Inkomstenbelasting
Heffingskortingen
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Heffingskortingen bestaan om de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen te verminderen zonder het belastbare inkomen zelf aan te tasten: ze grijpen aan op de verschuldigde belasting en premie, niet op de heffingsgrondslag, en werken daardoor anders door dan aftrekposten die de grondslag verlagen. De wetgever gebruikt dit instrument om doelgroepen te ontzien (bijvoorbeeld ouderen of werkenden) of te stimuleren (bijvoorbeeld arbeidsdeelname), zonder het progressieve tarief zelf aan te passen. Kernbegrippen zijn de standaardheffingskorting (het gezamenlijke bedrag van alle deelkortingen waar een belastingplichtige recht op heeft, art. 8.2 Wet IB 2001) en de gecombineerde heffingskorting (hetzelfde bedrag na de gebruikelijke splitsing tussen inkomstenbelasting en de drie volksverzekeringspremies). De twee kortingen die in de praktijk het meest spelen zijn de algemene heffingskorting, die voor iedere belastingplichtige geldt, en de arbeidskorting, die is voorbehouden aan wie arbeidsinkomen geniet.
Sinds de invoering van de Wet IB 2001 is de opzet van hoofdstuk 8 grotendeels hetzelfde gebleven, maar is de lijst van deelkortingen via achtereenvolgende Belastingplannen sterk uitgedund: kortingen zoals de werkbonus (art. 8.12), de combinatiekorting (art. 8.14) en verschillende ouderkorting-varianten (art. 8.14b, 8.15, 8.16, 8.18a) zijn tussen 2009 en 2018 vervallen, terwijl de resterende kortingen — algemene heffingskorting en arbeidskorting voorop — juist herhaaldelijk in hoogte en afbouwtraject zijn aangepast. Beide kortingen zijn inkomensafhankelijk vormgegeven: de algemene heffingskorting kent een vast bedrag toe dat vanaf een drempelinkomen wordt afgebouwd, terwijl de arbeidskorting gefaseerd opbouwt en vanaf een hogere drempel weer wordt afgebouwd. Voor de arbeidskorting geldt bovendien dat een deel al via de loonbelasting wordt verwerkt, met een aanvullende minimumregel die aansluit bij artikel 22a Wet LB 1964, zodat de definitieve IB-aanslag daarop aansluit of corrigeert.
In de praktijk is het samenspel tussen wonen, werken en (gedeeltelijke) belastingplicht in Nederland de belangrijkste bron van geschillen over heffingskortingen. Grensoverschrijdende situaties, deeljaarsituaties en de positie van niet-inwoners of gedeeltelijk premieplichtigen leiden tot vragen over welk inkomen meetelt en over welk deel van het jaar de korting wordt berekend (zie ook fiscale woonplaats en kwalificerende buitenlandse belastingplicht).
Wanneer speelt dit
- Bij de aangifte IB/PVV van iedere particuliere belastingplichtige, waar de algemene heffingskorting en, bij arbeidsinkomen, de arbeidskorting worden berekend.
- Bij emigratie of immigratie gedurende het jaar, waardoor slechts een deel van het jaar sprake is van binnenlandse belastingplicht of premieplicht volksverzekeringen.
- Bij buitenlandse belastingplichtigen, waaronder gepensioneerden met EU-inkomen, waar de vraag speelt of en hoe kortingen zoals de ouderenkorting worden toegepast.
- Bij ambtenaren van internationale organisaties met een vrijgesteld salaris, waar de interactie tussen die vrijstelling en de afbouw van de algemene heffingskorting een rol speelt.
- Bij de minstverdienende partner binnen een fiscaal partnerschap, in verband met de afbouw en eventuele overdracht van de algemene heffingskorting.
- Bij uitkeringen die de plaats van loon innemen (WGA, WAZO), waar de vraag opkomt of en hoe de arbeidskorting daarop van toepassing is.
- Bij boventalligheid of vrijstelling van arbeid, waarbij de vraag is of nog wel arbeidsinkomen in de zin van de wet wordt genoten.
Hoe werkt de regeling
Wie komt voor welke korting in aanmerking
- Algemene heffingskorting (art. 8.10 Wet IB 2001): geldt voor iedere belastingplichtige, ongeacht of arbeid wordt verricht.
