Btw
Fiscale eenheid omzetbelasting
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De fiscale eenheid omzetbelasting bestaat om te voorkomen dat de btw een obstakel vormt voor de manier waarop een concern zichzelf feitelijk organiseert. Waar een groep in de praktijk als één bedrijf functioneert — met een gezamenlijke leiding, een gedeelde financiering en onderlinge dienstverlening — behandelt art. 7 lid 4 Wet OB 1968 die groep ook voor de btw als één ondernemer. Twee of meer in Nederland gevestigde ondernemers die financieel, organisatorisch en economisch zodanig met elkaar zijn verweven dat zij een eenheid vormen, worden dan niet langer los, maar gezamenlijk in de heffing betrokken.
Materieel ontstaat die eenheid van rechtswege zodra aan de drie verwevenheidseisen wordt voldaan; formeel wordt zij echter pas bevestigd door een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur, op verzoek of ambtshalve. Dat onderscheid tussen de feitelijke toestand en de formele beschikking loopt door de hele regeling heen: het bepaalt vanaf wanneer de eenheid werkt, wanneer de hoofdelijke aansprakelijkheid van de leden intreedt en wanneer die weer eindigt. De figuur staat los van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, die op andere voorwaarden berust en een aparte beschikking vergt.
Wanneer speelt dit
- Holdingstructuren waarin een houdstermaatschappij bestuurstaken of centrale diensten (financieel, personeel, IT) verricht voor werkmaatschappijen.
- Groepen met veel onderlinge dienstverlening, waar zonder fiscale eenheid btw-lasten zouden kunnen ontstaan bij niet (volledig) aftrekgerechtigde afnemers.
- Reorganisaties en overnames, waarbij entiteiten worden toegevoegd aan of afgesplitst van een bestaande fiscale eenheid, met gevolgen voor de fiscale opvolging in de aftrek van voorbelasting.
- Discussies over aansprakelijkheid en naheffing wanneer een fiscale eenheid feitelijk is beëindigd maar de inspecteur daarvan niet schriftelijk in kennis is gesteld.
- Groepen met een buitenlandse component, waar de vraag speelt of en in hoeverre buitenlandse concernvennootschappen buiten de Nederlandse fiscale eenheid vallen.
- Publiekrechtelijke lichamen of eigenbouwers binnen een concern, waar het bestaan van een fiscale eenheid gevolgen heeft voor andere regelingen dan de btw zelf.
Voorwaarden en werking
Wie kwalificeert
Een fiscale eenheid komt alleen tot stand tussen personen die stuk voor stuk aan een subjectieve eis voldoen én die gezamenlijk aan drie verwevenheidseisen voldoen:
- Ondernemerschap. Elke deelnemer moet zelfstandig ondernemer zijn in de zin van art. 7 lid 1 Wet OB 1968. Een lichaam dat naast ondernemersactiviteiten ook andere handelingen verricht, blijft daarvoor kwalificeren; ook een publiekrechtelijk lichaam dat tevens overheidstaken uitoefent kan onderdeel zijn van een fiscale eenheid.
- Vestigingseis. De deelnemers wonen of zijn gevestigd in Nederland, of hebben hier ten minste een vaste inrichting. Buitenlandse concernvennootschappen zonder Nederlandse vestiging of vaste inrichting vallen buiten de Nederlandse fiscale eenheid, ook als zij tot dezelfde groep behoren.
- Financiële verwevenheid. Bij vennootschappen met aandelenkapitaal is hiervan in elk geval sprake als de meerderheid van de gewone aandelen — met de daaraan verbonden zeggenschapsrechten — direct of indirect in dezelfde handen ligt. Certificering van aandelen bij een stichting-administratiekantoor kan de financiële verwevenheid juist doorbreken, tenzij dezelfde bestuurder de stichting én de aandeelhoudende vennootschap aanstuurt. Bij lichamen zonder aandelenkapitaal (stichtingen, verenigingen, vennootschappen onder firma) wordt niet getoetst aan een aandelenpercentage maar aan een vergelijkbare mate van financiële zeggenschap, bijvoorbeeld eenzelfde bestuur, een centrale financiële administratie, verrekening in rekening-courant en onderlinge hoofdelijke aansprakelijkheid.
