder door de erflater of schenker gedreven onderneming, en dat de verkrijger al beherend vennoot is of aandeelhouder van de beherend-vennootvennootschap (art. 35c lid 2 en 3).
  2. Bezitstermijn van de overdrager (art. 35d SW 1956): de erflater moet het ondernemingsbelang gedurende één jaar, de schenker gedurende vijf jaren voorafgaand aan de verkrijging hebben gehouden, zonder dat dit belang in die periode is toegenomen.
  3. Voortzettingsvereiste van de verkrijger (art. 35e SW 1956): gedurende drie jaar na de verkrijging mag geen van de in dat artikel genoemde gebeurtenissen zich voordoen (zie hierna).

Bij schenking komt daar een vierde, zelfstandige eis bij: de verkrijger moet op het verkrijgingsmoment 21 jaar of ouder zijn (art. 35b lid 5 SW 1956). Voor de DSR (art. 4.17a lid 1 en art. 4.17c lid 1 Wet IB 2001) gelden overlappende maar niet identieke eisen: de vennootschap moet een onderneming drijven of een medegerechtigdheid houden, de aandelen mogen bij de erflater of schenker niet reeds tot een fictief aanmerkelijk belang op grond van art. 4.10 Wet IB 2001 behoren, de verkrijger moet binnenlands belastingplichtig zijn en de aandelen mogen bij hem geen ondernemingsvermogen of resultaat-uit-werkzaamheidvermogen worden, en bij een verkrijging krachtens bijzondere titel (bijvoorbeeld een legaat) moet de overgang binnen twee jaar na het overlijden plaatsvinden (art. 4.17a lid 1 onderdeel d). Bij schenking geldt ook voor de DSR de leeftijdseis van 21 jaar (art. 4.17c lid 1 onderdeel d).

Preferente aandelen en tracking stocks

Preferente aandelen (aandelen met voorrang bij winstverdeling of liquidatie-uitkering, art. 35c lid 12 SW 1956) kwalificeren alleen als zij een omzetting vormen van eerder gewoon aandelenbezit, die omzetting gepaard is gegaan met toekenning van gewone aandelen aan een ander, de vennootschap ten tijde van de omzetting al een onderneming dreef, en de verkrijger van de preferente aandelen al voor ten minste 5% van het geplaatst kapitaal aandeelhouder is van de bijbehorende gewone aandelen (art. 35c lid 4 SW 1956, met een gelijkluidende eis in art. 4.17a lid 3). Een bijzonder stemrecht maakt een aandeel op zichzelf niet preferent; beslissend is de winst- of liquidatievoorrang, zoals de kennisgroep in KG:003:2024:11 bevestigt. Bij tracking stocks (aandelen die zijn gekoppeld aan de waarde van een specifiek bedrijfsonderdeel) volgt de toerekening van ondernemingsvermogen bij direct én indirect gehouden tracking stocks de statutaire bepalingen over de gerechtigdheid tot de winst, niet de feitelijke economische verhoudingen (KG:003:2026:5, KG:003:2026:6 en, als algemene lijn, KG:003:2026:7).

Wat de faciliteit oplevert

ElementWaarde (2026)
Vrijstellingsdrempel objectieve onderneming€ 1.543.500
Vrijstellingspercentage tot de drempel100%
Vrijstellingspercentage boven de drempel75% (was 83% tot en met 2024)
Bezitstermijn erflater / schenker1 jaar / 5 jaar (langer bij AOW-koppeling, zie hierna)
Voortzettingstermijn verkrijger3 jaar
Leeftijdseis bij schenking (BOR en DSR)21 jaar of ouder
Uitsluitingsdrempel overtollige bedrijfsmiddelen€ 103.000 per bedrijfsmiddel
Beleggingsmarge binnen DSR-ondernemingsvermogenmaximaal 5% van de waarde van de onderneming
Minimumbelang voor kwalificatie preferente aandelen5% van het geplaatst kapitaal aan gewone aandelen
Aangiftetermijn na doorbreking voortzettingsvereiste8 maanden

Voor het gedeelte van de verkrijging dat niet is vrijgesteld, wordt de daarover verschuldigde belasting op verzoek aangemerkt als geconserveerde waarde (art. 35b lid 2 en 3 SW 1956); voor deze geconserveerde waarde kan uitstel van betaling worden verkregen op grond van artikel 25, twaalfde lid, van de Invorderingswet 1990. Is de onderneming verkregen onder een last of tegen een tegenprestatie, dan wordt die last of tegenprestatie niet op de waarde van het ondernemingsvermogen in mindering gebracht (art. 35b lid 4). Voor de DSR is het gevolg dat de overdracht van de aandelen in zoverre niet als vervreemding geldt: er wordt dan (nog) niet afgerekend over de aanmerkelijkbelangclaim, en die claim gaat mee naar de verkrijger.