- Arbeidskorting (art. 8.11 Wet IB 2001): geldt uitsluitend voor wie arbeidsinkomen geniet — winst uit onderneming, loon of resultaat uit overige werkzaamheden, genoten met tegenwoordige arbeid (art. 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001).
- Inkomensafhankelijke combinatiekorting (art. 8.14a Wet IB 2001): geldt bij een arbeidsinkomen boven een drempel, een kind jonger dan 12 jaar dat ten minste zes maanden tot het huishouden behoort, en het ontbreken van een partner of een lager arbeidsinkomen dan die partner.
- Jonggehandicaptenkorting (art. 8.16a Wet IB 2001): geldt voor wie recht heeft op een Wajong-uitkering of -arbeidsondersteuning, tenzij voor diezelfde persoon al de ouderenkorting geldt.
- Ouderenkorting (art. 8.17 Wet IB 2001): geldt voor wie bij het einde van het kalenderjaar (of het einde van de belastingplicht) de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
- Alleenstaande-ouderenkorting (art. 8.18 Wet IB 2001): geldt voor wie in aanmerking komt (of zonder de partnervoorwaarde in aanmerking zou komen) voor de AOW-alleenstaandenuitkering.
Bedragen, percentages en drempels (2026)
| Korting | Basis | Opbouw / hoogte | Afbouw |
|---|---|---|---|
| Algemene heffingskorting | Art. 8.10 lid 2 | € 3.115 vast | 6,398% van het verzamelinkomen boven € 29.736, tot nihil |
| Arbeidskorting | Art. 8.11 lid 2 | 8,324% tot € 996 (a), + 31,009% boven € 11.965 tot totaal € 5.300 (b), + 1,950% boven € 25.845 tot totaal € 5.685 (c) | 6,51% van het arbeidsinkomen boven € 45.592, tot nihil (d) |
| Inkomensafhankelijke combinatiekorting | Art. 8.14a lid 1-2 | 11,45% van het arbeidsinkomen boven € 6.239 | gemaximeerd op € 3.032, geen verdere afbouw |
| Jonggehandicaptenkorting | Art. 8.16a lid 2 | € 923 vast | geen afbouw |
| Ouderenkorting | Art. 8.17 lid 2 | € 2.067 vast | 15% van het verzamelinkomen boven € 46.002, tot nihil |
| Alleenstaande-ouderenkorting | Art. 8.18 lid 2 | € 540 vast | geen afbouw |
Voor wie niet meer dan € 45.592 arbeidsinkomen geniet, geldt bij de arbeidskorting een aanvullende ondergrens: de korting bedraagt dan ten minste het bedrag dat via de loonbelastingtabellen van artikel 25 lid 2 Wet LB 1964 al is toegekend op grond van artikel 22a Wet LB 1964, met als maximum het bedrag van onderdeel c van art. 8.11 lid 2 (€ 5.685).
Gevolg van toepassing
Elke korting werkt als een vermindering van de verschuldigde gecombineerde inkomensheffing, niet als aftrekpost op het inkomen. De optelsom van alle deelkortingen waar iemand recht op heeft (de standaardheffingskorting, art. 8.2) wordt vervolgens gesplitst in een IB-deel en drie premiedelen (AOW, Anw, Wlz), naar evenredigheid van het belastingtarief eerste schijf respectievelijk de premiepercentages ten opzichte van het gecombineerde heffingspercentage (art. 8.3 tot en met 8.6 Wet IB 2001). De gecombineerde heffingskorting kan nooit hoger uitvallen dan de gecombineerde inkomensheffing die daadwerkelijk verschuldigd is (art. 8.8): een korting kan de verschuldigde belasting en premie tot nihil terugbrengen, maar niet tot een negatief bedrag leiden.
