Formeel belastingrecht

Bezwaar en beroep in belastingzaken

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Bezwaar en beroep vormen het formele traject waarlangs een belastingplichtige een aanslag of een andere voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur laat toetsen. De regeling bestaat om twee redenen naast elkaar: de inspecteur krijgt eerst zelf de kans een fout te herstellen (de bezwaarfase, laagdrempelig en zonder recht), en pas daarna komt een onafhankelijke rechter in beeld. Bezwaar is verplicht: zonder tijdig bezwaar staat in beginsel geen weg open naar de rechtbank, het gerechtshof of de Hoge Raad. Daarna loopt de zaak in beginsel via drie instanties met telkens dezelfde termijn van zes weken: beroep bij de rechtbank, hoger beroep bij het gerechtshof en cassatie bij de Hoge Raad. De regeling raakt daarmee elke aanslag, navorderingsaanslag, naheffingsaanslag en elke daaraan gekoppelde boetebeschikking.

De kern van het formele traject wordt gevormd door de fatale termijn van zes weken en de vraag wanneer die termijn precies aanvangt. Omdat overschrijding van de termijn in beginsel tot niet-ontvankelijkheid leidt, is het aanvangsmoment vaak zelf al inzet van geschil, met name bij betwiste of gebrekkige bekendmaking van het aanslagbiljet. Daarnaast regelt de Awb de vormvereisten van het bezwaarschrift, de hoorplicht, de beslistermijn van de inspecteur en de vergoeding van kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Voor de praktijk is bezwaar en beroep dus zowel een procedureel als een bewijsrechtelijk vraagstuk: is tijdig bezwaar gemaakt, is de bekendmaking correct verlopen, voldoet het bezwaarschrift aan de vormvereisten, en is er grond voor een kostenvergoeding als het bezwaar slaagt. Dit dossier gaat vooral in op de bezwaarfase (aanvangsmoment van de termijn, vormvereisten, hoorplicht, beslistermijn en kostenvergoeding); de beroepsprocedure bij de rechter zelf — bewijslevering, zitting, uitspraak — komt niet inhoudelijk aan de orde, wel de instantieketen en de termijnen die daarvoor gelden.

Wanneer speelt dit

Dit thema speelt bij vrijwel elke aanslag of beschikking waartegen de belastingplichtige het niet eens is: aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting, maar ook navorderings- en naheffingsaanslagen met boetebeschikkingen. Het komt eveneens op bij lokale heffingen (zoals rioolheffing, leges of de WOZ-beschikking) die via dezelfde formele AWR/Awb-systematiek verlopen. Specifiek relevant is het traject wanneer de belastingplichtige stelt het aanslagbiljet niet (tijdig) te hebben ontvangen, wanneer de aanslag is gedagtekend vóór de daadwerkelijke bekendmaking, of wanneer de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaart wegens termijnoverschrijding. Het speelt ook wanneer een bezwaarschrift formeel gebrekkig is (geen gronden, geen omschrijving van het besluit) en de vraag is of eerst herstel van verzuim moet worden geboden, wanneer de inspecteur de wettelijke beslistermijn overschrijdt, of wanneer de vraag is of tegen een aanslag met omkering van de bewijslast nog effectief kan worden opgekomen. Ten slotte speelt het bij de vraag of kosten van de bezwaarfase vergoed moeten worden, zodra een bezwaar (deels) slaagt en wordt herroepen.

Hoe werkt de bezwaarfase

Wie kan bezwaar maken en waartegen. Bezwaar (en het daaropvolgende beroep) staat alleen open tegen een limitatief omschreven categorie besluiten: een belastingaanslag, met inbegrip van de in art. 15 AWR voorgeschreven verrekening, of een voor bezwaar vatbare beschikking (art. 26 lid 1 AWR). Voldoening of afdracht op aangifte en inhouding door een inhoudingsplichtige worden voor deze mogelijkheid gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking (art. 26 lid 2 AWR). Bevoegd is alleen de belanghebbende aan wie de aanslag is opgelegd, degene die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie is ingehouden, of degene tot wie de beschikking zich richt (art. 26a lid 1 AWR).

Vormvereisten en herstel van verzuim. Het bezwaarschrift moet ondertekend zijn en ten minste bevatten: naam en adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het bezwaar (art. 6:5 lid 1 Awb). Ontbreekt een van deze elementen, dan volgt niet meteen niet-ontvankelijkheid: de indiener moet eerst de gelegenheid krijgen het verzuim binnen een gestelde termijn te herstellen (art. 6:6 Awb).

