Vennootschapsbelasting
Vaste inrichting en objectvrijstelling
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten (art. 15e Wet VPB 1969) voorkomt dat een in Nederland gevestigde vennootschap tweemaal wordt belast over winst die zij in het buitenland behaalt: eenmaal in de bronstaat en eenmaal in Nederland over de wereldwinst. De regeling werkt anders dan een verrekeningssysteem. In plaats van eerst over de volledige wereldwinst te heffen en vervolgens een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor de in het buitenland betaalde belasting, zondert de objectvrijstelling de buitenlandse winst al bij de winstberekening af van de Nederlandse grondslag: Nederland heft in beginsel helemaal niet over dat deel. Het karakter van de regeling is objectgebonden — niet de vennootschap als geheel, maar het specifieke object "winst uit een andere staat" wordt vrijgesteld — en die vrijstelling werkt symmetrisch: zowel positieve als negatieve resultaten van de buitenlandse onderneming blijven in beginsel buiten de Nederlandse winst. Voor een vaste inrichting die definitief wordt gestaakt geldt hierop een uitzondering: een stakingsverlies kan onder voorwaarden alsnog in aftrek komen.
Kernbegrip is de vaste inrichting: een vast bedrijfsonderdeel in het buitenland waarmee (een deel van) een onderneming wordt gedreven, zoals een filiaal, fabriek, bouwplaats of vergelijkbare vestiging. De winst die aan die vaste inrichting is toe te rekenen vormt het object van de vrijstelling, samen met opbrengsten uit buitenlands onroerend goed en enkele andere grensoverschrijdende voordelen. Of, en in welke omvang, die winst wordt vrijgesteld hangt in de eerste plaats af van de vraag of een belastingverdrag van toepassing is: bij een verdrag bepaalt dat verdrag de toerekening, zonder verdrag geldt een zelfstandige arm's length-toerekening die de wet zelf voorschrijft.
Wanneer speelt dit
Het thema is relevant zodra een Nederlandse VPB-plichtige activiteiten in het buitenland ontplooit die kwalificeren als vaste inrichting, zoals een filiaal, bouwplaats, fabriek of ander vast bedrijfsonderdeel in een andere staat. Ook winst uit in het buitenland gelegen onroerende zaken en bepaalde winstrechten die aan een buitenlandse onderneming zijn toe te rekenen, vallen onder het bereik van de regeling, evenals offshore-activiteiten op of boven een winningsgebied van minstens dertig aaneengesloten dagen en de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer. Ook bij herstructureringen waarbij een buitenlandse onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan wordt overgedragen of voortgezet door een verbonden lichaam, bij de definitieve beëindiging van buitenlandse activiteiten, en bij hybride kwalificatieverschillen tussen Nederland en de vestigingsstaat van de vaste inrichting, komt de regeling aan de orde.
Hoe werkt de vrijstelling
Wie en wat kwalificeert. De objectvrijstelling grijpt aan bij een Nederlandse VPB-plichtige die "winst uit een andere staat" geniet. Daarvan is sprake bij:
- winst toerekenbaar aan een vaste inrichting in de andere staat;
- opbrengsten (verminderd met kosten) uit in die staat gelegen onroerende zaken;
- bepaalde overige voordelen of winstrechten uit die staat (bij een verdrag: de voordelen die het verdrag aan die staat toewijst; zonder verdrag: rechten op aandelen in de winst van een onderneming met leiding in die staat, mits niet voortkomend uit effectenbezit);
- werkzaamheden van ten minste dertig aaneengesloten dagen in, op of boven een winningsgebied van de andere staat (offshore-activiteiten), die zonder verdragstoepassing mede als buitenlandse onderneming gelden;
- inkomen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer, maar alleen zonder verdragstoepassing en alleen voor zover dat inkomen in de vestigingsstaat daadwerkelijk in een winstbelasting wordt betrokken.
Vervolgens moet geen van de uitsluitingsgronden van toepassing zijn: de belastingplichtige mag niet als beleggingsinstelling zijn aangemerkt, de winst mag niet zijn behaald met een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming (behoudens verdragsdwang), het resultaat van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting moet in de vestigingsstaat zijn onderworpen aan een winstbelasting, en er mogen geen besmette CFC-achtige voordelen aan een vaste inrichting in een aangewezen staat zijn toe te rekenen.
