Vennootschapsbelasting
Innovatiebox
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De innovatiebox is een preferentieel regime in de vennootschapsbelasting voor voordelen uit zelf voortgebrachte immateriële activa die voortvloeien uit eigen speur- en ontwikkelingswerk (S&O). De regeling bestaat om innovatie in Nederland fiscaal te bevorderen: winst die aantoonbaar het resultaat is van eigen R&D wordt niet tegen het gewone tarief belast, maar effectief tegen 9%, via een breukbenadering die is vastgelegd in art. 12b Wet VPB 1969.
De regeling is nexusgebaseerd: het voordeel wordt gekoppeld aan de mate waarin de belastingplichtige het onderliggende speur- en ontwikkelingswerk zelf heeft verricht of bij niet-verbonden partijen heeft uitbesteed (art. 12bb Wet VPB 1969). Toegang vereist steeds een S&O-verklaring; voor grotere belastingplichtigen komt daar een aanvullend juridisch toegangsticket bij, zoals een octrooi, kwekersrecht of vergelijkbaar recht. Voor kleinere belastingplichtigen volstaat de S&O-verklaring als enige toegangseis (art. 12ba Wet VPB 1969).
Het huidige regime van art. 12b-12bg Wet VPB 1969 geldt sinds 1 januari 2017 en is nexusgebaseerd naar OESO-BEPS-model (actie 5). Het regime dat gold tot en met 31 december 2016 kende geen nexusbreuk en is met het Belastingplan 2017 vervangen; goedkeurend beleid van vóór die datum ziet uitsluitend op het oude regime en is niet zonder meer van toepassing op de huidige opzet.
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij ondernemingen die zelf ontwikkelde immateriële activa exploiteren waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven, zoals software, gepatenteerde producten, kwekersrechten of geneesmiddelvergunningen. Het speelt bij de aangiftekeuze voor het regime, bij herstructurering van R&D binnen een fiscale eenheid of concern, bij doorontwikkeling van bestaand intellectueel eigendom, bij grensoverschrijdende licentieverhoudingen waarbij royalty's aan een buitenlandse groepsmaatschappij worden betaald of ontvangen, en bij zekerheid vooraf over kwalificatie van activa of toerekening van voordelen aan een gevoegde dochtermaatschappij.
Hoe werkt de regeling
Wie kwalificeert
- S&O-verklaring. Iedere gebruiker van de innovatiebox heeft een S&O-verklaring nodig als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (art. 12ba lid 1 Wet VPB 1969). Zonder S&O-verklaring is er geen toegang tot het regime, ongeacht de omvang van de belastingplichtige.
- Omvangstoets: kleinere of grotere belastingplichtige. Beide criteria in de tabel hieronder gelden cumulatief ("en") en worden getoetst over het jaar zelf én de vier voorafgaande jaren tezamen. Bij een groep als bedoeld in art. 2:24b BW geldt de geconsolideerde omzet van die groep over diezelfde periode; maakt de belastingplichtige in enig jaar deel uit van meer dan één groep, dan telt de groep met de grootste netto-omzet in dat jaar (art. 12ba lid 2 en 3 Wet VPB 1969).
- Aanvullend toegangsticket bij grotere belastingplichtigen. Wie niet aan beide omvangscriteria voldoet, heeft naast de S&O-verklaring één van de volgende tickets nodig: een verleend of aangevraagd octrooi of kwekersrecht, programmatuur, een toelating voor een niet-chemische gewasbeschermingsmethode, een vergunning voor een geneesmiddel in een EU-lidstaat, een aanvullend beschermingscertificaat, een geregistreerd gebruiksmodel, of een activum dat met een van deze samenhangt (art. 12ba lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969). De opsomming is verbonden met "of": één ticket volstaat, cumulatie is niet vereist.
- Exclusieve licentie telt ook mee. Wie niet zelf rechthebbende is maar over een exclusieve licentie beschikt om een van deze rechten op een bepaalde wijze, voor een bepaalde termijn of in een bepaald geografisch gebied te gebruiken, voldoet daarmee eveneens aan het toegangsticket-vereiste (art. 12ba lid 4 Wet VPB 1969). De kwalificerende voordelen zijn dan wel beperkt tot het deel dat uit het gebruik van die licentie voortvloeit (art. 12bb lid 4 Wet VPB 1969).
