Vennootschapsbelasting

Deelnemingsvrijstelling

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De deelnemingsvrijstelling voorkomt dat dezelfde winst binnen een concern twee keer met vennootschapsbelasting wordt belast: eenmaal bij de dochtermaatschappij die de winst maakt, en nogmaals bij de moedermaatschappij die daarvan profiteert via dividend of een waardestijging van haar aandelenbelang. Art. 13 lid 1 Wet VPB 1969 bereikt dit door de voordelen uit hoofde van een deelneming, en de kosten van verwerving of vervreemding daarvan, buiten de winstbepaling van de moedermaatschappij te houden. De regeling werkt dus vanuit een ne-bis-in-idembeginsel voor concernwinst: winst wordt één keer belast, op het niveau van het lichaam dat haar heeft behaald, niet nogmaals bij elke schakel in de aandeelhoudersketen daarboven.

Rond die hoofdregel bouwt de wet aanvullende en beperkende bepalingen. Een deelneming is doorgaans een aandelenbelang van ten minste 5%, maar de wet trekt via een meetrek- en meesleepregeling ook winstbewijzen, bepaalde schuldvorderingen en verbonden belangen mee onder het deelnemingsbegrip. Tegenover die ruime werking staan uitsluitingen: voor een laagbelaste beleggingsdeelneming geldt de vrijstelling in beginsel niet, bij liquidatie geldt zij niet voor het verlies, en voor gecontroleerde lichamen in laagbelastende staten geldt een apart bijtellingsregime. Voor houdster- en concernstructuren is dit een van de meest bepalende regelingen in de VPB-aangifte.

Wanneer speelt dit

De deelnemingsvrijstelling komt aan de orde bij onder meer: aan- en verkoop van aandelenbelangen (koopprijsbepaling, earn-outs, transactiekosten), dividenduitkeringen binnen een groep, liquidatie of turboliquidatie van een (tussen)houdstermaatschappij, herfinanciering waarbij een lening aan een verbonden lichaam wordt omgezet in eigen vermogen of wordt afgewaardeerd, optieconstructies en afdekkingsinstrumenten op een deelneming, beleggingsstructuren met buitenlandse tussenhoudsters, concerns met een gecontroleerd lichaam in een laagbelastende staat, en fusies, splitsingen of het aangaan of verbreken van een fiscale eenheid waarbij een belang van fiscaal regime wisselt.

Hoe werkt de vrijstelling

Voorwaarden: wanneer is sprake van een deelneming. Van een deelneming is sprake indien de belastingplichtige:

  1. voor ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal (art. 13 lid 2 sub a);
  2. ten minste 5% bezit van de bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening (lid 2 sub b);
  3. lid is van een coöperatie of een vereniging op coöperatieve grondslag — hiervoor geldt geen 5%-drempel (lid 2 sub c);
  4. voor ten minste 5% deelt in de winst van bepaalde buitenlandse rechtsvormen (lid 2 sub d en e);
  5. bij bepaalde EU-vennootschappen met een verdrag dat voorziet in dividendverlaging naar stemrecht, ten minste 5% van de stemrechten houdt in plaats van 5% van het kapitaal (lid 3).

Twee regelingen trekken meer onder het deelnemingsbegrip dan het kale aandelenbezit. De meetrekregeling (lid 4) rekent winstbewijzen en bepaalde schuldvorderingen (art. 10 lid 1 sub d) automatisch tot dezelfde deelneming. De meesleepregeling (lid 5) grijpt aan wanneer de belastingplichtige zelf geen kwalificerend belang heeft, maar een verbonden lichaam wel: dan wordt ook zijn eigen aandelenbezit, schuldvordering of winstbewijs in dat lichaam als deelneming aangemerkt.