- Organisatorische verwevenheid. De deelnemers staan onder een gezamenlijke, althans als eenheid functionerende leiding, of de leiding van de ene deelnemer is feitelijk ondergeschikt aan die van de andere. Een gezamenlijke leiding hoeft niet bij één persoon te berusten; voldoende is dat de betrokkenen zich jegens elkaar hebben verbonden strategie en beleid gezamenlijk te bepalen.
- Economische verwevenheid. Hiervan is sprake als de activiteiten van de deelnemers in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van hetzelfde economische doel: zij bedienen een gemeenschappelijke klantenkring, of de ene deelnemer werkt in hoofdzaak ten behoeve van de andere (complementaire activiteit). Zijn de deelnemers al financieel en organisatorisch nauw verweven, dan volstaan ook onderling niet-verwaarloosbare economische betrekkingen, ongeacht in welke mate zij daarnaast aan derden presteren.
Wat is het gevolg
Prestaties tussen de leden van de fiscale eenheid onderling blijven buiten de heffing van btw: zij worden fiscaal behandeld als interne verrichtingen van één ondernemer. Naar buiten toe treedt de fiscale eenheid op als één belastingplichtige, die in beginsel één gezamenlijke aangifte indient. Dat de fiscale eenheid als geheel de ondernemer voor de btw is, verandert niets aan de burgerrechtelijke positie van de leden: zij blijven zelfstandig contracteren met derden, en een derde factureert aan de contracterende deelnemer, niet aan de fiscale eenheid als zodanig.
Tegenover dat voordeel staat hoofdelijke aansprakelijkheid: elk lid is aansprakelijk voor de btw-schulden van de fiscale eenheid als geheel. Die aansprakelijkheid ontstaat door de beschikking en eindigt pas nadat de inspecteur schriftelijk in kennis is gesteld van het niet langer bestaan van de fiscale eenheid of van het uittreden van een lid; tot dat moment loopt de aansprakelijkheid door, ook als materieel niet meer aan de verwevenheidseisen wordt voldaan. Het bestaan van een fiscale eenheid kan bovendien doorwerken buiten de kern-btw-toets, bijvoorbeeld voor de kwalificatie als eigenbouwer of voor de positie van publiekrechtelijke lichamen.
Kernmomenten en cijfers
| Element | Waarde | Bron/jaar |
|---|---|---|
| Financiële verwevenheid (aandelenvennootschap) | meerderheid van de gewone aandelen + zeggenschapsrechten in dezelfde handen | Beleidsbesluit 4 december 2024, nr. 2024-13987 |
| Economische verwevenheid bij financieel/organisatorisch nauwe band | 27,2% van de omzet aan de andere deelnemer volstond in het voorliggende geval | HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1118 |
| Ingangsdatum fiscale eenheid | eerste dag van de maand ná de beschikking; geen terugwerkende kracht tegen de wil van partijen | art. 7 lid 4 Wet OB 1968 |
| Intrekking oud kennisgroepstandpunt financiële verwevenheid (aandelen/zeggenschap/winstrechten) | 4 december 2024 | KG:209:2022:3 |
| Inwerkingtreding vervangend beleidsbesluit | 1 juli 2025 | Besluit nr. 2024-13987 (BWBR0050685) |
De 27,2%-uitkomst is geen wettelijke drempel maar een feitelijke waardering in één procedure; de wet en het beleidsbesluit noemen zelf geen minimumpercentage voor economische verwevenheid.
Procedure
Het verzoek om een beschikking fiscale eenheid wordt schriftelijk gericht aan de inspecteur; deze kan ook ambtshalve, zonder verzoek, een beschikking afgeven. De beschikking is voor bezwaar vatbaar en vermeldt de ingangsdatum: de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de inspecteur de beschikking afgeeft. Partijen kunnen niet tegen hun wil met terugwerkende kracht als fiscale eenheid worden aangemerkt. Bij vorming, uittreding of toetreding treedt de fiscale eenheid voor de berekening van de verschuldigde belasting in de plaats van de betrokken personen (en omgekeerd bij beëindiging), wat onder meer gevolgen heeft voor de herziening van afgetrokken voorbelasting.
