Inkomstenbelasting
Fiscaal partnerschap
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Fiscaal partnerschap bepaalt wie voor de inkomstenbelasting als elkaars partner geldt. De regeling bestaat omdat de inkomstenbelasting in beginsel individueel heft, terwijl gehuwden en duurzaam samenwonenden hun inkomen en vermogen in de praktijk vaak gezamenlijk vormen en besteden; het partnerbegrip maakt het mogelijk om bepaalde inkomens- en vermogensbestanddelen tussen die twee personen vrij toe te rekenen in plaats van ze star aan één van beiden toe te delen. De kwalificatie volgt uit huwelijk, een notarieel samenlevingscontract, of een reeks aanvullende, objectieve criteria zoals een gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een pensioenaanmelding als partner; bij een deel van die criteria is een verzoek of aanmelding van de belastingplichtige zelf onderdeel van de kwalificatie. Waar bij gehuwden en samenlevingscontractanten een formele akte het aanknopingspunt is, grijpt de wet bij de aanvullende categorieën terug op feitelijke omstandigheden, zodat partnerschap ook kan ontstaan zonder dat partijen daar zelf voor hebben gekozen.
De kwalificatie werkt door in de vrije toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, en raakt zo indirect ook regelingen zoals de eigenwoningregeling en de heffingskortingen. Omdat de kwalificatie in de tijd kan wijzigen (aanvang, beëindiging, heractivering na echtscheidingsprocedures) en meerdere regelingen aan het partnerbegrip raken, is de vaststelling ervan vaak een geschilpunt op zichzelf, los van de onderliggende inkomens- of vermogensvraag.
Wanneer speelt dit
De vraag of iemand fiscaal partner is, komt onder meer op bij: samenwonenden die overwegen een notarieel samenlevingscontract te sluiten of juist niet; ouders die op hetzelfde woonadres staan ingeschreven en een gezamenlijk kind hebben of voor elkaar een kind hebben erkend; huisgenoten bij wie op hetzelfde adres een minderjarig kind van een van beiden staat ingeschreven; mede-eigenaars van een woning die gezamenlijk als hoofdverblijf dient; deelnemers aan een pensioenregeling die een partner hebben aangemeld; en (ex-)echtgenoten tijdens of na een echtscheidingsprocedure. Ook bij toerekening van inkomsten uit de eigen woning tussen partners, en bij de vraag of een samenlevingscontract aan de voorwaarden voldoet voor aanpalende regelingen zoals de schenkingsvrijstelling eigen woning, is de kwalificatie van fiscaal partnerschap een startpunt.
Hoe werkt de regeling
Wie kwalificeert. Partnerschap ontstaat op een van de volgende gronden:
- Huwelijk of geregistreerd partnerschap: de echtgenoot is automatisch partner (art. 5a lid 1 onderdeel a AWR), ongeacht of beide echtgenoten feitelijk samenwonen.
- Ongehuwd samenwonen met notarieel samenlevingscontract: vereist zijn zowel een notarieel samenlevingscontract als inschrijving op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen (BRP) of een daarmee vergelijkbare buitenlandse registratie (art. 5a lid 1 onderdeel b AWR); het ontbreken van één van beide elementen sluit partnerschap op deze grondslag uit.
- Voor de inkomstenbelasting breidt art. 1.2 lid 1 Wet IB 2001 dit uit met vijf aanvullende, feitelijke categorieën voor wie op hetzelfde woonadres staat ingeschreven zonder samenlevingscontract: een gezamenlijk kind of erkenning van een kind; aanmelding als partner bij een pensioenregeling; een gezamenlijke woning die anders dan tijdelijk als hoofdverblijf dient op grond van eigendom (of economisch eigendom) of coöperatief lidmaatschap; inschrijving van een minderjarig kind van een van beiden op hetzelfde adres; en partnerschap in het voorafgaande kalenderjaar.