Wat is het gevolg. Is aan de voorwaarden voldaan, dan wordt de Nederlandse winst verminderd met het positieve of negatieve bedrag van de buitenlandse winst: die winst telt dus per saldo niet mee voor de Nederlandse grondslag. Is een uitsluitingsgrond van toepassing — met name bij een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming — dan blijft de winst wél in de Nederlandse grondslag, met (bij een positief resultaat) recht op verrekening van de daarover geheven buitenlandse belasting en (bij een negatief resultaat) een aparte inhaalregeling. Bij de definitieve staking van de buitenlandse activiteiten geldt een derde route: het opgebouwde negatieve saldo kan als stakingsverlies alsnog worden afgetrokken, begrensd in bedrag en tijd.
Concrete bedragen, percentages en termijnen:
| Aspect | Bedrag/percentage | Grondslag | Peildatum |
|---|---|---|---|
| Minimumduur offshore-werkzaamheden voor kwalificatie als buitenlandse onderneming (zonder verdrag) | 30 aaneengesloten dagen | art. 15e lid 3 | wettekst 2026 |
| Belang-drempel voor "laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming" | 5% of meer (middellijk of onmiddellijk) | art. 15g lid 1, onderdeel a | wettekst 2026 |
| Inhaalregeling bij negatieve winst uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming | 5/H deel van het negatieve bedrag (H = hoogste VPB-tarief) | art. 15h lid 2 | wettekst 2026 |
| Hoogste VPB-tarief (de "H" in de 5/H-formule) | 25,8% boven € 200.000 belastbaar bedrag; 19% tot en met € 200.000 | art. 22 | tarief geldend sinds 2023, geraadpleegd voor 2026 |
| Maximum stakingsverlies vaste inrichting buiten EU/EER (tenzij belegd onroerend goed) | € 5.000.000 | art. 15i lid 4 | wettekst 2026 |
| Termijn om stakingsverlies te effectueren | uiterlijk het derde kalenderjaar na het jaar van (nagenoeg) volledige staking | art. 15i lid 5, onderdeel b | wettekst 2026 |
| Terugname stakingsverlies bij herleven van buitenlandse winst | binnen drie jaar na de aftrek | art. 15i lid 6 | wettekst 2026 |
| Herzieningstermijn saldobeschikking (eigen of doorgeschoven saldo) | vijf jaar na vaststelling | art. 15i lid 8 en art. 15j lid 3 | wettekst 2026 |
Procedure. De objectvrijstelling werkt van rechtswege in de aangifte; er is geen keuze of verzoek nodig om haar te laten gelden. Wel kan de belastingplichtige de inspecteur vragen het saldo van de positieve en negatieve bedragen aan winst uit de andere staat bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen, mits daarbij een berekening wordt overgelegd. Diezelfde weg staat open voor het saldo dat bij staking wordt doorgeschoven naar een verbonden lichaam dat de activiteiten voortzet. Een onjuist vastgesteld saldo kan de inspecteur binnen vijf jaar na de vaststelling herzien.
Reikwijdte: wat valt eronder, wat niet. Onder de vrijstelling vallen vaste-inrichtingswinst, opbrengsten uit buitenlands onroerend goed, bepaalde winstrechten, offshore-activiteiten van ten minste dertig dagen en internationale scheep- of luchtvaart. Buiten de vrijstelling vallen — en komen dus gewoon in de Nederlandse grondslag terecht — winst uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming, winst van een beleggingsinstelling, het niet-onderworpen resultaat van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting, en besmette voordelen toerekenbaar aan een vaste inrichting in een aangewezen staat.
Wettelijk kader
Art. 15e Wet VPB 1969 is de kernbepaling. Lid 1 vermindert de winst met de positieve en negatieve bedragen van de winst uit een andere staat: de objectvrijstelling werkt dus tweezijdig. Lid 2 definieert wat onder "winst uit een andere staat" wordt verstaan, met een tweedeling die het hele stelsel stuurt. Onderdeel a geldt wanneer een verdrag of vergelijkbare regeling voorziet in de heffingsverdeling: dan gaat het om winst toerekenbaar aan een vaste inrichting, opbrengsten uit in die staat gelegen onroerende zaken en overige voordelen die op grond van dat verdrag aan die staat zijn toegewezen, voor zover Nederland daarvoor een vrijstelling moet verlenen. Onderdeel b geldt zonder toepasselijk verdrag: winst uit een buitenlandse onderneming met een vaste inrichting, opbrengsten uit onroerende zaken in die staat (inclusief gerelateerde rechten) en opbrengsten uit rechten op aandelen in de winst van een onderneming met leiding in die staat, voor zover die rechten niet uit effectenbezit voortkomen.