Wat valt niet onder de regeling
Een zuivere holding die niets anders doet dan aandelen houden en daarmee samenhangende aandeelhoudershandelingen verricht, is geen ondernemer en kan om die reden geen deel uitmaken van een fiscale eenheid. Bemoeit de holding zich wel, direct of indirect, met het beheer van de dochtervennootschappen tegen vergoeding, dan kan zij op verzoek alsnog worden opgenomen, mits aan de verwevenheidseisen is voldaan. Ook een samenwerkingsverband van aandeelhouders die hun aandelen niet juridisch hebben overgedragen aan een gezamenlijk verband (bijvoorbeeld alleen het economische eigendom inbrengen in een vennootschap onder firma, met behoud van het juridische eigendom) bewerkstelligt geen financiële verwevenheid tussen de onderliggende vennootschappen. En buitenlandse concernonderdelen zonder Nederlandse vestiging of vaste inrichting blijven, zoals hierboven vermeld, altijd buiten de Nederlandse fiscale eenheid, met als gevolg dat hun prestaties aan de fiscale eenheid gewoon met omzetbelasting belast blijven.
Wettelijk kader
Art. 7 Wet OB 1968 regelt het ondernemersbegrip in de omzetbelasting in volle breedte; lid 4 daarvan is de kernbepaling voor de fiscale eenheid. Het lid eist dat natuurlijke personen en lichamen die op grond van dit artikel al ondernemer zijn, in Nederland wonen of zijn gevestigd (of hier ten minste een vaste inrichting hebben), en dat zij in financieel, organisatorisch én economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen. Zijn die eisen vervuld, dan merkt de inspecteur hen — op verzoek van (een van) de betrokkenen of ambtshalve — bij een voor bezwaar vatbare beschikking aan als één ondernemer, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de beschikking. Het lid sluit af met een delegatiebepaling: bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de vorming, wijziging en beëindiging van de fiscale eenheid.
De overige leden van art. 7 vormen de bredere context. Lid 1 bevat het algemene ondernemersbegrip waaraan elke deelnemer aan een fiscale eenheid moet voldoen. Lid 2 rekt het begrip bedrijf op tot beroep en tot de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te trekken — relevant voor de vraag of een lichaam met beperkte activiteiten al ondernemer is. Lid 3 maakt het mogelijk om publiekrechtelijke lichamen voor bepaalde prestaties als ondernemer aan te merken, en lid 5 doet iets vergelijkbaars voor lichamen die tegen betaling presteren aan aftrekgerechtigde ondernemers. Lid 6 en lid 7 zien op afzonderlijke situaties (levering van nieuwe vervoermiddelen, en de plaats-van-dienstregels) en raken de fiscale eenheid niet rechtstreeks.
De ministeriële uitwerking van lid 4 staat in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Art. 3a van die uitvoeringsbeschikking regelt de fiscale opvolging: bij vorming treedt de fiscale eenheid voor de berekening van de verschuldigde belasting in de plaats van de deelnemers, bij beëindiging treden de voormalige deelnemers weer in de plaats van de fiscale eenheid (voor het deel dat tot hun bedrijfsvermogen behoort), en bij wijziging van de samenstelling gelden vergelijkbare opvolgingsregels voor toe- en uittredende personen. Dat de fiscale eenheid zelf de belastingplichtige is die de btw op aangifte moet voldoen, volgt uit de samenhang van art. 7 lid 4 Wet OB met art. 12 lid 1 Wet OB en art. 3a lid 1 van de uitvoeringsbeschikking.
