Vennootschapsbelasting

Juridische splitsing

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Bij een juridische splitsing gaat het vermogen van een rechtspersoon onder algemene titel over op een of meer verkrijgende rechtspersonen: bij een zuivere splitsing houdt de splitsende rechtspersoon op te bestaan, bij een afsplitsing blijft zij bestaan en gaat alleen een deel van het vermogen over. Dit is het spiegelbeeld van een juridische fusie, waarbij vermogens van meerdere rechtspersonen juist samenkomen. Zonder ingrijpen zou een splitsing fiscaal een vervreemding zijn: de splitsende rechtspersoon rekent dan in beginsel af over de meerwaarde in het overgaande vermogen. Art. 14a Wet VPB 1969 voorkomt die afrekening met een doorschuiffaciliteit: de winst die de splitsing oplevert, hoeft onder voorwaarden niet in aanmerking te worden genomen, en de verkrijgende rechtspersoon treedt fiscaal in de plaats van de splitsende rechtspersoon (indeplaatstreding). Boekwaarden en fiscale claims lopen dan door in plaats van dat er wordt afgerekend.

De regeling balanceert twee belangen. Enerzijds mag een zuiver organisatorische herstructurering niet worden afgestraft met belastingheffing over papieren winst. Anderzijds mag de faciliteit niet worden gebruikt om via een omweg belastingvrij vermogen te verplaatsen of een aandeelhouder uit te kopen. Daarom staat tegenover de doorschuiffaciliteit een antimisbruiktoets: is de splitsing in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, dan blijft de faciliteit (gedeeltelijk) buiten toepassing, met name wanneer aandelen kort na de splitsing worden vervreemd.

Wanneer speelt dit

Juridische splitsing komt voor bij afsplitsing van een bedrijfsonderdeel voorafgaand aan een gedeeltelijke verkoop, bij het scheiden van een actieve onderneming en beleggingsvermogen binnen een concern, bij herstructurering van een fiscale eenheid waarbij rente- of verliessaldi over de ontstane vennootschappen moeten worden verdeeld, en bij grensoverschrijdende reorganisaties binnen de EU/EER. Ook bij verdeling van een onderneming tussen aandeelhouders, in de praktijk aangeduid als ruziesplitsing (bijvoorbeeld ter voorbereiding van een uitkoop), wordt de faciliteit gebruikt; dit scenario geldt als risicovol voor de zakelijkheidstoets. Een splitsing raakt daarnaast de bezitstermijn van de bedrijfsopvolgingsregeling wanneer zij de toerekening van ondernemingen tussen de betrokken rechtspersonen wijzigt. Zekerheid vooraf is mogelijk vóór de splitsing over de vraag of de ontgaanstoets wordt tegengeworpen (lid 8), en afzonderlijk voorafgaand aan een voorgenomen vervreemding van aandelen binnen drie jaar na de splitsing (lid 9).

Voorwaarden en werking

Wie kwalificeert. De faciliteit geldt voor de splitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon of rechtspersonen bij een zuivere splitsing (splitsende rechtspersoon houdt op te bestaan) of een afsplitsing (splitsende rechtspersoon blijft bestaan, alleen een deel van het vermogen gaat over). De grensoverschrijdende toepassing is beperkt: lid 11 laat lid 2 tot en met lid 10 alleen werken als de splitsende en verkrijgende rechtspersonen in Nederland zijn gevestigd, of in een EU-lidstaat, of in een bij ministeriële regeling aangewezen EER-staat.

Voorwaarden voor de faciliteit (checklist, lid 2). De winst behaald bij de splitsing blijft buiten aanmerking als aan alle volgende eisen is voldaan:

  1. voor het bepalen van de winst gelden bij de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen dezelfde fiscale bepalingen;
  2. houdt de splitsende rechtspersoon op te bestaan, dan mag noch zijzelf noch de verkrijgende rechtspersoon aanspraak hebben op onder meer voorwaartse verliesverrekening (art. 20 Wet VPB 1969, zie verliesverrekening), op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting of de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, op de innovatiebox, op voortwenteling van een renteaftrekbeperking-saldo op de voet van art. 15b (zie earningsstrippingmaatregel), op de deelnemingsverrekening, op verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten, of op voortwenteling van voorheffingen op de voet van art. 25a lid 4;
  3. blijft de splitsende rechtspersoon bestaan (afsplitsing), dan geldt voor haar uitsluitend de eis dat zij geen aanspraak heeft op de innovatiebox;
  4. latere heffing is verzekerd.