Binnen het DSR-ondernemingsvermogen telt naast het echte bedrijfsvermogen ook een beleggingsmarge mee tot ten hoogste 5% van de waarde van de bezittingen en schulden van de onderneming (art. 4.17a lid 6 onderdeel b Wet IB 2001); voor de BOR zelf bestaat een vergelijkbare marge niet expliciet in de aangehaalde bepalingen, zodat het onderscheid tussen beide regelingen op dit punt relevant blijft bij de gecombineerde toets.

Procedure

Het verzoek om de voorwaardelijke vrijstelling en om aanmerking als geconserveerde waarde wordt gelijktijdig met de aangifte schenk- of erfbelasting gedaan (art. 35b lid 7 SW 1956); er is dus geen apart of later moment om de BOR alsnog te claimen. Voor de DSR geldt dat het verzoek door de gezamenlijke belanghebbenden wordt gedaan (art. 4.17a lid 1 en art. 4.17c lid 1 Wet IB 2001): erflater/schenker (of diens erfgenamen) en verkrijger moeten daarover gezamenlijk kiezen. Doet zich binnen de voortzettingstermijn een besmette gebeurtenis voor, dan moet de verkrijger daarvan binnen acht maanden aangifte doen (art. 35e lid 8 SW 1956).

Reikwijdte: wel en niet

Onder ondernemingsvermogen valt: een onderneming of gedeelte daarvan, een kwalificerende medegerechtigdheid, aanmerkelijkbelangvermogen voor zover toerekenbaar aan de onderliggende onderneming, en onder voorwaarden onroerend goed dat dienstbaar is aan een verbonden lichaam (art. 35c lid 1). Bij indirect gehouden belangen worden bezittingen en schulden van een dochtermaatschappij naar evenredigheid toegerekend, mits sprake was van een indirect aanmerkelijk belang, of van een verwaterd belang tussen 0,5% en 5% dat uitsluitend door vererving, huwelijksvermogensrecht of schenking is ontstaan (art. 35c lid 5). Een enkel belang in een ander lichaam is op zichzelf géén ondernemingsvermogen; alleen via deze toerekeningsregel telt het onderliggende vermogen mee (art. 35c lid 6). Verpachting van los land op grond van een schriftelijke pachtovereenkomst die aan de eisen van art. 7:396 lid 1 onderdelen a tot en met c BW voldoet, telt niet mee als een schadelijke terbeschikkingstelling aan een derde (art. 35c lid 9), en woon-werkverkeer met een bedrijfsmiddel geldt niet als privégebruik (art. 35c lid 10).

Uitgesloten blijft (art. 35c lid 7): onroerend goed dat meer dan bijkomstig aan een ander ter beschikking is gesteld (het overlapt met het thema terbeschikkingstellingsregeling), de daarmee samenhangende schulden, bedrijfsmiddelen met een waarde van minimaal € 103.000 die meer dan bijkomstig voor andere dan bedrijfsdoeleinden worden gebruikt (waaronder privégebruik door werknemers), en vermogen dat in wezen een voortzetting is van een eerder tegen een last of tegenprestatie vervreemde onderneming of aandelenpakket, tot maximaal het bedrag van die last of tegenprestatie. Ook een aan een werknemer ter beschikking gestelde woning kwalificeert niet als ondernemingsvermogen bij de DSR, ook niet als de werknemer vanuit die woning toezicht op de onderneming houdt (KG:003:2025:6).