Belangrijkste rechtspraak
De verwevenheidstoets als samenhangend geheel. De Hoge Raad benadrukte in ECLI:NL:HR:2022:269 (2022) dat de banden van financiële, organisatorische en economische aard niet los van elkaar mogen worden beoordeeld, maar in onderlinge samenhang; het cassatieberoep werd op dat punt gegrond verklaard, met verwijzing naar het gerechtshof.
Twee wegen naar economische verwevenheid. In ECLI:NL:HR:2019:1112 (2019) oordeelde de Hoge Raad dat economische verwevenheid in elk geval moet worden aangenomen wanneer de activiteiten van de ene ondernemer in hoofdzaak ten behoeve van de andere worden verricht. Daarnaast bevestigde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2019:1118 (2019), gewezen op dezelfde dag, een tweede weg: zijn twee ondernemers al financieel en organisatorisch nauw verweven, dan is voor economische verwevenheid voldoende dat tussen hen niet-verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan — in die zaak volstond dat een dochtervennootschap 27,2% van haar omzet behaalde met diensten aan de andere deelnemer. Het gerechtshof had de zaak nog beoordeeld op de eerste, strengere toets alleen; de Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep op dat punt gegrond en deed de zaak zelf af in het voordeel van de fiscale eenheid.
De territoriale grens. In ECLI:NL:HR:2024:1883 (2024) oordeelde de Hoge Raad dat de beperking van de fiscale eenheid omzetbelasting tot in Nederland gevestigde ondernemers niet in strijd is met de Unierechtelijke vrijheid van vestiging of het vrij verkeer van diensten, ook al blijven diensten van buitenlandse concernvennootschappen aan een Nederlandse fiscale eenheid daardoor belast met omzetbelasting.
Aansprakelijkheid: formeel bepalend, ook los van de materiële situatie. Drie arresten laten zien dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de leden dicht aansluit bij de beschikking en de kennisgeving, en los kan staan van de vraag of materieel (nog) aan de verwevenheidseisen wordt voldaan. In ECLI:NL:HR:2012:BU7276 (2012) besliste de Hoge Raad dat aansprakelijkheid voor een omzetbelastingschuld van de fiscale eenheid blijft bestaan zolang de inspecteur niet schriftelijk in kennis is gesteld van het einde van de eenheid, zelfs als achteraf blijkt dat nooit aan de materiële voorwaarden was voldaan. ECLI:NL:HR:2017:438 (2017) voegde daaraan toe dat deze hoofdelijke aansprakelijkheid niet in strijd is met het Unierecht, en dat aansprakelijkstelling ook mogelijk blijft nadat de fiscale eenheid niet meer in ongewijzigde vorm bestaat. En in ECLI:NL:HR:2021:508 (2021) oordeelde de Hoge Raad dat een fiscale boete op grond van art. 67c AWR kan worden opgelegd aan de fiscale eenheid zelf als normadressaat, omdat de fiscale eenheid via art. 7 lid 4 Wet OB, art. 12 lid 1 Wet OB en art. 3a lid 1 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 de belastingplichtige is die de aangifte moet doen; art. 5:1 lid 3 Awb staat daaraan niet in de weg.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij belangen rond de verwevenheidsgrenzen speelt vaak een combinatie van factoren: een geïsoleerd sterk financieel argument redt de kwalificatie niet als organisatorisch of economisch onvoldoende samenhang bestaat, en omgekeerd (ECLI:NL:HR:2022:269).
- Certificering van aandelen bij een stichting-administratiekantoor kan de financiële verwevenheid ongemerkt doorbreken; dat risico speelt met name bij reorganisaties waarbij aandelen worden gecertificeerd zonder dat de bestuursstructuur van de stichting wordt afgestemd op die van de aandeelhoudende vennootschap.
- Een zuivere holding die louter aandelen houdt, blijft buiten de fiscale eenheid; pas bemoeienis met het beheer van de dochters tegen vergoeding opent de weg naar opname, en dan alleen via een verzoek waarin de verwevenheid alsnog wordt onderbouwd.