Wanneer geen vrijstelling: de beleggingsdeelneming. De vrijstelling geldt niet voor een als belegging gehouden deelneming, tenzij die kwalificeert (lid 9). Een objectieve indicatietoets (lid 10) merkt een deelneming in elk geval als beleggingsdeelneming aan als de bezittingen van het lichaam, geconsolideerd bezien, doorgaans grotendeels uit vrije beleggingen bestaan, of de functie van het lichaam grotendeels uit financiering van of terbeschikkingstelling aan de belastingplichtige of verbonden lichamen bestaat. Toch kwalificerend, en dus alsnog vrijgesteld (lid 11), is zij als (a) het lichaam is onderworpen aan een naar Nederlandse begrippen reële heffing, én (b) de bezittingen doorgaans voor minder dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen — lid 12-15 werken "vrije belegging" en "laagbelast" verder uit, met uitzonderingen voor onroerend goed en actieve financierings- of terbeschikkingstellingswerkzaamheden. Ontbreekt kwalificatie, dan geldt niet de vrijstelling maar de deelnemingsverrekening van art. 13aa en 23c: verrekening van de daadwerkelijk drukkende winstbelasting, gemaximeerd op 5% van het gebruteerde voordeel.

Gevolg van toepassing. Is de vrijstelling van toepassing, dan blijven dividend, vervreemdingswinst en waardeveranderingen buiten de fiscale winst; symmetrisch zijn de verwervings- en vervreemdingskosten van de deelneming zelf niet aftrekbaar (lid 1), en is een vervreemdingsverlies evenmin aftrekbaar — behalve via de afzonderlijke liquidatieverliesregeling van art. 13d.

Procedure. De deelnemingsvrijstelling werkt van rechtswege; er is geen keuze of aanvraag nodig. De wet kent wel enkele voor bezwaar vatbare beschikkingen: voor een valuta-afdekkingsinstrument kan de inspecteur vooraf vaststellen dat het resultaat onder de deelnemingsvoordelen valt (lid 7); het opgeofferde bedrag voor de liquidatieverliesregeling kan op verzoek bij de aangifte worden vastgesteld, met een herzieningsbevoegdheid die vervalt vijf jaar na vaststelling (art. 13d lid 16); en een over te brengen bedrag aan deelnemingsverrekening wordt eveneens bij beschikking vastgesteld (art. 23c lid 7).

Reikwijdte: wat valt wel, wat niet onder het voordelenbegrip. Onder de voordelen "uit hoofde van" de deelneming vallen: dividenduitkeringen; vervreemdingswinst en -verlies; waardeveranderingen van nog niet vaststaande koopprijstermijnen (earn-outs) en prijsaanpassingen achteraf, bij verkoper én koper (lid 6); en, na een voorafgaande beschikking, het resultaat op instrumenten die het valutarisico van de deelneming afdekken (lid 7) — de kennisgroep Vpb & winst keurde in 2025 zo'n beschikking goed voor een zero cost collar-strategie (KG:023:2025:7). Ook een optieresultaat op de deelneming zelf kan zijn vrijgesteld (ECLI:NL:HR:2024:1547). Niet onder de vrijstelling vallen vergoedingen die niet voortvloeien uit het aandeelhouderschap maar uit een andere rechtsverhouding met het lichaam — de wet spreekt van voordelen "uit hoofde van" de deelneming, zodat een vergoeding voor dienstverlening of leveringen aan de dochter gewoon belast blijft. Uitdrukkelijk uitgesloten zijn ook vergoedingen die bij de dochter zelf aftrekbaar zijn van een naar de winst geheven belasting (hybride vergoedingen, lid 17), en aan de kostenkant kosten van verwerving of vervreemding van de deelneming zelf (lid 1) — waarbij slechts zijdelings gerelateerde kosten, zoals afscheidsbonussen aan personeel van een verkochte dochter, daarbuiten vallen en dus wel aftrekbaar blijven (ECLI:NL:HR:2023:1793).