Uitzonderingen. Ondanks het voldoen aan een van bovenstaande gronden geldt géén partnerschap voor: bloed- of aanverwanten in de eerste graad, tenzij beiden bij aanvang van het kalenderjaar 27 jaar of ouder zijn; niet-inwoners die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zijn; en personen jonger dan 27 jaar voor wie de belastingplichtige pleegvergoeding of kinderbijslag ontving, mits een gezamenlijk verzoek is ingediend om niet als partners te worden aangemerkt. Voor huisgenoten die uitsluitend via de inschrijving van een minderjarig kind (categorie 3, laatste onderdeel) partner zouden worden, bestaat een tegenbewijsmogelijkheid via een schriftelijke, zakelijke huurovereenkomst. Een aanverwant (bijvoorbeeld een schoonouder) valt alleen onder de bloedverwant-uitsluiting als belastingplichtige en aanverwant daar samen een verzoek toe indienen; zonder zo'n verzoek werkt die uitsluiting niet automatisch door naar aanverwanten. Bij verblijf in een opvanginstelling in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 telt inschrijving van een minderjarig kind evenmin als partnerschapsgrond, mits een afschrift van de betreffende maatwerkvoorziening-beschikkingen wordt overgelegd. Op enig moment kan iemand bovendien maar één partner hebben; bij samenloop van meerdere huwelijken of samenlevingscontracten telt de oudste verbintenis, en bij samenloop met de aanvullende IB-categorieën gaat een partnerschap op grond van art. 5a AWR voor.
Concrete grenzen en termijnen.
| Grens of termijn | Waarde | Vindplaats |
|---|---|---|
| Leeftijdsgrens bloed-/aanverwant eerste graad (uitzondering vervalt als beiden dit bereikt hebben) | 27 jaar | art. 1.2 lid 4 onderdeel a Wet IB 2001 |
| Leeftijdsgrens pleegvergoeding-/kinderbijslag-uitzondering | 27 jaar | art. 1.2 lid 4 onderdeel c Wet IB 2001 |
| Minimale samenwoonperiode voor de partnerschapsfictie bij de inkomensafhankelijke combinatiekorting | 6 maanden | KG:202:2024:16 |
| Termijn voor inschrijving van de echtscheidingsbeschikking voordat partnerschap definitief (niet-herlevend) eindigt | 2 jaar na de uitspraak | KG:202:2023:3 |
Gevolg van kwalificatie. Fiscale partners mogen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen (zoals inkomsten uit de eigen woning) en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen vrij aan elkaar toerekenen, in elke onderlinge verhouding, zolang de aanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Voor wie niet als partner kwalificeert, geldt geen keuzevrijheid: box 3-vermogen en eigenwoninginkomsten worden dan naar de eigen, wettelijke aandelen belast. Buiten de toerekeningsvrijheid werkt partnerschap door in de berekening van diverse regelingen die op het gezamenlijke huishouden aangrijpen, waaronder de heffingskortingen.
Procedure. Voor de basisgronden (huwelijk, samenlevingscontract, kind, woning, pensioenaanmelding) is geen aparte aanvraag nodig: de kwalificatie volgt automatisch uit de BRP-inschrijving in combinatie met de burgerlijke staat of de feitelijke omstandigheid. Alleen voor de uitzonderingssituaties is een actief verzoek vereist: het tegenbewijsverzoek bij zakelijke kamerverhuur, het gezamenlijk verzoek van pleegouder en pleegkind (of kinderbijslagontvanger) om niet als partners te gelden, en het gezamenlijk verzoek van aanverwanten om de bloedverwant-uitsluiting op zichzelf van toepassing te laten zijn. Op elk van deze verzoeken beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking, zodat bezwaar en beroep openstaan tegen een afwijzing. De uitkomst van zo'n verzoek werkt automatisch door naar de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zodat voor toeslagen niet afzonderlijk hoeft te worden verzocht.
Reikwijdte. Onder het partnerbegrip vallen niet: kamerverhuurders die voldoen aan de zakelijke-huur-tegenbewijsregeling; niet-ingezetenen zonder status van kwalificerende buitenlandse belastingplichtige; en, ondanks feitelijke duurzame scheiding van gehuwden, echtgenoten voor wie nog geen echtscheidings- of scheiding-van-tafel-en-bedverzoek is ingediend of die nog op hetzelfde adres staan ingeschreven. Wél onder het partnerbegrip vallen, ook zonder samenlevingscontract: mede-eigenaars van een gezamenlijke woning die niet aan de fiscale definitie van eigen woning hoeft te voldoen, en degenen die voor pensioentoepassing als partner zijn aangemeld, ook als die aanmelding niet met NAW-gegevens bij de pensioenuitvoerder is verwerkt.