Lid 3 en lid 4 verduidelijken het toepassingsgebied voor de niet-verdragssituatie: werkzaamheden van ten minste dertig aaneengesloten dagen in, op of boven een winningsgebied gelden mede als buitenlandse onderneming, en het gebied van de andere staat omvat mede het gebied waar die staat op grond van internationaal recht soevereine rechten mag uitoefenen. Lid 5 bepaalt dat inkomen uit scheep- of luchtvaartexploitatie in het internationale verkeer alleen als buitenlandse ondernemingswinst telt voor zover dat inkomen in de vestigingsstaat van de vaste inrichting daadwerkelijk in een winstbelasting wordt betrokken. Lid 6 codificeert, voor de niet-verdragssituatie van lid 2 onderdeel b, de arm's length-toerekening van voordelen aan de buitenlandse onderneming, zoals die zou gelden als de vaste inrichting een zelfstandige en onafhankelijke onderneming was, rekening houdend met uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico's.
De overige leden van art. 15e bevatten uitzonderingen. Lid 7 en lid 8 sluiten de objectvrijstelling uit voor winst uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming (art. 15g, tenzij een verdrag toch tot vrijstelling verplicht) en voor beleggingsinstellingen. Lid 9 sluit de vrijstelling uit voor zover de winst van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting (art. 12ac, eerste lid, onderdeel b) niet is onderworpen aan een winstbelasting in de vestigingsstaat; dit ziet op hybride-mismatchsituaties. Voor de periode voor 1 januari 2024 gold, specifiek voor de toepassing van het Verdrag Nederland-Mexico 1993, een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst (KG:040:2024:4) dat Nederland het resultaat van een dergelijke buiten beschouwing blijvende vaste inrichting op grond van dat verdrag niettemin diende vrij te stellen, ongeacht lid 9. Dat standpunt is uitdrukkelijk beperkt tot de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de "principal purpose test" in dat verdrag per 1 januari 2024 en geldt niet als generieke regel voor elke verdragssituatie. Lid 11 en lid 12 sluiten de vrijstelling uit voor besmette voordelen (art. 13ab, eerste lid) toerekenbaar aan een vaste inrichting in een aangewezen staat, met een correctie bij overdracht van de onderneming. Lid 13 koppelt "belastingheffing naar de winst" mede aan een kwalificerende binnenlandse bijheffing (art. 1.2 Wet minimumbelasting 2024).
De uitsluitingsgrond van lid 7 wordt ingevuld door art. 15g: een buitenlandse onderneming is een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming wanneer haar werkzaamheden — samen met die van lichamen waarin de belastingplichtige een belang van 5% of meer heeft — grotendeels bestaan uit beleggen of het (direct of indirect) financieren van de belastingplichtige, verbonden lichamen of door hen gebruikte bedrijfsmiddelen, én de winst in de vestigingsstaat niet is onderworpen aan een belasting naar de winst die naar Nederlandse begrippen tot een reële heffing leidt (actieve financiering en niet-beleggingsonroerend goed tellen niet mee als besmet). Geldt die kwalificatie, dan treedt een verrekeningsregime in de plaats van de vrijstelling: art. 15h geeft bij een positief resultaat verrekening van de drukkende buitenlandse winstbelasting, en bij een negatief resultaat een inhaalregeling die de Nederlandse winst vermindert met 5/H deel van dat negatieve bedrag (H is het hoogste VPB-tarief van art. 22). Dit blijft achterwege bij een volledige buitenlandse vrijstelling of bij beleggingsinstellingen.