Wat is het gevolg. Is aan lid 2 voldaan, dan blijft de winst buiten aanmerking en treedt de verkrijgende rechtspersoon "in de plaats van de splitsende rechtspersoon": fiscale boekwaarden en claims schuiven door in plaats van te worden afgerekend. Reikt de verkrijgende rechtspersoon aandelen uit aan de splitsende rechtspersoon zelf en vormen die aandelen bij haar een deelneming (zie deelnemingsvrijstelling), dan wordt het daarvoor opgeofferde bedrag op grond van lid 4 gesteld op de fiscale boekwaarde van het overgegane vermogen, verminderd met daarin begrepen herinvesterings- en egalisatiereserves (art. 3.53 en 3.54 Wet IB 2001). De verkrijgende rechtspersoon wordt bovendien ten tijde van de splitsing aangemerkt als een met de belastingplichtige verbonden lichaam (lid 7); dat is van belang voor de vervreemdingstoets hierna.

Procedure als niet aan lid 2 is voldaan. Lid 3 biedt dan een vangnet: op gezamenlijk verzoek van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen kan Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, de inspecteur toestaan de winst geheel of ten dele buiten aanmerking te laten. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin die voorwaarden zijn opgenomen. Lid 5 begrenst wat in die voorwaarden mag staan: zij mogen uitsluitend strekken ter verzekering van de heffing en de invordering, en kunnen zien op de jaarwinstbepaling, de toelaatbare reserves, verliesverrekening, voorkoming van dubbele belasting, de innovatiebox, het art. 15b-rentesaldo, de objectvrijstelling, de deelnemingsverrekening, de voortwenteling van voorheffingen, of op het geval dat de waarde in het economisch verkeer van het overgaande vermogen op het overgangstijdstip lager is dan de boekwaarde. Voor de zuivere splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan, zijn de standaardvoorwaarden voor verliesverrekening en voortwenteling van voorheffingen vastgelegd in het besluit over toepassing van art. 14a lid 3 (Besluit BWBR0047081).

Zekerheid vooraf. Lid 8 en lid 9 maken het mogelijk vooraf, respectievelijk voorafgaand aan een voorgenomen vervreemding binnen drie jaar, bij de inspecteur zekerheid te vragen over de vraag of de ontgaanstoets van lid 6 wordt tegengeworpen; de inspecteur beslist ook dan bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het beleidsbesluit over juridische afsplitsing (2025, ter vervanging van het besluit uit 2022) verduidelijkt dat een beschikking op een verzoek over afsplitsing geen zekerheid geeft over de uitkomst van de ontgaanstoets van lid 6.

Reikwijdte: wat valt er wel en niet onder. Onder de faciliteit vallen zuivere splitsingen en afsplitsingen van rechtspersonen die in Nederland, een EU-lidstaat of een aangewezen EER-staat zijn gevestigd; voor de toepassing van het gehele artikel worden winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en lidmaatschapsrechten gelijkgesteld aan aandelen (lid 10), zodat de faciliteit ook geldt als aandeelhouders of leden zulke rechten verkrijgen. Buiten de faciliteit vallen splitsingen tussen rechtspersonen buiten de EU/EER (lid 11), en splitsingen die in overwegende mate op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing zijn gericht (lid 6). Bij een fiscale eenheid die door de splitsing uiteenvalt, kunnen rentesaldi van de eenheid worden meegegeven aan de dochtermaatschappijen die uit de splitsing ontstaan.

Omdat art. 14a elf, onderling verweven leden telt, is de kern hierna samengevat als voorwaarde-gevolg-schema.

VoorwaardeGevolg
Zelfde fiscale bepalingen van toepassing bij splitsende en verkrijgende rechtspersoon; geen aanspraken op onder meer verliesverrekening, deelnemingsverrekening, het art. 15b-rentesaldo of voorkoming van dubbele belasting (bij ophouden te bestaan) respectievelijk geen aanspraak op de innovatiebox (bij afsplitsing); latere heffing verzekerd (lid 2)Winst blijft buiten aanmerking; verkrijgende rechtspersoon treedt in de plaats van de splitsende rechtspersoon (indeplaatstreding)
Niet aan lid 2 voldaan, maar gezamenlijk verzoek van splitsende en verkrijgende rechtspersonen (lid 3), met voorwaarden die uitsluitend ter verzekering van heffing en invordering strekken (lid 5)Onze Minister kan onder voorwaarden toestaan dat de winst geheel of ten dele buiten aanmerking blijft; inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking
Verkrijgende rechtspersoon geldt ten tijde van de splitsing als verbonden lichaam met de belastingplichtige (lid 7)Relevant voor de kwalificatie "niet-verbonden lichaam" bij de vervreemdingstoets van lid 6
Splitsing in overwegende mate gericht op ontgaan of uitstellen van belastingheffing (lid 6, eerste volzin)Faciliteit van lid 2 respectievelijk lid 3 is niet van toepassing
Geen zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering aannemelijk gemaakt (lid 6, tweede volzin)Vermoeden dat de splitsing op ontgaan of uitstel is gericht, tenzij tegenbewijs
Vervreemding van aandelen aan een niet-verbonden lichaam binnen drie jaar na de splitsing (lid 6, derde volzin)Naar de wettekst worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij tegenbewijs; dit vermoeden is door de Hoge Raad gecorrigeerd, zie Recente ontwikkelingen
Verzoek vooraf over de ontgaanstoets (lid 8) respectievelijk over een voorgenomen vervreemding binnen drie jaar (lid 9)Inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking
Splitsende en verkrijgende rechtspersonen gevestigd in Nederland, een EU-lidstaat of een aangewezen EER-staat (lid 11)Lid 2 tot en met lid 10 zijn van toepassing; daarbuiten is de faciliteit niet toegankelijk