- De hoofdelijke aansprakelijkheid loopt door na wijziging van de samenstelling en zelfs wanneer materieel nooit een fiscale eenheid heeft bestaan, zolang de inspecteur niet schriftelijk in kennis is gesteld van het ontbreken of het einde ervan (ECLI:NL:HR:2012:BU7276, ECLI:NL:HR:2017:438); de formele kennisgeving bij beëindiging is daarmee net zo bepalend als de materiële verwevenheid bij vorming.
- Omdat een fiscale eenheid als zodanig kan worden beboet (ECLI:NL:HR:2021:508), verschuift een niet-betaalde of te laat betaalde aangifte het boeterisico naar de fiscale eenheid als geheel, niet naar de individuele deelnemer die de aangifte feitelijk verzorgde.
- Bij internationale groepen blijft de territoriale grens van art. 7 lid 4 hard: alleen in Nederland gevestigde ondernemers of ondernemers met een vaste inrichting hier kunnen deel uitmaken van de fiscale eenheid, ook na ECLI:NL:HR:2024:1883, met als gevolg dat prestaties van buitenlandse concernvennootschappen aan de Nederlandse fiscale eenheid belast blijven.
- Bij naheffing over tijdvakken waarin de samenstelling van de fiscale eenheid wijzigde, is de fiscale-opvolgingsregel van art. 3a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 bepalend voor de vraag wie voor welk deel van de aanslag wordt aangesproken.
Recente ontwikkelingen
De kennisgroep van de Belastingdienst heeft het standpunt over financiële verwevenheid via aandelen, zeggenschap en winstrechten (KG:209:2022:3) per 4 december 2024 ingetrokken. Voor deze intrekking in de plaats is gekomen het Beleidsbesluit belastingplicht en fiscale eenheid omzetbelasting van 4 december 2024, nr. 2024-13987 (BWBR0050685), dat sinds 1 juli 2025 in werking is. Dit besluit vult de financiële, organisatorische en economische verwevenheid materieel in, met concrete voorbeelden, en doet dat ook voor lichamen zonder aandelenkapitaal, waarvoor het ingetrokken kennisgroepstandpunt geen aandelencriterium kon bieden.
De Hoge Raad heeft in ECLI:NL:HR:2025:472 (2025) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU over de vraag of subjectgebonden voorwaarden voor de btw-vrijstelling voor gehandicaptenzorg moeten worden beoordeeld op het niveau van de fiscale eenheid als geheel of per afzonderlijk lid daarvan; de beantwoording is nog niet bekend.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
209 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2025:472 (2025)
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU of subjectgebonden voorwaarden voor de btw-vrijstelling voor gehandicaptenzorg moeten worden beoordeeld op het niveau van de fiscale eenheid als geheel of per afzonderlijk lid daarvan.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:3429 (2025)
De zaak betreft of sprake is van financiële verwevenheid voor een fiscale eenheid omzetbelasting en van recht op aftrek van voorbelasting, naar aanleiding van een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2018 die de rechtbank al had vernietigd.
-
ECLI:NL:HR:2021:508 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 5:1 Awb er niet aan in de weg staat om op grond van artikel 67c AWR een boete op te leggen aan een fiscale eenheid omzetbelasting in de zin van artikel 7, lid 4, Wet OB 1968.
-
ECLI:NL:HR:2012:BU7276 (2012)
De Hoge Raad oordeelt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid voor omzetbelastingschulden van een fiscale eenheid blijft bestaan zolang de inspecteur niet in kennis is gesteld van het einde ervan, ook als achteraf blijkt dat nooit aan de materiële voorwaarden was voldaan.
-
ECLI:NL:HR:2017:438 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat hoofdelijke aansprakelijkheid voor door een fiscale eenheid verschuldigde omzetbelasting niet in strijd is met het Unierecht, en dat aansprakelijkstelling ook mogelijk blijft nadat de fiscale eenheid niet meer in ongewijzigde vorm bestaat.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:230 (2024)
De zaak betreft of tussen de betrokken vennootschappen organisatorische verwevenheid bestaat voor een fiscale eenheid omzetbelasting, wat de plaats van dienst is van de verrichte diensten, en de hoogte van de opgelegde vergrijpboetes bij de naheffingsaanslagen omzetbelasting.