Art. 15i regelt het stakingsverlies: het negatieve saldo dat resteert wanneer de belastingplichtige ophoudt winst uit de andere staat te genieten, voor zover in die staat geen tegemoetkoming voor dat verlies is verleend. Het verlies wordt, behoudens voor beleggingsonroerend goed, niet tot een hoger bedrag dan € 5.000.000 in aanmerking genomen, tenzij het gaat om het ophouden van winst uit een EU-lidstaat, een EER-staat of een aangewezen associatiestaat. Aftrek vergt bovendien dat de activiteiten niet in belangrijke mate worden voortgezet door een verbonden lichaam, dat de staking uiterlijk in het derde kalenderjaar na het (vrijwel) volledig staken plaatsvindt, en dat de hoogte van het verlies wordt onderbouwd; herleeft binnen drie jaar alsnog winst uit die staat, dan wordt het afgetrokken bedrag teruggenomen. Art. 15j regelt het spiegelbeeld: worden de activiteiten wél in belangrijke mate voortgezet door een verbonden lichaam, dan schuift het saldo door naar dat lichaam in plaats van aftrekbaar te worden — tenzij sprake is van "voortzetting in het zicht van staking" (binnen drie jaar alsnog gestaakt zonder aantoonbaar zakelijke reden), in welk geval de doorschuiving juist niet plaatsvindt.
Onderstaande tabel vat de hoofdstructuur van het beoordelingskader samen:
| Situatie | Grondslag vrijstelling | Belangrijkste uitzondering |
|---|---|---|
| Verdrag of vergelijkbare regeling van toepassing | Lid 2, onderdeel a | Lid 9 (buiten beschouwing blijvende vaste inrichting, behoudens de beperkte reikwijdte van KG:040:2024:4) |
| Geen verdrag of vergelijkbare regeling van toepassing | Lid 2, onderdeel b, met arm's length-toerekening op grond van lid 6 | Lid 7 (laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming, art. 15g, met verrekening in plaats van vrijstelling via art. 15h) |
| Belastingplichtige is beleggingsinstelling | Lid 1 | Lid 8 (algehele uitsluiting) |
| Besmette voordelen toerekenbaar aan vaste inrichting in aangewezen staat | Lid 1 | Lid 11 en lid 12 (art. 13ab, met correctie bij overdracht van de onderneming) |
| Definitieve staking zonder voortzetting door verbonden lichaam | Art. 15i | Maximering op € 5.000.000 (buiten EU/EER) en de termijnen van lid 5 |
| Staking met voortzetting door verbonden lichaam | Art. 15j (doorschuiving) | Voortzetting in het zicht van staking (binnen drie jaar) |
Belangrijkste rechtspraak
De rechtspraak over de objectvrijstelling in haar huidige vorm concentreert zich op de verwerking van vaste-inrichtingswinst over de jaren heen en op de afbakening van wat aan de hoofdhuisbalans mag worden toegerekend.
Over foutenherstel oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2025:850 (6 juni 2025) dat een over meerdere jaren gemaakte afschrijvingsfout op een buitenlandse vaste inrichting, wanneer navordering over de eerdere jaren niet meer volledig mogelijk is, gezamenlijk kan worden hersteld via de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar. Dit arrest raakt de praktische kant van de objectvrijstelling: fouten in de toerekening van vaste-inrichtingswinst hoeven niet jaar voor jaar afzonderlijk te worden gecorrigeerd als navordering is verjaard.
Over de afbakening van wat aan de Nederlandse hoofdhuisbalans toekomt, oordeelde Gerechtshof Amsterdam in ECLI:NL:GHAMS:2023:1399 (29 juni 2023) dat goodwill uit een grensoverschrijdende juridische fusie fiscaal niet splitsbaar is omdat zij volledig betrekking heeft op de verkregen activa en passiva, zodat de belanghebbende die goodwill niet op de Nederlandse hoofdhuisbalans kan activeren en afschrijven. Dit oordeel is relevant zodra een buitenlandse onderneming via een grensoverschrijdende fusie wordt verkregen: de fusiegoodwill volgt de vaste inrichting en blijft daarmee buiten het bereik van de Nederlandse aftrek.