Wettelijk kader

Art. 14a Wet VPB 1969 regelt de fiscale gevolgen van een juridische splitsing. Lid 1 bepaalt dat bij een zuivere splitsing de splitsende rechtspersoon wordt geacht haar vermogensbestanddelen te hebben overgedragen aan de verkrijgende rechtspersonen en op te houden winst te genieten uit haar Nederlandse onderneming; bij een afsplitsing geldt hetzelfde, maar dan uitsluitend voor het overgaande vermogen. Deze bepaling markeert het fictieve vervreemdingsmoment waarop de faciliteit van de volgende leden moet ingrijpen om afrekening te voorkomen.

Lid 2 bevat de kern van de faciliteit en is hierboven als checklist uitgewerkt: dezelfde fiscale bepalingen bij splitsende en verkrijgende rechtspersoon, het ontbreken van bepaalde fiscale aanspraken, en verzekerde latere heffing. Lid 3 is het vangnet voor gevallen waarin niet aan lid 2 is voldaan: een gezamenlijk verzoek waarop Onze Minister onder voorwaarden toestemming kan geven en de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Lid 4 regelt specifiek het opgeofferd bedrag wanneer de verkrijgende rechtspersoon aandelen uitreikt aan de splitsende rechtspersoon en die aandelen een deelneming vormen. Lid 5, dat in de praktijk vooral als achtergrond van lid 3 wordt gelezen, begrenst het doel en de reikwijdte van de voorwaarden die bij een lid 3-verzoek gesteld mogen worden: zij mogen niet verder gaan dan nodig is om de heffing en invordering te verzekeren die zonder de faciliteit verschuldigd zou zijn geweest.

De antimisbruiktoets staat in lid 6: de faciliteit "is niet van toepassing indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing". De wet werkt dit uit met een dubbel bewijsvermoeden. Ten eerste wordt een splitsing, "tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt", geacht daarop gericht te zijn "indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden". Ten tweede: worden binnen drie jaar na de splitsing aandelen in de gesplitste of een verkrijgende rechtspersoon geheel of ten dele, direct of indirect vervreemd aan een niet-verbonden lichaam, dan worden zakelijke overwegingen naar de tekst van de wet "niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt". Lid 7 hangt hiermee samen: het merkt de verkrijgende rechtspersoon ten tijde van de splitsing aan als verbonden lichaam, wat betekent dat een vervreemding aan die rechtspersoon zelf niet meteen als vervreemding aan een "niet-verbonden lichaam" telt. Het tweede bewijsvermoeden van lid 6 geldt inmiddels niet meer onverkort; zie Recente ontwikkelingen.

Lid 8 en lid 9 bieden de mogelijkheid vooraf, respectievelijk voorafgaand aan een voorgenomen vervreemding binnen drie jaar, bij de inspecteur zekerheid te vragen bij voor bezwaar vatbare beschikking over de vraag of de ontgaanstoets van lid 6 wordt tegengeworpen. Lid 10 stelt voor de toepassing van het gehele artikel winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid en lidmaatschapsrechten gelijk aan aandelen, zodat de faciliteit ook geldt wanneer aandeelhouders of leden zulke rechten verkrijgen in plaats van gewone aandelen. Lid 11 ten slotte beperkt de toepassing van lid 2 tot en met lid 10 tot situaties waarin de splitsende en verkrijgende rechtspersonen in Nederland, een EU-lidstaat of een aangewezen EER-staat zijn gevestigd.