- Zelf voortgebracht, ook bij doorontwikkeling. Bij doorontwikkeling van een activum dat niet zelf is voortgebracht, telt alleen het deel mee dat door het eigen S&O-werk heeft geleid tot een nieuw immaterieel activum (art. 12ba lid 5 Wet VPB 1969).
- Uitgesloten. Merken, logo's en daarmee vergelijkbare vermogensbestanddelen zijn nooit een kwalificerend immaterieel activum, ook niet als daar S&O-werk aan ten grondslag ligt (art. 12ba lid 6 Wet VPB 1969).
| Criterium (art. 12ba lid 2, jaartal 2026) | Drempel | Toetsperiode |
|---|---|---|
| Voordelen uit S&O-activa met S&O-verklaring, vermeerderd met de kosten ter verwerving daarvan | tezamen lager dan € 37.500.000 | het jaar + de vier voorafgaande jaren |
| Netto-omzet (eigen jaarrekening, of geconsolideerde omzet van de groep) | tezamen lager dan € 250.000.000 | het jaar + de vier voorafgaande jaren |
Wordt niet aan beide criteria tegelijk voldaan, dan geldt de belastingplichtige als grotere belastingplichtige en is het aanvullende toegangsticket verplicht.
Wat is het gevolg van toepassing
Kwalificerende voordelen worden, na de nexusbreuk en de drempel (zie hieronder), niet belast tegen het gewone VPB-tarief maar voor 9/H deel in aanmerking genomen, waarbij H het percentage is van het hoogste tarief van art. 22 Wet VPB 1969 in het jaar van genieten (art. 12b Wet VPB 1969). Omdat 9/H vervolgens weer met H% wordt belast, komt dit rekenkundig steeds neer op een effectief tarief van 9% over de kwalificerende voordelen, ongeacht de hoogte van het reguliere tarief in een gegeven jaar.
| Tariefonderdeel | Percentage / bedrag | Jaar |
|---|---|---|
| Regulier VPB-tarief, eerste schijf (tot € 200.000 belastbaar bedrag) | 19% | 2026 |
| Regulier VPB-tarief, tweede schijf (boven € 200.000, basisbedrag € 38.000 aan de schijfgrens) | 25,8% | 2026 |
| Effectief tarief kwalificerende innovatieboxvoordelen (9/H × H) | 9% | ongewijzigd zolang art. 12b geldt |
De eerste volzin van art. 12b vindt alleen toepassing voor zover het saldo van de kwalificerende voordelen positief is: bij een negatief saldo is er geen ruimte voor de breuk en werkt een verlies uit het activum dus tegen het reguliere tarief door.
Nexusbreuk: welk deel van de voordelen kwalificeert
Niet het volledige voordeel uit het activum valt onder het verlaagde tarief, maar alleen het deel dat overeenkomt met de mate van eigen S&O-inspanning. De breuk is K/T (art. 12bb lid 1 Wet VPB 1969), waarbij:
- K de kwalificerende uitgaven zijn: eigen uitgaven aan S&O-werk plus uitgaven voor het uitbesteden van dat werk aan een niet-verbonden lichaam, vermenigvuldigd met 1,3 (een verhoging die inbesteed werk bij eigen groepsmaatschappijen gedeeltelijk compenseert, tot maximaal het niveau van T);
- T de totale uitgaven zijn voor het voortbrengen van het activum, dus inclusief uitbesteding aan verbonden lichamen.
Uitgaven aan schulden, huisvesting en andere kosten zonder direct verband met het S&O-werk blijven buiten zowel teller als noemer (art. 12bb lid 8 Wet VPB 1969). Bij samenhangende activa die niet afzonderlijk te waarderen zijn, worden voordelen, drempel en breuk per groep van samenhangende activa bepaald (art. 12bb lid 3 Wet VPB 1969); ook geldt de meest passende methode gelet op de aard van de onderneming en het S&O-werk (art. 12bb lid 2 Wet VPB 1969).