Wettelijk kader

Art. 35b SW 1956 is de kernbepaling: hij verleent op verzoek een voorwaardelijke vrijstelling die gestaffeld is naar de waarde van de objectieve onderneming (lid 1), koppelt het niet-vrijgestelde deel aan de geconserveerde waarde met uitstelmogelijkheid (lid 2 en 3), sluit aftrek van een last of tegenprestatie op de vrijgestelde waarde uit (lid 4), definieert het begrip bedrijfsopvolging als het cumulatieve samenstel van bezitstermijn, voortzettingsvereiste en (bij schenking) leeftijdseis (lid 5), bepaalt dat doorbreking van het voortzettingsvereiste de vrijstelling in zoverre doet vervallen (lid 6), en schrijft voor dat het verzoek gelijktijdig met de aangifte wordt gedaan (lid 7). De invulling van "objectieve onderneming" is gedelegeerd aan ministeriële regeling.

Art. 35c SW 1956 werkt uit wat als ondernemingsvermogen geldt en bevat de belangrijkste afbakeningen: het basisbegrip (lid 1), de aanvullende eisen voor medegerechtigdheden (lid 2 en 3), de voorwaarden waaronder preferente aandelen meetellen (lid 4), de evenredige toerekening bij indirecte belangen inclusief de verwateringsuitzondering voor belangen tussen 0,5% en 5% (lid 5), de uitsluiting van een enkel deelnemingsbelang (lid 6), de kernuitsluitingen voor ter beschikking gesteld vastgoed en overtollige bedrijfsmiddelen (lid 7), uitzonderingen daarop voor bepaalde samenwerkingsverbanden en lichamen waarin al een (indirect) aanmerkelijk belang bestaat (lid 8), de pachtuitzondering (lid 9), de woon-werkverkeeruitzondering (lid 10), een verruimde uitleg van "onroerende zaken" (lid 11), de definitie van preferente aandelen (lid 12), de doorverwijzing naar de aanmerkelijkbelangbepalingen van de Wet IB 2001 (lid 13) en een delegatiebepaling (lid 14).

Art. 35d SW 1956 regelt de bezitstermijn: één jaar voor de erflater, vijf jaar voor de schenker, met dien verstande dat het belang in die periode niet mag zijn toegenomen (lid 1). Sinds 1 januari 2026 wordt de termijn van één jaar voor de erflater met zes maanden verlengd voor elk jaar dat hij op de overlijdensdatum meer dan twee jaar ouder is dan de AOW-leeftijd, en de termijn van vijf jaar voor de schenker met zes maanden voor elk jaar dat hij op het schenkingsmoment meer dan zes jaar ouder is dan de AOW-leeftijd (lid 2 en 3). Lid 4 en 5 bevatten delegatiebepalingen voor gelijkgestelde gevallen en overheidsingrijpen.

Art. 35e SW 1956 regelt het voortzettingsvereiste: geen van de genoemde gebeurtenissen (staken, vervreemden, omzetten in preferente aandelen, beperken van de winst- of waardeaanspraak, of het ophouden van de onderliggende onderneming) mag zich in de drie jaar na verkrijging voordoen (lid 1). Toetreden tot een samenwerkingsverband is alleen schadelijk voor zover de winstgerechtigdheid daardoor verder afneemt dan vóór de verkrijging (lid 2). Het vervreemdingsbegrip van lid 1 onderdeel c wordt uitgebreid met bepaalde ab-vervreemdingsfeiten van art. 4.16 Wet IB 2001 (lid 3), en de eis werkt door naar de gewone aandelen die horen bij eerder verkregen preferente aandelen (lid 4 en 5). Bij doorbreking moet binnen acht maanden aangifte worden gedaan (lid 8).

Op de inkomstenbelasting sluiten art. 4.17a Wet IB 2001 (overgang krachtens erfrecht) en art. 4.17c Wet IB 2001 (overdracht krachtens schenking) aan. Beide bepalen dat de overgang of overdracht van aanmerkelijkbelangaandelen op gezamenlijk verzoek niet als vervreemding geldt voor het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan ondernemingsvermogen (lid 1 en 2), met vergelijkbare kwalificatie-eisen aan preferente aandelen als in art. 35c lid 4 SW 1956 (lid 3). Art. 4.17a bakent het eigen DSR-ondernemingsvermogenbegrip af, inclusief de beleggingsmarge van 5% (lid 6) en materieel dezelfde uitsluitingen als art. 35c lid 7 SW 1956 voor ter beschikking gesteld vastgoed en overtollige bedrijfsmiddelen (lid 7 en 8), met een aparte regeling voor bepaalde vóór 2010 ontstane vorderingen op de verkrijger (lid 13). Art. 4.17c voegt voor de schenkvariant de leeftijdseis van 21 jaar toe (lid 1 onderdeel d) en verklaart het grootste deel van art. 4.17a van overeenkomstige toepassing (lid 3).