Belangrijkste rechtspraak

De ontgaanstoets en het bewijsvermoeden bij een vervreemding binnen drie jaar vormen de rode draad in de rechtspraak over dit artikel. In ECLI:NL:HR:2012:BP6629 (2012) oordeelde de Hoge Raad dat een voorgenomen splitsing geacht wordt in overwegende mate op ontgaan of uitstel van belastingheffing gericht te zijn wanneer geen zakelijke overwegingen aannemelijk zijn gemaakt en de splitsing feitelijk niet meer is dan een alternatieve route voor de uitkoop van een aandeelhouder (ruziesplitsing). Dat oordeel bevestigde de wettekst van lid 6 op haar eigen voorwaarden: geen zakelijke overwegingen aannemelijk gemaakt, dus vermoeden van ontgaan of uitstel in stand. Ruim tien jaar later kwam echter de vraag op of het tweede, automatische bewijsvermoeden van lid 6 (vervreemding binnen drie jaar) wel verenigbaar is met de EU-Fusierichtlijn. De conclusie van de Parket bij de Hoge Raad in ECLI:NL:PHR:2023:498 (2023), in een zaak over een afsplitsing van een verzekeringsonderneming waarbij belastingschulden van de fiscale eenheid achterbleven en het verkregen aandeel binnen drie jaar werd doorverkocht, zette die vraag centraal. De Hoge Raad besliste die vraag op 27 februari 2026 in ECLI:NL:HR:2026:298: zie Recente ontwikkelingen voor de uitkomst.

De doorwerking naar aanpalende splitsingsvrijstellingen laat zien dat de ontgaanstoets van art. 14a niet op zichzelf staat. In ECLI:NL:HR:2020:2078 (2020) oordeelde de Hoge Raad dat de overdrachtsbelastingvrijstelling van art. 15 lid 1 letter h Wet op belastingen van rechtsverkeer moet worden uitgelegd in samenhang met art. 14a lid 6 Wet VPB 1969 en de Fusierichtlijn. De ontgaanstoets van dit artikel werkt dus via die koppeling ook door in de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Een splitsing die feitelijk vooral dient om een aandeelhouder uit te kopen (ruziesplitsing), wordt bij gebrek aan aannemelijk gemaakte zakelijke overwegingen geacht op ontgaan of uitstel van heffing gericht te zijn.
  • De grensoverschrijdende toepassing is beperkt tot rechtspersonen gevestigd in Nederland, een EU-lidstaat of een aangewezen EER-staat (lid 11); daarbuiten is de faciliteit niet toegankelijk, ook niet via de verzoekroute van lid 3.
  • Een splitsing die de toerekening van ondernemingen tussen de betrokken rechtspersonen wijzigt, kan voor de bedrijfsopvolgingsregeling een nieuwe bezitstermijn doen aanvangen, ook wanneer de splitsing zelf onder de faciliteit van art. 14a valt.
  • Bij een uiteenvallende fiscale eenheid speelt de vraag hoe rentesaldi van de eenheid over de na de splitsing ontstane dochtermaatschappijen worden verdeeld; dit is een afzonderlijk aandachtspunt naast de indeplaatstreding zelf.
  • Bij vervreemding van aandelen binnen drie jaar na de splitsing moet de wettekst van het bewijsvermoeden (lid 6, derde volzin) gelezen worden met de correctie die de Hoge Raad daarop heeft aangebracht, en met de kanttekening dat de verkrijgende rechtspersoon zelf ten tijde van de splitsing als verbonden lichaam geldt (lid 7).
  • Een beschikking op een verzoek over afsplitsing verstrekt geen zekerheid over de uitkomst van de ontgaanstoets van lid 6; die zekerheid moet afzonderlijk via lid 8 of lid 9 worden gevraagd.

Recente ontwikkelingen

De Hoge Raad heeft op 27 februari 2026 in ECLI:NL:HR:2026:298 geoordeeld dat het automatische bewijsvermoeden van art. 14a lid 6, derde volzin (vervreemding van aandelen binnen drie jaar aan een niet-verbonden lichaam) strijdig is met de EU-Fusierichtlijn en daarom buiten toepassing moet blijven. Het is niet langer zo dat de belastingplichtige, enkel op grond van een vervreemding binnen drie jaar, zelf aannemelijk moet maken dat de splitsing op zakelijke overwegingen berustte: de inspecteur zal eerst zelf een begin van bewijs van belastingontwijking moeten leveren voordat de bewijslast naar de belastingplichtige verschuift. De wettekst van lid 6 is door dit arrest niet gewijzigd, maar de praktische toepassing ervan wel. Aan dit arrest ging de conclusie van de Parket bij de Hoge Raad in ECLI:NL:PHR:2023:498 (2023) vooraf, in dezelfde zaak, waarin al de vraag centraal stond of de bewijsvermoedens van lid 6 verenigbaar zijn met de Fusierichtlijn.

Per 2025 is bovendien het Besluit juridische afsplitsing 2025 (BWBR0051531) in werking getreden, ter vervanging van het besluit uit 2022. Dit besluit bevat geen tekstblokken meer voor de inspecteur en verduidelijkt uitdrukkelijk dat een beschikking op een verzoek over afsplitsing geen zekerheid verstrekt over de uitkomst van de ontgaanstoets van lid 6.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 8 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.