Drempel: eerst de eerder afgetrokken kosten inlopen
Vóór het verlaagde tarief geldt, moeten de voortbrengingskosten die in eerdere jaren al tegen het gewone tarief ten laste van de winst zijn gebracht, eerst worden "ingelopen". De drempel van art. 12bc lid 1 Wet VPB 1969 bestaat uit: (a) het saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten aan het einde van het voorafgaande jaar, vermeerderd met (b) de voortbrengingskosten van het jaar zelf waarvoor voor toepassing van art. 12b is gekozen, en eventueel vermeerderd met (c) de waarde in het economische verkeer van het activum in bepaalde step-up-situaties bij een eerder toegepaste objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinst (art. 15e Wet VPB 1969). Pas voor zover de voordelen deze drempel te boven gaan, is sprake van kwalificerende voordelen (art. 12bb lid 1 Wet VPB 1969, "na vermindering van deze voordelen met de drempel").
Procedure
De keuze voor toepassing van de innovatiebox wordt gemaakt bij de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar zelf; toepassing werkt vanaf dat jaar (art. 12b Wet VPB 1969). Naast deze jaarlijkse aangiftekeuze bestaat een gepubliceerde rulingpraktijk waarin de kwalificatie van activa en de toerekening van voordelen vooraf worden afgestemd met de Belastingdienst, via het College Internationale Fiscale Zekerheid. Dat vooroverleg is met name gangbaar bij fiscale eenheden met een gevoegde dochtermaatschappij die het S&O-werk verricht of die immateriële activa in licentie geeft aan een buitenlandse groepsmaatschappij, waarbij vooraf zekerheid wordt gevraagd voor een periode van meerdere jaren (doorgaans vier tot zes jaar in de gepubliceerde rulings).
Reikwijdte: wat valt wel en niet onder de regeling
Onder de innovatiebox vallen zelf voortgebrachte immateriële activa met een S&O-verklaring, eventueel aangevuld met een van de genoemde toegangstickets, inclusief het deel van een doorontwikkeld activum dat aantoonbaar nieuw is. Ook een exclusieve licentie op zo'n recht kan meetellen, beperkt tot het gebruik van die licentie. Buiten de regeling vallen: merken, logo's en vergelijkbare vermogensbestanddelen (uitdrukkelijk uitgesloten), het deel van een doorontwikkeld activum dat geen nieuw activum oplevert, en uitgaven aan schulden, huisvesting of andere kosten zonder direct verband met het S&O-werk bij het bepalen van de nexusbreuk. Bij grensoverschrijdende structuren met verrekenprijzen is verder van belang dat alleen uitbesteding aan een niet-verbonden lichaam de kwalificerende uitgaven (K) verhoogt; uitbesteding aan een verbonden lichaam telt wel mee in T maar (afgezien van de 1,3-ophoging) niet in K, en drukt zo de nexusbreuk.
Wettelijk kader
Kwalificerend immaterieel activum (art. 12ba Wet VPB 1969). Dit artikel bevat de toegangsdefinitie voor het regime en is hierboven onder "Wie kwalificeert" uitgewerkt: het onderscheid kleinere/grotere belastingplichtige (lid 2 en 3), de opsomming van toegangstickets (lid 1 onderdeel b), de exclusieve licentie als vervangend ticket (lid 4), de doorontwikkelingsregel (lid 5) en de uitsluiting van merken en logo's (lid 6).
Nexusbreuk (art. 12bb Wet VPB 1969). Dit artikel regelt hoeveel van het voordeel daadwerkelijk kwalificeert. Lid 1 geeft de K/T-formule; lid 2 en 3 laten ruimte voor een passende bepalingswijze en voor bundeling van samenhangende activa; lid 4 beperkt de voordelen bij een activum dat via een exclusieve licentie kwalificeert; lid 5 t/m 7 definiëren kwalificerende en totale uitgaven, met inbegrip van uitgaven binnen een samenwerkingsovereenkomst voor gemeenschappelijke rekening (lid 6); lid 8 sluit schuld-, huisvestings- en andere niet-directe kosten uit.
Drempel (art. 12bc lid 1 Wet VPB 1969). Dit artikel voorkomt dat kosten die al tegen het gewone tarief zijn afgetrokken, via de innovatiebox nogmaals tegen het verlaagde tarief "terugkomen": pas voordelen boven de opgebouwde drempel kwalificeren.
Effectief tarief (art. 12b Wet VPB 1969). Dit artikel bepaalt het rekenkundige mechanisme (9/H) waarmee het verlaagde tarief tot stand komt, gekoppeld aan het hoogste tarief van art. 22 Wet VPB 1969, en sluit toepassing uit bij een negatief saldo van kwalificerende voordelen.