Aandachtspunten voor de praktijk
Bij de 5%-drempel van art. 15g speelt of die ook via middellijke belangen wordt gehaald, met als gevolg dat verrekening in plaats van vrijstelling geldt en de 5/H-inhaalregeling van art. 15h van toepassing wordt bij een negatief resultaat. Bij de definitieve beëindiging van buitenlandse activiteiten bepaalt het onderscheid tussen art. 15i (stakingsverlies) en art. 15j (doorschuiving bij voortzetting door een verbonden lichaam) of en waar het verlies neerslaat; een voortzetting die binnen drie jaar alsnog wordt gestaakt kan als "voortzetting in het zicht van staking" gelden, waardoor een eerdere doorschuiving alsnog wordt teruggedraaid tenzij zakelijke overwegingen aannemelijk worden gemaakt. Bij fouten in de toerekening van vaste-inrichtingswinst over meerdere jaren is de foutenleer een correctiemechanisme wanneer navordering niet meer volledig mogelijk is, zoals in ECLI:NL:HR:2025:850. Bij grensoverschrijdende fusies waarbij een buitenlandse onderneming wordt verkregen, is de onsplitsbaarheid van fusiegoodwill op de hoofdhuisbalans van belang, gelet op het oordeel in ECLI:NL:GHAMS:2023:1399. Bij internationale structuren met lokale bijheffingen of kwalificatieverschillen speelt de wisselwerking met de Wet minimumbelasting 2024 (lid 13) en de hybride-mismatchbepalingen (lid 9, art. 12ac, zie ook hybride mismatches onder ATAD2); dat het toepasselijke verdrag de uitsluiting van lid 9 volgens KG:040:2024:4 kan opzijzetten, is beperkt tot het Verdrag Nederland-Mexico 1993 voor de periode voor 1 januari 2024 en kan niet zonder eigen toets naar andere verdragen of latere jaren worden doorgetrokken. Structuren waarin een buitenlandse onderneming via een beleggingsinstelling wordt gehouden, vallen volledig buiten de objectvrijstelling (lid 8) en raken bij staking van een onderneming ook de bredere stakingsregels naast de specifieke aftopping van art. 15i.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst publiceerde op 16 juli 2024 kennisgroepstandpunt KG:040:2024:4 over de toepassing van het Verdrag Nederland-Mexico 1993 op een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting. Het standpunt houdt in dat Nederland het resultaat van een dergelijke vaste inrichting op grond van dat verdrag niettemin diende vrij te stellen, ongeacht lid 9. De reikwijdte is uitdrukkelijk beperkt tot de periode voor 1 januari 2024, het moment waarop de "principal purpose test" in het Verdrag Nederland-Mexico in werking trad; voor verdragen met een (post-BEPS) PPT-bepaling of voor latere jaren is de uitkomst niet zonder meer dezelfde.
In een advance tax ruling van 19 mei 2026 (ATR 20260519-000008) vroeg een Nederlandse groep binnen een multinationaal industrieel concern zekerheid over onder meer de toepassing van de objectvrijstelling op een buitenlandse vaste inrichting, in samenhang met artikel 8bc Wet VPB 1969 en de rechtsvormkwalificatie van een niet-EU groepsvennootschap, voor de jaren 2025 tot en met 2029. Dit illustreert dat de objectvrijstelling in de praktijk vaak in combinatie met andere internationale bepalingen wordt beoordeeld en dat vooraf zekerheid wordt gevraagd bij complexere concernstructuren. Eerdere rulingpraktijk (ATR 20210525-000010 en ATR 20210525-000011, beide van 25 mei 2021) betrof zekerheid over de toepassing van de objectvrijstelling op winst uit in het buitenland gelegen onroerende zaken, gehouden via een samenwerkingsverband respectievelijk direct, voor de jaren 2020 tot en met 2024.
De hybride-mismatchbepaling van lid 9 (art. 12ac) vindt haar oorsprong in de implementatie van Richtlijn (EU) 2017/952 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen (Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking); de parlementaire behandeling daarvan (Kamerstuk 35241, nr. 7) vormt de wetsgeschiedenis achter de uitsluiting van de objectvrijstelling voor niet-onderworpen resultaten van buiten beschouwing blijvende vaste inrichtingen.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
11 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2025:850 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat een over meerdere jaren gemaakte afschrijvingsfout op een buitenlandse vaste inrichting, als navordering over de eerdere jaren niet meer volledig mogelijk is, gezamenlijk kan worden hersteld via de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar.
-
ECLI:NL:HR:2014:1183 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de ruilarresten niet kunnen worden toegepast wanneer een bedrijfsmiddel is vervreemd waarvoor in beginsel een herinvesteringsreserve op grond van artikel 3.54 Wet IB 2001 kan worden gevormd, omdat de wettelijke regeling de aan de ruilarresten ten grondslag liggende gedachte heeft geabsorbeerd.
-
ECLI:NL:PHR:2022:991 (2022)
De conclusie behandelt of de remittance-bepaling van artikel 2(5) en/of de antimisbruikbepaling van artikel 30 Verdrag Nederland-Malta de verdragsvoordelen wegnemen voor een naar Malta verplaatste BV die als non-domiciled resident niet-overgemaakte buitenlandse vermogenswinst en Duitse handelswinst heeft.