ElementDrempel/termijnVindplaats
Deelnemingspercentage aandelen/fonds voor gemene rekening≥ 5% van het kapitaalart. 13 lid 2 sub a/b Wet VPB 1969
Alternatieve stemrechtentoets (bepaalde EU-vennootschappen)≥ 5% van de stemrechtenart. 13 lid 3 Wet VPB 1969
Nasleeptermijn bij dalen onder de 5%-grens3 jaarart. 13 lid 16 Wet VPB 1969
Drempel liquidatieverlies zonder aanvullende voorwaarden€ 5.000.000art. 13d lid 2 Wet VPB 1969
Onafgebroken-kwalificatietermijn voor loslaten van die drempel5 jaarart. 13d lid 2 sub b Wet VPB 1969
Herzieningstermijn beschikking opgeofferd bedrag5 jaar na vaststellingart. 13d lid 16 Wet VPB 1969
CFC-belangdrempel (gecontroleerd lichaam)meer dan 50% aandelen, stemrechten of winstrechtart. 13ab lid 3 Wet VPB 1969
CFC laagbelast-tariefdrempelminder dan 9% winstbelastingart. 13ab lid 3 sub d Wet VPB 1969
Deelnemingsverrekening (maximum)5% van de gebruteerde voordelenart. 23c lid 2 sub a Wet VPB 1969

_(wettekst geldend per 2026.)_

Wettelijk kader

Deelnemingsbegrip, meetrek, meesleep en beleggingsdeelneming (art. 13 lid 2-16, art. 13aa, art. 23c). De voorwaarden en drempels zijn hierboven onder "Hoe werkt de vrijstelling" uitgewerkt. De meetrek- en meesleepregeling (lid 4-5) voorkomen dat de vrijstelling wordt omzeild door een economisch vergelijkbare positie net buiten de rechtstreekse aandeelhoudersrelatie te plaatsen; de uitsluiting voor beleggingsdeelnemingen (lid 9-11) is niet bedoeld om bedrijfsmatig gehouden belangen te raken, maar om rendabel gemaakt vrij vermogen uit te zonderen. Ontbreekt kwalificatie, dan verschuift de systematiek van vrijstelling naar verrekening: art. 13aa rekent het gebruteerde voordeel tot de winst en art. 23c verrekent de drukkende winstbelasting, gemaximeerd op 5%; art. 13aa lid 7 sluit dit weer uit voor vrijgestelde lichamen, beleggingsinstellingen en de hybride vergoedingen van art. 13 lid 17.

CFC-maatregel (art. 13ab). Naast de deelnemingsvrijstelling rekent art. 13ab bepaalde "besmette voordelen" (rente, royalty's, dividenden, verzekerings- en bankvoordelen, bepaalde factureringsvoordelen) van een gecontroleerd lichaam naar tijdsgelang en naar rato van het belang toe aan de winst. Een lichaam is gecontroleerd bij meer dan 50% aandelen, stemrechten of winstrechten (eventueel samen met gelieerde partijen) én vestiging in een staat die minder dan 9% winstbelasting heft of op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden staat. De maatregel blijft buiten toepassing bij een wezenlijke economische activiteit (lid 5, met bewijsvermoeden in lid 11). Om dubbele heffing te voorkomen past art. 13 lid 19 de deelnemingsvrijstelling alsnog toe op beleggingsdeelnemingsvoordelen die rechtstreeks samenhangen met reeds op grond van art. 13ab belaste CFC-voordelen. Zie voor de toets zelf het thema CFC-regeling; binnen een fiscale eenheid bepaalt art. 13 lid 18 dat de deelnemingsvrijstelling voor een gevoegde tussenmaatschappij toepassing vindt alsof er geen fiscale eenheid bestond.

Liquidatieverlies (art. 13d). Bij ontbinding van een deelneming geldt de vrijstelling niet voor het verlies dat dan tot uitdrukking komt (lid 1). Dat liquidatieverlies is beperkt tot € 5.000.000, tenzij de belastingplichtige een kwalificerend belang heeft — een belang waarmee zodanige invloed op de besluiten van het lichaam kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald (lid 4) — in een in Nederland, de EU, de EER of een aangewezen verdragsstaat gevestigd lichaam, gedurende de vijf jaar voorafgaand aan de vereffening onafgebroken (lid 2). Het opgeofferde bedrag (lid 5) en een reeks anti-misbruikbepalingen (lid 3 en 7 t/m 10, over doorgeschoven verliezen bij eerder ontbonden tussenlichamen en waardedalingen van onderliggende deelnemingen) begrenzen het liquidatieverlies verder; bij een eerdere fiscale eenheid met de geliquideerde dochter herrekent lid 11 het opgeofferde bedrag naar het eigen vermogen bij ontvoeging, en beperken lid 12 en 13 het verlies voor al toegerekende fiscale-eenheidswinst. Lid 14 stelt voorwaarden aan het moment van nemen: geen andersoortige verliestegemoetkoming, staking of voortzetting door een derde, en vereffening binnen in beginsel drie kalenderjaren na staking.