Procedure
Heffingskortingen worden niet afzonderlijk aangevraagd; ze worden verwerkt bij de aangifte IB/PVV en, voor de arbeidskorting, deels al gedurende het jaar ingehouden via de loonbelastingtabellen bij de werkgever of uitkeringsinstantie. Een werknemer met meerdere inkomstenbronnen kan de loonheffingskorting maar bij één inhoudingsplichtige tegelijk laten toepassen; bij de aangifte wordt de definitieve, jaarlijkse korting berekend en verrekend met wat al via de loonheffing is verwerkt. Bij een deel van het jaar binnenlandse belastingplicht of premieplicht (emigratie, immigratie, overlijden) wordt met name het premiedeel van de heffingskortingen tijdsevenredig herrekend naar de periode van daadwerkelijke premieplicht.
Reikwijdte: wat valt wel en niet onder arbeidsinkomen
Naast winst, loon en resultaat uit overige werkzaamheden rekent art. 8.1 lid 2 Wet IB 2001 uitdrukkelijk tot het arbeidsinkomen: loon bij tijdelijke inactiviteit (art. 7:628 BW, voor maximaal 104 weken), garantieloon (art. 7:628a lid 1, 3 en 8 BW), loon bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid (art. 7:629 BW) met bijbehorende Ziektewet-uitkeringen vóór het einde van de dienstbetrekking, en uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) met de aanvullingen daarop door de werkgever. Buiten deze opsomming ligt het lastiger, zoals de rechtspraak hierna laat zien: boventallige werknemers zonder arbeidsverplichting, niet-belastbaar buitenlands inkomen na emigratie en UWV-uitkeringen ter vervanging van loon vormen elk een eigen grensgeval.
Wettelijk kader
Heffingskortingen zijn geregeld in hoofdstuk 8 Wet IB 2001, dat is opgebouwd uit een algemeen deel (definities en berekeningsregels, art. 8.1-8.9a) en een opsomming van de afzonderlijke deelkortingen (afdeling 8.2, art. 8.10 e.v.).
Art. 8.1 Wet IB 2001 definieert de begrippen die de rest van het hoofdstuk gebruikt, waaronder het arbeidsinkomen (lid 1 onderdeel e) en de uitbreiding daarvan in lid 2 met specifieke loondoorbetalings- en uitkeringssituaties (zie hierboven onder "Reikwijdte"). Art. 8.2 somt op welke deelkortingen samen de standaardheffingskorting vormen: naast de algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn dat de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de jonggehandicaptenkorting, de ouderenkorting, de alleenstaande-ouderenkorting en de korting voor groene beleggingen; verschillende andere onderdelen van dit artikel zijn inmiddels vervallen (waaronder de werkbonus per 2018 en de combinatiekorting-voorloper per 2009).
Art. 8.3 tot en met 8.6 Wet IB 2001 regelen hoe de standaardheffingskorting wordt opgesplitst in een heffingskorting voor de inkomstenbelasting en afzonderlijke heffingskortingen voor de AOW, de Anw en de Wlz, telkens naar evenredigheid van het relevante tarief- of premiepercentage ten opzichte van het gecombineerde heffingspercentage. Art. 8.7 bevat een bijzondere regel voor het aan de AOW toe te rekenen deel van de ouderenkorting, de alleenstaande-ouderenkorting en de korting voor groene beleggingen. Art. 8.8 begrenst de gecombineerde heffingskorting op het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing: er kan niet meer worden verrekend dan er daadwerkelijk verschuldigd is.
Art. 8.9 Wet IB 2001 regelt de verhoging van de gecombineerde heffingskorting voor de minstverdienende partner. Deze regeling is een aflopende, aan een geboortejaar gebonden faciliteit: zij geldt alleen voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1 januari 1963 en die in het kalenderjaar meer dan zes maanden dezelfde partner hebben. Als de eigen gecombineerde heffingskorting van deze belastingplichtige door de begrenzing van art. 8.8 onder het "toetsniveau" (het bedrag van de eigen algemene heffingskorting) uitkomt, wordt deze verhoogd tot dat toetsniveau, met als maximum de gecombineerde inkomensheffing van de partner verminderd met diens eigen gecombineerde heffingskorting; bij overlijden in het jaar geldt een fictie dat aan de zesmaandeneis is voldaan (zie fiscaal partnerschap en Rechtspraak voor de toetsing aan discriminatie- en eigendomsbepalingen). Art. 8.9a bevat een aanvullende verhoging van het IB-deel voor niet-premieplichtigen die de verhoging van art. 8.9 als zodanig niet volledig zouden kunnen verzilveren, gemaximeerd op wat de partner aan belasting en premie verschuldigd zou zijn na aftrek van diens eigen gecombineerde heffingskorting.