Wettelijk kader
Het basisbegrip staat in art. 5a AWR. Lid 1 merkt als partner aan de echtgenoot (onderdeel a), of de ongehuwde meerderjarige met wie een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en die op hetzelfde woonadres staat ingeschreven (onderdeel b). Lid 2 laat een partnerschap dat voor een deel van het jaar op grond van lid 1 ontstaat, doorwerken naar de overige perioden van dat jaar waarin nog aan de inschrijvingsvoorwaarde is voldaan. Lid 3 stelt van tafel en bed gescheiden personen voor de toepassing van lid 1 gelijk aan ongehuwden. Lid 4 bepaalt dat partnerschap eindigt zodra een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend én de betrokkene niet meer op hetzelfde adres staat ingeschreven; beide voorwaarden moeten gelijktijdig vervuld zijn. Lid 5 is de enkelvoudigheidsregel: iemand kan op enig moment maar één partner hebben; bij meerdere huwelijken telt de oudste verbintenis, bij meerdere samenlevingscontracten het oudste contract, en een samenlevingscontract met meer dan één persoon telt niet mee. Lid 6 maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling vast te stellen wanneer een niet-inwoner geacht wordt op zijn adres ingeschreven te staan in een met de BRP vergelijkbare buitenlandse registratie. Lid 7 bepaalt dat een samenlevingscontract-partnerschap blijft bestaan als de gezamenlijke inschrijving wegvalt door opname in een verpleeg- of verzorgingshuis om medische of ouderdomsredenen, tenzij een van beiden dit schriftelijk aan de inspecteur meldt.
Art. 1.2 Wet IB 2001 breidt dit begrip voor de inkomstenbelasting uit en beperkt het op onderdelen. Lid 1 bevat de vijf aanvullende categorieën (gezamenlijk kind of erkenning, pensioenaanmelding, gezamenlijke woning als hoofdverblijf, inschrijving minderjarig kind met tegenbewijsmogelijkheid, en partnerschap in het voorgaande jaar). Lid 2 kent, net als art. 5a lid 2 AWR, een continuïteitsregel: wie voor een deel van het jaar op grond van lid 1 partner is, geldt ook als partner in de overige perioden waarin beiden op hetzelfde adres staan ingeschreven. Lid 3 is de enkelvoudigheidsregel voor de IB-categorieën, met voorrang voor een partnerschap dat al op grond van art. 5a AWR bestaat. Lid 4 sluit uitdrukkelijk uit: bloed- of aanverwanten in de eerste graad tenzij beiden bij aanvang van het jaar 27 jaar of ouder zijn (onderdeel a), niet-inwoners zonder KBB-status (onderdeel b), en personen jonger dan 27 jaar voor wie pleegvergoeding of kinderbijslag is ontvangen, mits een gezamenlijk verzoek is gedaan (onderdeel c). Lid 5 verlengt de partnerstatus, net als art. 5a lid 7 AWR, bij opname in een verpleeg- of verzorgingshuis. Lid 6 stelt (voormalige) fiscale partners voor de bepaling van aanverwantschap gelijk aan (voormalige) gehuwden. Lid 7 sluit partnerschap op grond van lid 1 onderdeel e uit voor wie in een Wmo-opvanginstelling verblijft, mits een afschrift van de maatwerkvoorziening-beschikkingen wordt overgelegd. Lid 8 bepaalt dat een aanverwant alleen onder de uitsluiting van lid 4 onderdeel a valt na een gezamenlijk verzoek bij de inspecteur. Lid 9 laat de uitkomst van verzoeken onder lid 1 onderdeel e, lid 4 onderdeel c of lid 8 doorwerken naar de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Lid 10 bepaalt dat de inspecteur op die verzoeken beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Belangrijkste rechtspraak
Kwalificatiegrondslag zelf. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2010:BL7267 (2010) dat de enkele omstandigheid dat gehuwden gedurende (minder dan) zes maanden per jaar geen gezamenlijke huishouding voerden, onvoldoende is om als duurzaam gescheiden levend te gelden: vereist is dat ieder van beiden afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet gehuwd was, en dat dit door hen als blijvend is bedoeld. In dezelfde uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat een ander kwalificatiecriterium voor gehuwden dan voor ongehuwd samenwonenden niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat echtgenoten een afdwingbare wettelijke zorgverplichting jegens elkaar hebben die het onderscheid rechtvaardigt, en dat dit evenmin een inbreuk vormt op de vrijheid van godsdienst. In ECLI:NL:GHAMS:2021:4084 (2021) oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat geen sprake was van partnerschap in de zin van art. 1a lid 1 onderdeel c Successiewet omdat het samenlevingscontract geen wederzijdse zorgverplichting bevatte, waardoor de verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning niet gold: de inhoud van het contract, niet alleen het bestaan ervan, is bepalend. Beide uitspraken bevestigen dat de wet aan de vorm van de relatie (huwelijk versus contract) een zwaardere zorgverplichting koppelt, en dat die zorgverplichting ook inhoudelijk getoetst wordt zodra een contract als grondslag wordt aangevoerd.