Afgewaardeerde vorderingen (art. 13b en art. 13ba). Is een schuldvordering op een lichaam waarin een deelneming wordt gehouden afgewaardeerd ten laste van de Nederlandse winst, dan wordt die afwaardering bij latere vervreemding aan een verbonden partij (art. 13b) of bij omzetting in eigen vermogen of prijsgeven van de vordering (art. 13ba) alsnog tot de winst gerekend. Bij art. 13ba kan dit bedrag tegelijk in een opwaarderingsreserve worden gereserveerd, die vrijvalt naarmate de deelneming in waarde stijgt of wordt vervreemd; lid 9 bestrijdt misbruik door de reserve alsnog aan de winst toe te voegen als binnen drie jaar opnieuw een deelneming in dezelfde schuldenaar wordt verkregen.

Compartimentering bij sfeerovergang (art. 28c). Wisselt een belang van fiscaal regime — de deelnemingsvrijstelling gaat gelden terwijl dat voorheen niet zo was, of andersom — dan vormt de belastingplichtige op grond van art. 28c lid 1 Wet VPB 1969 een compartimenteringsreserve: belast bij een overgang náár de vrijstelling, onbelast bij een overgang eraf. De reserve wordt gesteld op het verschil tussen waarde in het economische verkeer en boekwaarde direct vóór de sfeerovergang (lid 2), zodat waardeontwikkeling van vóór de overgang wordt afgerekend volgens het oude regime. Zij valt (gedeeltelijk) vrij zodra een daaraan toerekenbaar voordeel wordt genoten (lid 3) of het belang het vermogen verlaat, onder meer bij fusie, splitsing, aandelenruil, ontbinding of het aangaan van een fiscale eenheid (lid 4-5) — situaties die zich ook voordoen bij een juridische fusie of juridische splitsing. Lid 7 zondert de hybride voordelen van art. 13 lid 17 en 19 uit.

Belangrijkste rechtspraak

Reikwijdte van het voordelenbegrip. De Hoge Raad oordeelde dat een optieresultaat op een deelneming was vrijgesteld op grond van art. 13 lid 16, omdat het onderliggende belang al langer dan een jaar werd gehouden en ononderbroken de deelnemingsvrijstelling had genoten (ECLI:NL:HR:2024:1547, 2024). Afscheidsbonussen die na de verkoop van een deelneming aan personeel van de verkochte dochtervennootschappen worden uitgekeerd en ten laste van de verkoper komen, zijn aftrekbaar en vallen niet onder de kostenaftrekbeperking van art. 13 lid 1 voor verkoopkosten van een deelneming (ECLI:NL:HR:2023:1793, 2023). In dezelfde lijn oordeelde de Hoge Raad dat kosten van een voorgenomen vervreemding pas kunnen worden gekwalificeerd zodra vaststaat of de transactie doorgaat (ECLI:NL:HR:2018:2264, 2018), en dat als vervreemdingsprijs niet de in de koopovereenkomst genoemde koopsom geldt, maar de vordering die voortvloeit uit de overeenkomst van schuldigerkenning ter zake van diezelfde koopsom (ECLI:NL:HR:2018:1019, 2018).

Internationale uitsluitingen en laagbelaste beleggingsdeelnemingen. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was op dividend van een Zuid-Koreaanse dochter dat aldaar aftrekbaar was van de winst, omdat art. 13 lid 17 van toepassing was; toetsing aan het vrije kapitaalverkeer kwam niet aan de orde wegens uitputtende harmonisatie door de onderliggende richtlijn (ECLI:NL:GHAMS:2022:1038, 2022). Over de toetswinst van een laagbelaste beleggingsdeelneming stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU over de aftrek van een valutaverlies (ECLI:NL:HR:2016:1351, 2016), en vernietigde de Hoge Raad in een andere zaak de hofuitspraak omdat de rentebate bij de toetswinstberekening onvoldoende was gemotiveerd (ECLI:NL:HR:2016:2036, 2016).