Termijn en aanvangsmoment. De termijn voor bezwaar en voor elke opvolgende instantie bedraagt steeds zes weken (art. 6:7 Awb, ook van toepassing op hoger beroep en cassatie via art. 6:24 Awb). Voor belastingzaken wijkt alleen het aanvangsmoment af van de algemene Awb-regel: de termijn start op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of het afschrift van de beschikking, tenzij de dagtekening vóór de daadwerkelijke bekendmaking ligt — in dat geval telt de bekendmaking als startpunt (art. 22j onderdeel a AWR). Bij op aangifte voldane of afgedragen belasting start de termijn op de dag na de voldoening, inhouding of afdracht (art. 22j onderdeel b AWR). Bij verzending per post geldt een bezwaar- of beroepschrift als tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn wordt ontvangen (art. 6:9 Awb). Overschrijding van de termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding, art. 6:11 Awb) — in de praktijk wordt dit niet snel aangenomen.

Hoorplicht. Anders dan in het algemene bestuursrecht, waar de hoorplicht in beginsel actief geldt (art. 7:2 Awb), wordt de belanghebbende in belastingzaken gehoord op zijn verzoek (art. 25 lid 1 AWR). Komen na een hoorzitting nieuwe feiten of omstandigheden van aanmerkelijk belang aan het licht, dan moet daarover opnieuw gelegenheid tot horen worden geboden (art. 7:9 Awb).

Beslistermijn van de inspecteur. De inspecteur beslist in beginsel binnen zes weken na afloop van de bezwaartermijn, of binnen twaalf weken als een adviescommissie is ingesteld (art. 7:10 lid 1 Awb). Deze termijn wordt opgeschort zolang een verzuimherstel loopt (lid 2), kan met ten hoogste zes weken worden verdaagd (lid 3), en kan verder worden verlengd met instemming van belanghebbenden of wegens wettelijke procedurevoorschriften (lid 4). Blijft een tijdige beslissing uit, dan kan de belanghebbende de inspecteur schriftelijk in gebreke stellen; twee weken daarna staat beroep open tegen het niet tijdig beslissen, zonder dat dit beroep zelf aan een termijn gebonden is (art. 6:12 Awb).

Gevolg voor de bewijslast. Is het bezwaar gericht tegen een aanslag, navorderingsaanslag, naheffingsaanslag of beschikking waarvoor de vereiste aangifte niet is gedaan, of tegen een aanslag na een onherroepelijke informatiebeschikking, dan handhaaft de inspecteur de aanslag bij de uitspraak op bezwaar tenzij is gebleken dat en in hoeverre die onjuist is (art. 25 lid 3 AWR). Dit is de bezwaarfase-tegenhanger van de omkering en verhoging van de bewijslast die ook in beroep geldt, en hangt samen met de informatieverplichtingen van de belastingplichtige; de uitzondering geldt niet voor zover het bezwaar zich richt tegen een vergrijpboete.

Procedure na de bezwaarfase. Na de uitspraak op bezwaar loopt de zaak via beroep bij de rechtbank, hoger beroep bij het gerechtshof (alleen open voor de belanghebbende die beroep kon instellen en voor de inspecteur, art. 27h lid 1 AWR) en cassatie bij de Hoge Raad (alleen voor de belanghebbende die hoger beroep kon instellen en voor de minister, art. 28 lid 1 AWR), telkens binnen zes weken. Voor beroep bij de rechtbank is griffierecht verschuldigd:

SituatieGriffierecht (2026)
Natuurlijk persoon, besluit uit de Regeling verlaagd griffierecht€ 54
Natuurlijk persoon, overig besluit€ 200
Andere indiener dan een natuurlijk persoon (bv. een B.V.)€ 397

Bij beroep tegen meerdere samenhangende besluiten of door meerdere indieners tegen hetzelfde besluit is eenmaal griffierecht verschuldigd, gelijk aan het hoogste bedrag (art. 8:41 lid 3 Awb). Het bedrag moet binnen vier weken na de mededeling van de griffier zijn voldaan; te late betaling leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij redelijkerwijs geen verzuim kan worden aangenomen of betalingsonmacht aannemelijk is (art. 8:41 leden 5 en 6 Awb).

Kostenvergoeding in de bezwaarfase. Voor de behandeling van het bezwaar zelf is geen recht verschuldigd (art. 7:15 lid 1 Awb). Kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken, worden alleen vergoed op verzoek en alleen voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (art. 7:15 lid 2 Awb); het verzoek moet zijn gedaan vóórdat op het bezwaar is beslist (art. 7:15 lid 3 Awb). Is aan die voorwaarden voldaan, dan wordt de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand forfaitair vastgesteld: punten per proceshandeling (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 0,5 punt voor een nadere hoorzitting) vermenigvuldigd met een waarde per punt en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak (Besluit proceskosten bestuursrecht):

Waarde per punt2025Per 1 januari 2026
Bezwaar en administratief beroep€ 647€ 666
Beroep en hoger beroep€ 907€ 934

De wegingsfactor loopt van 0,25 (zeer licht) tot 2 (zeer zwaar), met 1 als gemiddeld gewicht; bij vier of meer samenhangende zaken geldt een factor van 1,5. Bij een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand wordt de vergoeding uitbetaald aan de rechtsbijstandverlener, die de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos stelt voor de eigen bijdrage (art. 7:15 lid 5 Awb).