Partnerschap als zelfstandig geschilpunt. In ECLI:NL:GHAMS:2023:723 (2023) stond de vraag of belanghebbende en een ander voor het betreffende jaar fiscale partners waren, naast de kwalificatie van een woning als box 3-vermogen en de omvang van het heffingvrij vermogen; de partnerkwalificatie speelde hier als zelfstandig geschilpunt naast de vermogensvragen, wat illustreert dat de kwalificatievraag los van de onderliggende materiële kwestie kan worden betwist.
Toerekening tussen erkende partners. In ECLI:NL:GHARL:2024:1090 (2024) ging het om de vraag of en in hoeverre fiscale partners de onderlinge verhouding van de belastbare inkomsten uit eigen woning nog konden wijzigen; het hof verminderde de navorderingsaanslag IB/PVV 2018. In ECLI:NL:GHAMS:2021:1311 (2021) oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat de inspecteur op grond van een nieuw feit mocht navorderen en dat in de navorderingsaanslagen terecht 50% van de belastbare inkomsten uit eigen woning bij de belanghebbende in aanmerking was genomen. Beide zaken laten zien dat de vrije toerekening tussen partners geen vrijbrief is voor elke gewenste verdeling achteraf: zodra een aanslag onherroepelijk vaststaat of de inspecteur een nieuw feit heeft, ligt de eerder gehanteerde verdeling in beginsel vast.
Aandachtspunten voor de praktijk
Bij ongehuwd samenwonenden zijn voor partnerschap op grond van art. 5a lid 1 onderdeel b AWR beide elementen van belang: zowel het notarieel samenlevingscontract als de gelijktijdige inschrijving op hetzelfde woonadres zijn vereist. Bij een bestaand samenlevingscontract is de inhoud (zoals een wederzijdse zorgverplichting) bepalend voor aanpalende regelingen waarvoor partnerschap een deelvoorwaarde is; het enkele bestaan van een contract voldoet niet vanzelfsprekend. Bij inschrijving van een minderjarig kind van een van beide huisgenoten op hetzelfde adres (art. 1.2 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001) geldt de tegenbewijsmogelijkheid alleen na een verzoek, onderbouwd met een schriftelijke huurovereenkomst waaruit blijkt dat op zakelijke gronden een gedeelte van de woning wordt gehuurd. Bij samengestelde huishoudens met meerdere volwassenen op één adres speelt de enkelvoudigheidsregel actief: bij drie meerderjarigen zonder samenlevingscontract of huwelijk kwalificeren maximaal twee van hen op hun onderlinge voorwaarden als fiscale partners, niet alle drie onderling. Bij echtscheidingstrajecten zijn het moment van indiening van het verzoek en het moment van uitschrijving van hetzelfde adres afzonderlijk van belang, omdat beide voorwaarden van art. 5a lid 4 AWR gelijktijdig vervuld moeten zijn voordat het partnerschap eindigt; blijft de echtscheidingsbeschikking langer dan twee jaar na de uitspraak ongeregistreerd, of wonen de (ex-)echtgenoten weer samen vóór de echtscheiding is uitgesproken, dan herleeft het partnerschap. Bij een pensioenaanmelding is niet doorslaggevend of de aanmelding ook met NAW-gegevens bij de pensioenuitvoerder is verwerkt, zolang de inschrijving op hetzelfde woonadres en de aanmelding zelf vaststaan.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst-kennisgroep publiceerde in mei 2025 (KG:202:2025:8) een standpunt over meerdere belastingplichtigen op één woonadres in combinatie met een minderjarig kind en een zakelijke huurovereenkomst: wie op hetzelfde adres staat ingeschreven kan fiscaal partner zijn, terwijl een huisgenoot die aan de zakelijke-huur-uitzondering voldoet, dat niet is. Dit sluit aan bij het eerdere kennisgroepstandpunt (KG:202:2023:36) over drie meerderjarige belastingplichtigen op één woonadres zonder samenlevingscontract, waarin de kennisgroep concludeerde dat dan slechts twee van de drie op hun onderlinge voorwaarden als fiscale partners kwalificeren.