-
ECLI:NL:HR:2013:916 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat het financiële en daarmee het uiteindelijke belang in belanghebbende in belangrijke mate (ten minste 30 procent) is gewijzigd in de zin van artikel 15e lid 1 Wet Vpb 1969, zodat de herinvesteringsreserve aan de winst moet worden toegevoegd.
-
ECLI:NL:HR:2014:1187 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van fraus legis wanneer een samenstel van rechtshandelingen zo is getimed dat het herinvesteringstijdstip vlak voor een belangwijziging in de belastingplichtige plaatsvindt met als doorslaggevend oogmerk art. 15e Wet Vpb 1969 te ontgaan, zodat de herinvesteringsreserve alsnog aan de winst wordt toegevoegd.
-
ECLI:NL:HR:2014:1190 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat doel en strekking van artikel 15e Wet Vpb 1969 op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien een samenstel van rechtshandelingen, gericht op het ontgaan van die bepaling, het herinvesteringstijdstip vlak vóór een belangwijziging plant om vrijval van de herinvesteringsreserve te voorkomen, en verwijst de zaak voor onderzoek naar voorraad en fraus legis.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1399 (2023)
Het Hof oordeelt dat goodwill uit een grensoverschrijdende juridische fusie fiscaal niet splitsbaar is omdat zij volledig betrekking heeft op de verkregen activa en passiva, zodat belanghebbende die niet op de Nederlandse hoofdhuisbalans kan activeren en afschrijven.
-
ECLI:NL:HR:2014:1188 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de uitspraak van het Hof over het moment van afboeken van de herinvesteringsreserve op de vervangende onroerende zaken niet in stand kan blijven en verwijst het geding, mede voor beoordeling van de subsidiaire stelling van fraus legis.
-
ECLI:NL:HR:2014:1186 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van fraus legis wanneer door een samenstel van rechtshandelingen vrijval van een herinvesteringsreserve wordt voorkomen, en verwijst het geding.
-
ECLI:NL:HR:2014:1181 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat doel en strekking van artikel 15e Wet Vpb 1969 op onaanvaardbare wijze zouden worden doorkruist als de herinvesteringsreserve niet aan de winst wordt toegevoegd, omdat de volgorde van herinvestering en aandelenoverdracht doorslaggevend was ingegeven door de wens de vennootschapsbelastingheffing te verijdelen (fraus legis).
Beleid en standpunten
52 bronnen in de kennisbank-
KG:040:2024:4 (2024)
Standpunt: Nederland moet resultaat van buiten beschouwing blijvende vaste inrichting (artikel 12ac Wet Vpb 1969) op grond van verdrag toch vrijstellen, ongeacht artikel 15e lid 9.
- Kamerstuk 35030 nr. 3
-
Besluit BWBR0048320
Goedkeuring/beleid inzake internationaal belastingrecht winstsfeer: het bevat uitleg van bepalingen in belastingverdragen en Besluit voorkoming dubbele belasting voor situaties in de winstsfeer.
-
ATR 20260519-000008 (2026)
X1, X2, X3 (Nederlandse vennootschappen, multinationale industriële groep, 501–1.000 medewerkers) onder W (non-EU tophoudster); X3 hield aandelen Y (non-EU principaal). Verzoek zekerheid vaste inrichting buitenland, objectvrijstelling, artikel 8bc Wet Vpb, Y-rechtsvorm-kwalificatie 2025–2029.
- Kamerstuk 33003 nr. 3
-
Besluit BWBR0049041
Beleid inzake Syllabus AEB: uitgangspunten voor berekening van vermindering van vennootschapsbelasting ter voorkoming van dubbele belasting.
-
ATR 20210525-000011 (2021)
X verzoekt zekerheid op objectvrijstelling voor ondernemingswinsten uit onroerend zaak gehouden in Verdragsland A 2020-2024.
-
ATR 20210525-000010 (2021)
X (Netherlands agrarisch) houdster participatie samenwerkingsverband A (verdragsland onroerend zaken verhuur) vraagt objectvrijstelling buitenlandse ondernemingswinsten 2020-2024.
- Kamerstuk 35241 nr. 3
- Kamerstuk 33003 nr. F (EK)
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.