Belangrijkste rechtspraak
Gepubliceerde rechtspraak over de innovatiebox concentreert zich vooralsnog op de grensoverschrijdende kant van de regeling: de verrekening van buitenlandse bronbelasting op innovatiebox-royalty's. In de conclusie ECLI:NL:PHR:2024:802 (Parket bij de Hoge Raad, 2024) staat de vraag centraal of voortgewentelde buitenlandse bronbelasting op innovatiebox-royalty's ook in latere jaren uitsluitend verrekenbaar is met vennootschapsbelasting over innovatiebox-royalty's, en niet met belasting over overige passieve inkomsten, zelfs wanneer de belastingplichtige door een wetswijziging niet meer aan de innovatiebox-voorwaarden voldoet. Het gaat om een conclusie van de Advocaat-Generaal; er is nog geen arrest van de Hoge Raad zelf. Praktisch relevant is dat de zaak laat zien dat de gebondenheid van voortgewentelde bronbelasting aan de innovatiebox-bron een zelfstandig aandachtspunt is dat losstaat van de vraag of de belastingplichtige in het verrekeningsjaar zelf nog aan de innovatiebox-voorwaarden voldoet.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij grotere belastingplichtigen bepaalt de vijfjaars-omvangstoets van art. 12ba lid 2 (cumulatief voordelen- én omzetcriterium) mede of naast de S&O-verklaring een aanvullend toegangsticket nodig is; die toets loopt over het lopende jaar en de vier voorafgaande jaren tezamen, niet over het lopende jaar alleen.
- Bij doorontwikkeling van bestaand intellectueel eigendom loopt de afbakening tussen het "oude" en het nieuwe, zelf voortgebrachte deel van het activum via art. 12ba lid 5; alleen het nieuwe deel telt mee.
- Bij het bepalen van de nexusbreuk drukt uitbesteding van S&O-werk aan een verbonden lichaam de teller (K) sterker dan de noemer (T), omdat alleen uitbesteding aan niet-verbonden partijen de 1,3-ophoging krijgt; dit raakt direct aan de verrekenprijzen binnen het concern voor dat S&O-werk.
- De drempel van art. 12bc werkt cumulatief: in jaren met beperkte voordelen kan de eerder opgebouwde drempel de facto verhinderen dat het verlaagde tarief al toepassing vindt, ook als aan alle overige voorwaarden is voldaan.
- Bij grensoverschrijdende royaltystromen met voortgewentelde buitenlandse bronbelasting op innovatiebox-inkomsten is de reikwijdte van de verrekeningsmogelijkheid in latere jaren, ook na wijziging van de voorwaarden, een specifiek te beoordelen punt.
- In de gepubliceerde rulingpraktijk keert een vast patroon terug: een fiscale eenheid met een gevoegde dochtermaatschappij die het S&O-werk verricht of immateriële activa aan een buitenlandse groepsmaatschappij (soms de moeder, zie ook deelnemingsvrijstelling voor de aandeelhoudersrelatie) in licentie geeft, vraagt vooraf zekerheid over toepassing en toerekening voor een periode van meerdere jaren. Bij grote industriële of dienstverlenende ondernemingen is de omvangstoets (kleinere versus grotere belastingplichtige) daarbij telkens onderdeel van de beoordeling, en komt het voor dat een deel van de activiteiten zonder kwalificerend tweede toegangsticket buiten de innovatiebox blijft.
Recente ontwikkelingen
Het Innovatieboxbesluit 2025 (Besluit BWBR0051317) actualiseert het beleid met nieuwe richtlijnen over de kwalificatie van immateriële activa, contractueel S&O-werk met niet-gelieerde partijen en de toepassing van het netto-omzetcriterium uit art. 12ba lid 2. Het oudere Besluit BWBR0035509 (nadere uitleg en invulling van art. 12b Wet VPB 1969) zag op het innovatieboxregime zoals dat gold tot en met 31 december 2016 en is niet van (overeenkomstige) toepassing op het huidige, nexusgebaseerde regime van art. 12b-12bg dat sinds 1 januari 2017 geldt; het geldt dus niet als doorlopend goedkeuringsbeleid voor het huidige regime. Voor kleinere belastingplichtigen blijft wel de goedkeuring in Besluit BWBR0039023 relevant, die vaststellingsovereenkomsten over de innovatiebox (artikel 12b oud) in stand houdt ondanks relevante wetswijzigingen sinds het Belastingplan 2017.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
4 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:RBNNE:2025:3048 (2025)
De rechtbank Noord-Nederland oordeelt in een procedure over de toepassing van de innovatiebox dat de aanslag vennootschapsbelasting 2019 in stand blijft, maar vermindert de belastingrentebeschikking omdat deze ten onrechte niet was verlaagd.