Art. 8.10 en 8.11 Wet IB 2001 vormen de kern van dit hoofdstuk en zijn hierboven onder "Hoe werkt de regeling" met hun bedragen en drempels toegelicht; opvallend aan de opzet is dat lid 1 van elk artikel de kring van gerechtigden bepaalt (iedere belastingplichtige, respectievelijk alleen wie arbeidsinkomen geniet) en lid 2 pas de rekenregel geeft.
Art. 8.14a Wet IB 2001 regelt de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De voorwaarden van lid 1 (arbeidsinkomen boven de drempel, een jong kind in het huishouden gedurende ten minste zes maanden, en het ontbreken van een partner met een hoger arbeidsinkomen) staan los van de arbeidskorting, maar worden bij deeljaarsituaties in dezelfde opsplitsing IB-deel/premiedeel betrokken (ECLI:NL:HR:2024:1660, zie Rechtspraak). Bij co-ouderschap telt een kind mee zodra het ten minste 156 dagen per kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft, met een naar tijdsgelang herrekende drempel in het jaar van aanvang of beëindiging van het co-ouderschap.
Art. 8.16a Wet IB 2001 regelt de jonggehandicaptenkorting voor wie recht heeft op een Wajong-uitkering of -arbeidsondersteuning, tenzij voor diezelfde belastingplichtige al de ouderenkorting geldt. Art. 8.17 regelt de ouderenkorting en art. 8.18 de alleenstaande-ouderenkorting; beide komen terug in de rechtspraak over buitenlandse belastingplichtigen met EU-inkomen (zie Rechtspraak).
Voor situaties waarin de omstandigheden van een belastingplichtige gedurende het jaar wijzigen, zoals bij emigratie, immigratie of overlijden, geldt een tijdsevenredige vaststelling van met name het premiedeel van de heffingskortingen.
De hoogte en opbouw van zowel de algemene heffingskorting als de arbeidskorting zijn sinds de invoering van de Wet IB 2001 herhaaldelijk aangepast via achtereenvolgende Belastingplannen. Zo verhoogde het Belastingplan 2003 de arbeidskorting (Kamerstukken II 2002/03, 28607, nr. 3), voorzag het Belastingplan 2004 in een extra verhoging van de arbeidskorting voor arbeidsgehandicapten met een laag inkomen (Kamerstukken II 2003/04, 29210, nr. 38), en bracht het Belastingplan 2021 een eenmalige additionele verhoging van de algemene heffingskorting (Kamerstukken II 2020/21, 35572, nr. 6).
Belangrijkste rechtspraak
Grensoverschrijdend en deeljaar. In ECLI:NL:HR:2024:470 (2024) oordeelde de Hoge Raad dat voor een buitenlandse belastingplichtige die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, de ouderenkorting binnen de heffingskorting voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op basis van het binnenlandse inkomen uit werk en woning, en tijdsevenredig wordt verminderd naar de periode van premieplicht in het jaar; dezelfde vraag speelde in feitelijke aanleg in ECLI:NL:GHAMS:2024:2288 (2024). De prejudiciële beslissing in ECLI:NL:HR:2024:1660 (2024) sluit hierop aan voor wie slechts een deel van het jaar in Nederland belastingplichtig is: zij beschrijft hoe het IB-deel en het premiedeel van zowel de arbeidskorting als de inkomensafhankelijke combinatiekorting in dat geval worden berekend. Deze lijn loopt door naar ECLI:NL:HR:2019:1221 (2019), waarin de Hoge Raad oordeelde dat het verminderen van de algemene heffingskorting op grond van art. 8.10 lid 2 Wet IB 2001 met inachtneming van het vrijgestelde EU-salaris van een ambtenaar feitelijk neerkomt op een indirecte heffing over dat salaris, en daarom in strijd is met artikel 12 van het EU-immuniteitenprotocol: ook binnenlands belastingplichtigen kunnen dus met grensoverschrijdende immuniteitsvraagstukken te maken krijgen zodra hun inkomen (deels) is vrijgesteld.