Liquidatieverlies. De Hoge Raad besliste dat het opgeofferde bedrag voor de liquidatieverliesregeling van art. 13d lid 2 een extracomptabele grootheid is die niet afhangt van de balanswaardering van de deelneming: de regeling sluit niet aan bij de totaalwinst, maar geeft een tegemoetkoming voor door liquidatie definitief verloren verrekenbare verliezen (ECLI:NL:HR:2022:1578, 2022).

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij belangen rond de 5%-grens spelen ook de meetrek- en meesleepregeling en, bij dalen onder de grens, de driejaarstermijn van lid 16 (vergelijk ECLI:NL:HR:2024:1547 voor een optieresultaat).
  • Bij transactiekosten is het onderscheid bepalend tussen kosten van de deelnemingstransactie zelf en slechts gerelateerde kosten (ECLI:NL:HR:2023:1793, ECLI:NL:HR:2018:2264); ook de vervreemdingsprijs kan afwijken van de nominale koopsom (ECLI:NL:HR:2018:1019).
  • Bij financiering van een deelnemingsverwerving met een lening van een verbonden lichaam speelt, los van de deelnemingsvrijstelling, de renteaftrekbeperking van art. 10a.
  • Bij liquidatie kan het opgeofferde bedrag bij beschikking worden vastgesteld (art. 13d lid 16) — het is een extracomptabele grootheid los van de boekwaarde (ECLI:NL:HR:2022:1578) — en luistert de vijfjaarstermijn voor het loslaten van de € 5.000.000-drempel nauw, zeker na een eerdere fiscale eenheid met de geliquideerde dochter.
  • De kwalificerende-beleggingsdeelnemingtoets en de CFC-toets van art. 13ab staan niet los van elkaar (lid 19 voorkomt dubbele heffing); zie voor de toets zelf het thema CFC-regeling.
  • Een sfeerovergang verdient tijdige signalering: bij het passeren van de 5%-grens of bij een fusie, splitsing of het aangaan of verbreken van een fiscale eenheid verplicht art. 28c tot het vormen van een compartimenteringsreserve — een stap die bij een juridische fusie of juridische splitsing licht over het hoofd wordt gezien.

Recente ontwikkelingen

De Hoge Raad oordeelde op 21 maart 2025 in ECLI:NL:HR:2025:417 dat de niet-tegemoetkomingseis van art. 13d (destijds lid 9, onderdeel a; in de huidige tekst lid 14, onderdeel a) moet worden getoetst naar de feiten en omstandigheden op het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid, niet over de gehele periode dat de deelneming werd gehouden. Het beroep in cassatie van de staatssecretaris tegen een gunstiger oordeel van het hof werd ongegrond verklaard.

De Belastingdienst-kennisgroepen publiceerden in 2024 en 2025 herhaaldelijk standpunten over de liquidatieverliesregeling van art. 13d, onder meer over turboliquidatie van een tussenhoudster zonder liquidatie-uitkering en een tussentijdse kapitaalstorting onder art. 13d lid 7, en in 2025 ook over saldering van afdekkingsinstrumenten onder art. 13 lid 7, waaronder een zero cost collar-strategie. Dit wijst op aanhoudende praktijkvragen rond liquidatieverlies en valuta-afdekking op deelnemingen.

In het voorjaar van 2026 zijn bij het College Internationale Fiscale Zekerheid meerdere advance tax rulings over de deelnemingsvrijstelling gepubliceerd voor holdingstructuren met binnen- en buitenlandse operationele deelnemingen, telkens voor een periode van vijf jaar (onder meer ATR 20260421-000010 en ATR 20260505-000003). Dit bevestigt dat de kwalificatie van een belang als (kwalificerende) deelneming regelmatig vooraf ter zekerheid wordt voorgelegd, met name bij structuren met meerdere buitenlandse tussenhoudsters.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 491 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.