-
ECLI:NL:RBNHO:2020:5448 (2020)
De rechtbank oordeelt dat, hoewel door het met terugwerkende kracht op nihil zetten van de S&O-uren niet is voldaan aan de wettelijke eisen voor de innovatiebox van art. 12b Wet Vpb, de innovatiebox toch van toepassing is op grond van de gesloten vaststellingsovereenkomst.
-
ECLI:NL:PHR:2024:802 (2024)
De zaak betreft of voortgewentelde buitenlandse bronbelasting op innovatiebox-royalty's ook in latere jaren uitsluitend verrekenbaar is met vennootschapsbelasting over innovatiebox-royalty's en niet met belasting over overige passieve inkomsten, zelfs als de belastingplichtige door een wetswijziging niet meer aan de innovatiebox-voorwaarden voldoet.
-
ECLI:NL:GHARL:2014:5319 (2014)
Het hof weigert de gemachtigde van belanghebbende wegens diens strafrechtelijke veroordeling, en oordeelt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toepassing van de innovatiebox van art. 12b Wet Vpb 1969.
Beleid en standpunten
1038 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0035509
Goedkeuring inzake innovatiebox: nadere uitleg en invulling van innovatiebox artikel 12b Wet Vpb 1969, met beschrijving en toelichting van verschillende elementen voor toepassing door innovatieve ondernemingen.
-
Besluit BWBR0051317
Goedkeuring/beleid inzake innovatiebox: het besluit actualiseert het beleid met nieuwe richtlijnen over immateriële activa, contractuele R&D met niet-gelieerde partijen en toepassing van het netto-omzetcriterium.
-
IBOX 20260217-000007 (2026)
Fiscale eenheid verzoekt innovatiebox 2024-2028 voor gevoegde dochtermaatschappij Y die immateriële activa in licentie aan buitenlandse moeder gaf.
-
Besluit BWBR0039023
Goedkeuring voor kleinere belastingplichtigen om vaststellingsovereenkomsten voor de innovatiebox (artikel 12b oud) geldig te houden ondanks relevante wetswijzigingen van het Belastingplan 2017.
-
Kamerstuk 34552 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2017, met onderdelen inkomensbeleid, constructiebestrijding, innovatiebox en jurisprudentiegevolgen.
-
IBOX 20260120-000008 (2026)
Fiscale eenheid vraagt zekerheid over innovatiebox voor jaren 2023-2028. Grote industriële onderneming met gepatenteerde producten; klein deel activiteiten zonder kwalificerend tweede toegangsticket.
-
IBOX 20260224-000007 (2026)
Fiscale eenheid X (agrarische onderneming, 151-300 personeelsleden, €51-150m omzet, eigen technologie) vraagt innovatieboxzekerheid 2025-2029 met gevoegde dochters R&D; outcome niet zichtbaar.
-
IBOX 20240305-000007 (2024)
Vijf Nederlandse vennootschappen (waaronder X1, X2, dienstverlening, 501-1000 werknemers) verzoeken kwalificatie buitenlands samenwerkingsverband, inhoudingsplicht dividendbelasting, buitenlandse belastingplicht VPB, deelnemingsvrijstelling. Boekjaren 2022-2026.
-
IBOX 20251216-000008 (2025)
Industriële fiscale eenheid verzoekt toepassing innovatiebox (2021-2029) voor gepatenteerde producten met eigen R&D (26-75 medewerkers, €16m-€50m omzet); gemiddeld <5.000 S&O-uren per jaar.
-
IBOX 20260414-000003 (2026)
Dochtermaatschappij Y van fiscale eenheid X (dienstverlening, 501–1.000 werknemers, €151M–€300M omzet, eigen producten) verzoekt om zekerheid op innovatieboxtoepassing 2023–2029.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.