Kwalificatie van arbeidsinkomen. De Hoge Raad besliste in ECLI:NL:HR:2014:165 (2014) dat een boventallige, van arbeid vrijgestelde werknemer geen recht heeft op de arbeidskorting, en dat interne compensatie van de vermindering van inkomstenbelasting met het premiedeel van die arbeidskorting niet mogelijk is. In ECLI:NL:HR:2021:1893 (2021) oordeelde de Hoge Raad dat het begrip arbeidsinkomen in art. 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001 niet zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook buitenlands inkomen valt dat een niet-inwoner na emigratie heeft genoten en dat niet in Nederland belastbaar is. En in ECLI:NL:HR:2024:1657 (2024) oordeelde de Hoge Raad dat de ongelijke behandeling in de arbeidskorting tussen een door het UWV en een door de werkgever uitbetaalde WGA-uitkering in strijd is met het discriminatieverbod, maar dat dit rechtstekort niet tot vermindering van de aanslag leidt omdat het aan de wetgever is om dit op te lossen. Deze drie zaken bakenen samen af welke inkomensvormen wel en niet als arbeidsinkomen in de zin van art. 8.1 en 8.11 gelden.
Partner-gerelateerde afbouw. De Hoge Raad besliste in ECLI:NL:HR:2018:429 (2018) dat de destijds in artikel 8.9 lid 2 Wet IB 2001 geregelde afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij een deel van het jaar binnenlandse belastingplicht of premieplicht is afzonderlijke, tijdsevenredige herrekening van het IB-deel en het premiedeel van elke heffingskorting het uitgangspunt (ECLI:NL:HR:2024:470, ECLI:NL:HR:2024:1660).
- Bij vrijgesteld internationaal salaris (bijvoorbeeld van EU-ambtenaren) kan de afbouw van de algemene heffingskorting op basis van dat vrijgestelde inkomen feitelijk een indirecte heffing opleveren die in strijd komt met immuniteitsbepalingen (ECLI:NL:HR:2019:1221).
- Bij de arbeidskorting blijft een UWV-WGA-uitkering — ondanks de door de Hoge Raad geconstateerde discriminatie — vooralsnog fiscaal anders behandeld dan een door de werkgever betaalde WGA-aanvulling (ECLI:NL:HR:2024:1657).
- De partnerverhoging van art. 8.9 speelt uitsluitend bij belastingplichtigen geboren vóór 1 januari 1963; voor jongere partners is deze aflopende regeling al niet meer aan de orde.
- Verwarring tussen de loonbelastingtabel-uitkomst van de arbeidskorting gedurende het jaar en de definitieve berekening bij de aangifte is een bekende bron van correcties, vooral bij wisselende inkomens of meerdere inhoudingsplichtigen binnen hetzelfde jaar.
- Bij samenloop van meerdere deelkortingen blijft de gecombineerde heffingskorting begrensd op het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing (art. 8.8), behoudens de specifieke verhogingsregelingen van art. 8.9 en 8.9a.
Recente ontwikkelingen
In ECLI:NL:HR:2024:1657 (november 2024) oordeelde de Hoge Raad dat de ongelijke behandeling in de arbeidskorting tussen een door het UWV en een door de werkgever uitbetaalde WGA-uitkering in strijd is met het discriminatieverbod, maar dat dit rechtstekort niet tot vermindering van de aanslag leidt omdat het aan de wetgever is om dit op te lossen.
Op 7 juli 2026 publiceerde de kennisgroep van de Belastingdienst het standpunt KG:204:2026:9 over de verloning (aanvulling) van de WAZO-uitkering, een onderwerp dat rechtstreeks raakt aan de vraag welke aanvullingen op WAZO-uitkeringen als arbeidsinkomen voor de arbeidskorting tellen (art. 8.1 lid 2 onderdeel d Wet IB 2001).