ElementBOR (SW 1956)DSR (Wet IB 2001)
Bezitstermijn overdrager1 jaar (erflater) / 5 jaar (schenker), verlengd bij AOW-koppeling (art. 35d)Geen afzonderlijke bezitstermijn; wel vereist dat de aandelen niet reeds tot een ab op grond van art. 4.10 behoorden
Voortzettingstermijn verkrijger3 jaar (art. 35e)Niet van toepassing
Leeftijdseis bij schenking21 jaar of ouder (art. 35b lid 5)21 jaar of ouder (art. 4.17c lid 1 onderdeel d)
Beleggingsmarge in ondernemingsvermogenNiet als zodanig geregeld in de aangehaalde ledenMaximaal 5% van de waarde van de onderneming (art. 4.17a lid 6)

BOR en DSR worden in de praktijk altijd samen getoetst, maar zijn twee zelfstandige regelingen met een eigen termijnstructuur: het voldoen aan de BOR-bezitstermijn zegt niets over de DSR-voorwaarden en omgekeerd.

Belangrijkste rechtspraak

Afbakening ondernemings- versus beleggingsvermogen. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2023:1054 (2023) dat het Pottenbakkersarrest niet relevant is voor de BOR en dat alleen vermogensbestanddelen die bij verkrijging voor ondernemingsdoeleinden worden aangehouden tot het ondernemingsvermogen behoren; een verhuurd beleggingspand was in die zaak ten onrechte meegerekend. In dezelfde lijn oordeelde het Gerechtshof Amsterdam in ECLI:NL:GHAMS:2021:4085 (2021) dat de faciliteit al strandt vóórdat aan de overige voorwaarden wordt toegekomen wanneer de vennootschap geen materiële onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB 2001 drijft: de materiële-ondernemingstoets en de vermogensetikettering zijn twee aparte drempels die allebei genomen moeten worden.

Bezitstermijn en continuïteit bij herstructurering. In ECLI:NL:HR:2026:137 (2026) betrof het geschil de bezitseis van de BOR en de bewijslastverdeling, meer specifiek of na een ruziesplitsing van de activiteiten "horen" en "zien" een nieuwe bezitstermijn was aangevangen. Deze zaak markeert dat een afsplitsing van bedrijfsonderdelen vóór een bedrijfsopvolging de bezitstermijn kan doen herstarten, met een bewijslastvraag over de mate van continuïteit van het onderliggende belang.

Toerekening van vermogen bij gemengde activiteiten. De Hoge Raad oordeelde in de gelijktijdig gewezen zaken ECLI:NL:HR:2021:951, ECLI:NL:HR:2021:952 en ECLI:NL:HR:2021:954 (alle 2021) dat het hof onvoldoende had gemotiveerd welke panden aan projectontwikkelingsactiviteiten konden worden toegerekend voor de berekening van het BOR-ondernemingsvermogen, en verwees de zaken voor nader feitelijk onderzoek. Deze drieling laat zien dat bij een onderneming die zowel exploiteert als ontwikkelt, de toerekening van individuele panden aan het ondernemingsdeel een zelfstandige, goed gemotiveerde feitelijke vaststelling vergt en niet zonder meer kan worden overgenomen van de inspecteur.