-
ECLI:NL:HR:2022:269 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de vereiste nauwe verwevenheid voor een fiscale eenheid omzetbelasting (art. 7, lid 4, Wet OB 1968) de banden van financiële, organisatorische en economische aard in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld, en verklaart het cassatieberoep gegrond met verwijzing naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
-
ECLI:NL:HR:2019:1118 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat een onderwijsstichting en haar dochtervennootschap, die 27,2 procent van haar omzet met prestaties aan de stichting behaalt, financieel, organisatorisch en economisch zodanig verweven zijn dat zij een fiscale eenheid omzetbelasting vormen als bedoeld in artikel 7, lid 4, Wet OB 1968.
-
ECLI:NL:HR:2024:1883 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat de territoriale beperking van de fiscale eenheid omzetbelasting tot in Nederland gevestigde ondernemers niet in strijd is met de Unierechtelijke vrijheid van vestiging of het vrij verkeer van diensten, ook al blijven diensten van buitenlandse concernvennootschappen aan een Nederlandse fiscale eenheid daardoor wel belast met omzetbelasting.
-
ECLI:NL:HR:2019:1112 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat economische verwevenheid voor een fiscale eenheid omzetbelasting (art. 7, lid 4, Wet OB) in elk geval moet worden aangenomen als de activiteiten van de ene ondernemer in hoofdzaak ten behoeve van de andere ondernemer worden verricht, en verklaart de cassatieberoepen ongegrond.
Beleid en standpunten
18 bronnen in de kennisbank-
Kamerstuk 29767 nr. 9
Nota wijziging breidt toepassing motorrijtuigenbelasting en eigenwoningforfait uit tot bestelauto's; artikel 11g tarief verlaagd van €0,51 naar €0,285 per kubieke meter leidingwater.
-
KG:207:2025:3 (2025)
Standpunt: Belastingschuld van feitelijk samenwerkingsverband OB kan niet direct bij het samenwerkingsverband maar bij de natuurlijke personen worden ingevorderd.
-
KG:209:2023:6 (2023)
Standpunt: Publiekrechtelijk lichaam kan onderdeel uitmaken van fiscale eenheid OB; kan tegelijk als overheid werkzaamheden verrichten.
-
Besluit BWBR0050685
Goedkeuring/beleid inzake belastingplicht en fiscale eenheid btw: het bepaalt wanneer toezichthouders en commissieleden als zelfstandig ondernemer gelden en bevat regels over fiscale eenheid voor holdings.
-
Besluit BWBR0044602
Goedkeuring inzake omzetbelasting publiekrechtelijke lichamen: beleid over omzetbelasting en compensatie van omzetbelasting bij publiekrechtelijke lichamen, onder meer aangepast naar recente jurisprudentie en vervallen bepalingen.
-
KG:207:2024:6 (2024)
Standpunt: Fiscale eenheid omzetbelasting kan in zijn geheel als eigenbouwer kwalificeren; aansprakelijkheid loonbelastingschulden volgt artikel 35 Invorderingswet 1990.
-
KG:210:2025:17 (2025)
Standpunt: Artikel 37d Wet OB 1968 is van toepassing op de levering van een vakantieappartement inclusief inventaris als aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan, ook wanneer de koper tot voortzetting van de verhuur is verplicht.
-
Besluit BWBR0039381
Beleid inzake samenloop van overdrachtsbelasting en omzetbelasting bij onroerendezaaktransacties, met goedkeuringen voor ongewenste dubbele heffing.
-
KG:209:2022:3 (2022)
Standpunt: [INGETROKKEN per 4 december 2024] Financiële verwevenheid kan bestaan uit aandelen met zeggenschap zonder winstrechten en vice versa.
-
Besluit BWBR0035566
Goedkeuring inzake omzetbelasting en overdrachtsbelasting: verkoop van woningen onder voorwaarden zonder cumulatie van belasting.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.