Over het ontstaan, de continuïteit en de beëindiging van partnerschap zijn de afgelopen jaren meerdere kennisgroepstandpunten gepubliceerd. Bij een lopende echtscheidingsprocedure herleeft het partnerschap als de echtscheidingsbeschikking niet binnen twee jaar na de uitspraak in de registers van de burgerlijke stand wordt ingeschreven (KG:202:2023:3), of als de (ex-)echtgenoten weer gaan samenwonen voordat de echtscheiding is uitgesproken (KG:202:2023:1); wordt een echtscheidingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard, dan herleeft het partnerschap eveneens omdat het huwelijk nooit is opgeheven (KG:202:2023:2). Een geregistreerd partnerschap dat met wederzijds goedvinden wordt beëindigd, eindigt fiscaal al op het moment dat beide partners de beëindigingsovereenkomst ondertekenen, zonder verdere administratieve stappen (KG:202:2023:4). Voor de categorie "partnerschap in het voorafgaande kalenderjaar" van art. 1.2 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 geldt bovendien dat geen aaneengesloten periode op hetzelfde woonadres is vereist (KG:202:2024:36).
Ook de aanvullende categorieën van art. 1.2 lid 1 Wet IB 2001 zijn nader ingevuld. Een gezamenlijke woning waarvan twee personen mede-eigenaar zijn, hoeft geen eigen woning in de zin van art. 3.111 Wet IB 2001 te zijn om onder onderdeel d partnerschap te vestigen (KG:202:2024:13). Bij een pensioenregeling kwalificeert iemand als partner op grond van onderdeel c zodra hij op hetzelfde woonadres staat ingeschreven en voor pensioentoepassing als partner is aangemeld, ongeacht of die aanmelding ook bij de pensioenuitvoerder zelf met NAW-gegevens is verwerkt (KG:202:2023:43). Los van het partnerbegrip zelf kent de inkomensafhankelijke combinatiekorting een eigen partnerschapsfictie, die al geldt voor wie ten minste zes maanden samenwoont en een gezamenlijke huishouding voert, ook zonder inschrijving op hetzelfde adres in de basisregistratie personen (KG:202:2024:16).
Kernartikelen
- Art. 1.2 Wet IB 2001 — Art. 1.2 Wet IB 2001: Uitbreiding en beperking partnerregeling
- Art. 5a AWR
Belangrijkste rechtspraak
17 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2025:1852 (2025)
De zaak betreft welk bedrag aan rente en kosten van geldleningen voor de eigen woning in aanmerking moet worden genomen op grond van het echtscheidingsconvenant, en of belanghebbende recht heeft op aftrek wegens een onderhoudsverplichting, nadat de rechtbank het beroep ongegrond had verklaard.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:4084 (2021)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de partner niet kwalificeert als partner in de zin van artikel 1a, lid 1, onderdeel c, Successiewet omdat het samenlevingscontract geen wederzijdse zorgverplichting bevat, zodat geen verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning geldt.
-
ECLI:NL:HR:2025:1158 (2025)
De zaak betreft of Nederland als (voormalige) werkstaat op grond van art. 45 VWEU en de Schumacker-doctrine rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezeten belastingplichtige in Frankrijk; de Hoge Raad stelt hierover prejudiciële vragen.