Procedure na toepassing van de faciliteit. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in ECLI:NL:GHARL:2026:2736 (2026) de uitspraak van de rechtbank in een geschil over vermindering van een conserverende aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voortzetting van het daarvoor verleende uitstel van betaling; dit type geschil speelt typisch ná de BOR-toepassing, wanneer de vraag is of het uitstel op de geconserveerde waarde in stand blijft.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De afbakening tussen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen blijft het belangrijkste geschilpunt: alleen vermogen dat bij verkrijging voor ondernemingsdoeleinden wordt aangehouden telt mee (ECLI:NL:HR:2023:1054), en de uitsluitingen van art. 35c lid 7 SW 1956 moeten expliciet worden getoetst naast de materiële-ondernemingstoets van art. 3.2 Wet IB 2001, die als zelfstandige horde los staat van de overige BOR-voorwaarden (ECLI:NL:GHAMS:2021:4085).
  • Bij herstructureringen voorafgaand aan een bedrijfsopvolging, zoals een splitsing van activiteiten, speelt de vraag of de bezitstermijn van art. 35d SW 1956 opnieuw gaat lopen, met bewijslastvragen over de continuïteit van het belang (ECLI:NL:HR:2026:137); zulke herstructureringen raken al snel ook het thema juridische splitsing.
  • Bij gemengde activiteiten, zoals projectontwikkeling naast verhuur, vergt de toerekening van afzonderlijke panden aan het ondernemingsvermogen een gemotiveerde feitelijke vaststelling per pand (ECLI:NL:HR:2021:951, 952 en 954).
  • Preferente aandelen en tracking stocks vragen een aparte, formele toets (5%-eis, statutaire toerekening): de kennisgroepstandpunten over tracking stocks (KG:003:2026:5, 2026:6 en 2026:7) en over het beoordelingskader preferente aandelen (KG:003:2024:11) laten zien dat statutaire bepalingen zwaarder wegen dan de feitelijke economische verhoudingen.
  • Omdat het voortzettingsvereiste van art. 35e SW 1956 een zelfstandige termijn van drie jaar na de verkrijging betreft, vormen vervreemdingen, omzettingen in preferente aandelen of een staking van de onderneming binnen die periode een aandachtspunt bij de begeleiding van de opvolger na de overdracht.
  • Bij vastgoed dat aan een gelieerd lichaam of aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld, moet steeds worden getoetst of dit niet onder de uitsluiting van art. 35c lid 7 onderdeel a valt of, voor de DSR, onder de vergelijkbare uitsluiting van art. 4.17a lid 8 onderdeel a (KG:003:2025:6); dit raakt rechtstreeks het thema terbeschikkingstellingsregeling.
  • Het verzoek om de BOR moet gelijktijdig met de aangifte schenk- of erfbelasting worden gedaan (art. 35b lid 7 SW 1956); dit laat geen ruimte voor een later verzoek als de aangifte eenmaal is ingediend.

Recente ontwikkelingen

Het percentage van de gedeeltelijke vrijstelling boven de drempel van het ondernemingsvermogen is per 1 januari 2025 gewijzigd van 83% naar 75% (art. 35b lid 1 onderdeel b SW 1956); dit percentage is dus een wijziging van nog geen twee jaar oud en geen langer bestaand, stabiel gegeven.

Per 1 januari 2026 is de bezitstermijn van art. 35d SW 1956 gewijzigd: de termijn van één jaar voor de erflater wordt met zes maanden verlengd voor elk jaar dat hij op de overlijdensdatum meer dan twee jaar ouder is dan de AOW-leeftijd, en de termijn van vijf jaren voor de schenker wordt met zes maanden verlengd voor elk jaar dat hij op het moment van schenking meer dan zes jaar ouder is dan de AOW-leeftijd (art. 35d lid 2 en lid 3 SW 1956). Bij een oudere erflater of schenker kan de feitelijke bezitstermijn dus langer zijn dan de vaste één respectievelijk vijf jaar.

Eveneens per 1 januari 2026 geldt het Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026, waarin onderdelen van het voorgaande beleid zijn achterhaald.

Daarnaast heeft de kennisgroep van de Belastingdienst in mei 2026 meerdere standpunten gepubliceerd over de toerekening van ondernemingsvermogen bij tracking stocks: bij direct gehouden tracking stocks is de statutaire gerechtigdheid beslissend voor de toerekening (KG:003:2026:5), bij indirect gehouden tracking stocks geldt eveneens niet de werkelijke economische gerechtigdheid maar de statutaire regeling (KG:003:2026:6), en een derde, algemener standpunt bevestigt dezelfde lijn voor tracking stocks binnen zowel de DSR als de BOR (KG:003:2026:7).

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 60 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.