Kernartikelen
- Art. 8.10 Wet IB 2001 — Art. 8.10 Wet IB 2001: Algemene heffingskorting
- Art. 8.11 Wet IB 2001 — Art. 8.11 Wet IB 2001: Arbeidskorting
Belangrijkste rechtspraak
16 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2024:470 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat voor een buitenlandse belastingplichtige die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, de ouderenkorting binnen de heffingskorting voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op basis van het binnenlandse inkomen uit werk en woning, en tijdsevenredig wordt verminderd naar de periode van premieplicht in het jaar.
-
ECLI:NL:HR:2019:1221 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat het verminderen van de algemene heffingskorting op grond van artikel 8.10, lid 2, Wet IB 2001 met inachtneming van het vrijgestelde EU-salaris van een ambtenaar neerkomt op een indirecte heffing over dat salaris en daarom in strijd is met artikel 12 van het EU-immuniteitenprotocol.
-
ECLI:NL:HR:2024:1660 (2024)
De prejudiciële beslissing betreft hoe voor iemand die slechts een deel van het jaar in Nederland belastingplichtig is, het IB-deel en het premiedeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting worden berekend.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:2288 (2024)
De zaak betreft, in hoger beroep van de inspecteur en belanghebbende, of de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 na rechtsherstel box 3 moeten worden vastgesteld met inachtneming van een ouderenkorting in verband met EU-inkomen.
-
ECLI:NL:HR:2021:1893 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat het begrip arbeidsinkomen in art. 8.1 lid 1 letter e Wet IB 2001 niet zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook buitenlands inkomen valt dat een niet-inwoner na emigratie heeft genoten en dat niet in Nederland belastbaar is.
-
ECLI:NL:HR:2024:1657 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat de ongelijke behandeling in de arbeidskorting tussen een door het UWV en een door de werkgever uitbetaalde WGA-uitkering in strijd is met het discriminatieverbod, maar dat dit rechtstekort niet tot vermindering van de aanslag leidt omdat het aan de wetgever is dit op te lossen.
-
ECLI:NL:HR:2024:1881 (2024)
De zaak betreft onder meer of een wettelijke grondslag bestaat voor het in rekening brengen van belastingrente bij een wijziging van de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tussen partners.
-
ECLI:NL:HR:2018:429 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat de afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner van artikel 8.9, lid 2, Wet IB 2001 niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:2883 (2022)
Het Hof oordeelt dat de grieven van belanghebbende over onder meer de arbeidskorting, de heffing over een nabetaling van DRV-Bund en het hoorgesprek falen, bevestigt de uitspraak van de rechtbank, en verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding.
-
ECLI:NL:HR:2014:165 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat een boventallige, van arbeid vrijgestelde werknemer geen recht heeft op de arbeidskorting, en dat interne compensatie van de vermindering van inkomstenbelasting met het premiedeel van die arbeidskorting niet mogelijk is.
Beleid en standpunten
39 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 33003 nr. 3
- Kamerstuk 34302 nr. 3
-
Kamerstuk 28607 nr. 3
De memorie behandelt Belastingplan 2003 Deel I: arbeidskorting verhogen, afdrachtsverminderingen, werk-levenbalans en milieumaatregelen.
-
Kamerstuk 35026 nr. 3
De vergoeding van vakverenigingsbijdragen door werkgevers wordt tot belastbaar loon gerekend in plaats van als vrije vergoeding.
-
Kamerstuk 34552 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2017, met onderdelen inkomensbeleid, constructiebestrijding, innovatiebox en jurisprudentiegevolgen.
-
Kamerstuk 29210 nr. 38
De arbeidskorting voor arbeidsgehandicapten wordt verhoogd met 20% van het normale bedrag, onder voorwaarde van voldoende laag verzamelinkomen en een geldige verklaring arbeidsgehandicapte.
- KG:204:2026:9 (2026)
-
Kamerstuk 33003 nr. 7
De overgangsbepaling levensloopregelingen wordt gewijzigd; de leeftijdsgrens voor bepaalde voordelen wordt van 61 naar 60 jaar verlaagd; diverse technische aanpassingen inzake referentiebedragen volgen.
- Kamerstuk 35572 nr. 22
-
Kamerstuk 35302 nr. 14
De nota wijzigt bepalingen over deposito's en de berekening van leverage- en eigenvermogenratio's voor toepassing van artikel 15b-15bg Wet vennootschapsbelasting.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.