-
ECLI:NL:HR:2022:1121 (2022)
De Hoge Raad stelt het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen over de uitleg van het Lexel-arrest voor de toepassing van art. 10a lid 1 letter c Wet Vpb, met name of renteaftrek moet worden toegestaan wanneer de rente op de lening zelf at arm's length is.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:774 (2020)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat het hoger beroep tegen vaststelling van het belastbare inkomen uit eigen woning ongegrond is; een onbillijke uitkomst rechtvaardigt geen afwijking van de Wet IB 2001, want de hardheidsclausule is voorbehouden aan de Minister van Financiën.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:1090 (2024)
De zaak betreft de vraag of en in hoeverre fiscale partners de onderlinge verhouding van de belastbare inkomsten uit eigen woning nog konden wijzigen; het hof vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.408.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:723 (2023)
De zaak betreft of belanghebbende en een ander voor het jaar 2016 fiscale partners zijn, of een woning terecht als box 3-vermogen is aangemerkt, of het box 3-vermogen te hoog is vastgesteld en of belanghebbende aanspraak kan maken op heffingvrij vermogen.
-
ECLI:NL:RBGEL:2018:1697 (2018)
Bij een meerrelatie zonder notarieel samenlevingscontract is de verkrijger geen partner voor de erfbelasting; het beroep op het gelijkheidsbeginsel met de inkomstenbelasting faalt omdat een notarieel samenlevingscontract ontbreekt en de gevallen niet gelijk zijn.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:1311 (2021)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur op grond van een nieuw feit mocht navorderen en dat in de navorderingsaanslagen terecht 50 procent van de belastbare inkomsten uit eigen woning bij de belanghebbende in aanmerking is genomen.
-
ECLI:NL:GHARL:2022:5910 (2022)
Het hof vernietigt de aanslag erfbelasting en oordeelt dat belanghebbende, die na het overlijden van de echtgenoot van erflaatster met erflaatster is blijven samenwonen zonder notarieel samenlevingscontract, recht heeft op de partnervrijstelling.
Beleid en standpunten
54 bronnen in de kennisbank-
KG:202:2025:8 (2025)
Standpunt: A en C zijn fiscaal partners als beide ingeschreven op hetzelfde adres; B die op basis van schriftelijke zakelijke huurovereenkomst voldoet aan de uitzondering, vormt geen partnerschap.
-
KG:202:2024:36 (2024)
Standpunt: Voor fiscaal partnerschap artikel 1.2 lid f Wet IB 2001 is geen aaneengesloten periode op hetzelfde woonadres vereist.
-
KG:202:2024:13 (2024)
Standpunt: Een gezamenlijke woning waarvan twee personen mede-eigenaar zijn hoeft geen eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 te zijn om fiscaal partnerschap van artikel 1.2 Wet IB 2001 te vormen.
-
KG:202:2023:36 (2023)
Standpunt: Fiscale partners voor inkomstenbelasting zijn uitsluitend gehuwde personen of meerderjarige samenwonenden met notarieel samenlevingscontract op hetzelfde woonadres. Bij drie volwassenen op één adres zonder dergelijke akten zijn alleen twee personen (op hun onderlinge voorwaarden) fiscale partners.
-
KG:202:2023:43 (2023)
Standpunt: Een persoon kwalificeert als fiscale partner voor pensioenregelingen op grond van artikel 1.2 Wet IB 2001 indien deze op hetzelfde woonadres staat ingeschreven en voor pensioentoepassing als partner is aangemeld, ongeacht of die aanmelding bij de pensioenuitvoerder plaatsvindt.
-
KG:202:2024:16 (2024)
Standpunt: De partnerschapsfictie voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor personen die ten minste zes maanden samen wonen en gezamenlijke huishouding voeren, ook zonder inschrijving op hetzelfde adres in de BRP.
-
KG:202:2023:3 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap wordt onderbroken tijdens een echtscheidingsprocedure, maar herleeft als de beschikking niet binnen twee jaar na uitspraak in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
-
KG:202:2023:2 (2023)
Standpunt: Bij niet-ontvankelijkverklaring van een echtscheidingsverzoek die onherroepelijk is geworden, ontstaat fiscaal partnerschap opnieuw, omdat het huwelijk nooit is opgeheven en de partners opnieuw als echtgenoten gelden.
-
KG:202:2023:1 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap bestaat tot indiening echtscheidingsverzoek en herleeft bij hersamenwoning vóór echtscheiding, ongeacht uitspraak van de rechter.
-
KG:202:2023:4 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap eindigt op het moment dat beide partners de beëindigingsovereenkomst voor hun geregistreerd partnerschap hebben ondertekend. Verdere administratieve stappen zijn niet vereist.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.