Wat er niet onder valt. Alleen besluiten uit de limitatieve opsomming van art. 26 lid 1 AWR zijn vatbaar voor bezwaar en beroep in deze zin; andere besluiten van de inspecteur volgen het algemene bestuursrecht (art. 8:1 Awb) of staan in het geheel niet open voor rechtsbescherming langs deze weg. Voor bezwaren waarvoor dezelfde rechtsvraag bij een groot aantal belastingplichtigen speelt, kan de minister een aanwijzing massaal bezwaar geven; dat bijzondere regime (art. 25c e.v. AWR) wijkt op onderdelen af van de hier beschreven hoofdregels en blijft in dit dossier verder onbesproken. Losstaand van de vraag of bezwaar is gemaakt, staat de vraag of uitstel van betaling nodig is: het bezwaartraject regelt de formele rechtsbescherming, niet de betalingsverplichting zelf.

Wettelijk kader

Art. 22j AWR regelt, in afwijking van art. 6:8 Awb, alleen het aanvangsmoment van de bezwaartermijn: voor aanslagen en beschikkingen de dag na de dagtekening, tenzij die vóór de bekendmaking ligt (onderdeel a), en voor op aangifte voldane of afgedragen belasting de dag na de voldoening, inhouding of afdracht (onderdeel b). De lengte van de termijn volgt uit het algemene bestuursrecht: art. 6:7 Awb stelt die op zes weken, en art. 6:24 Awb trekt dit hoofdstuk (behalve art. 6:12, met een eigen regime voor beroep tegen niet tijdig beslissen) door naar hoger beroep en cassatie. Art. 6:9 Awb bepaalt wanneer verzending per post nog tijdig is; art. 6:11 Awb houdt niet-ontvankelijkverklaring tegen als de indiener redelijkerwijs geen verzuim kan worden verweten.

De vormvereisten van het bezwaar- en beroepschrift staan in art. 6:5 Awb (ondertekening, naam en adres, dagtekening, omschrijving van het besluit, gronden); art. 6:6 Awb schrijft voor dat bij een gebrek eerst een hersteltermijn moet worden geboden voordat niet-ontvankelijkheid volgt.

Art. 25 lid 1 AWR wijkt af van de algemene actieve hoorplicht van art. 7:2 Awb: in belastingzaken wordt gehoord op verzoek. Art. 7:9 Awb verplicht tot een nadere hoorzitting bij nieuwe, relevante feiten na het horen. De beslistermijn van de inspecteur volgt uit art. 7:10 Awb (zes, bij een adviescommissie twaalf weken, met opschorting bij verzuimherstel en mogelijkheid tot verdaging). Art. 25 lid 3 AWR regelt de bewijspositie bij bezwaar tegen een aanslag waarvoor de vereiste aangifte niet is gedaan of na een onherroepelijke informatiebeschikking: de aanslag blijft gehandhaafd tenzij gebleken is dat en in hoeverre die onjuist is, behalve voor zover het bezwaar een vergrijpboete betreft.

Voor de kosten van de bezwaarfase geldt art. 7:15 Awb. Lid 1 bepaalt dat voor de behandeling van het bezwaar geen recht verschuldigd is. Lid 2 bepaalt dat kosten die de belanghebbende "in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken" door het bestuursorgaan "uitsluitend" worden vergoed "op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid" — geen automatisme dus bij gegrondverklaring. Lid 3 eist dat het verzoek is gedaan voordat op het bezwaar is beslist. Lid 4 laat de kostensoorten en de vaststelling van het bedrag over aan een algemene maatregel van bestuur, het Besluit proceskosten bestuursrecht. Lid 5 regelt, bij een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand, uitbetaling aan de rechtsbijstandverlener. Voor beroep bij de rechtbank is daarnaast griffierecht verschuldigd op grond van art. 8:41 Awb.

Belangrijkste rechtspraak

Ontvankelijkheid bij (niet-)ontvangst en verzending van het bezwaarschrift. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2019:1102 (2019) dat het hof, nu de belanghebbende stelde het aanslagbiljet met de boetebeschikking niet te hebben ontvangen, eerst had moeten beoordelen of de inspecteur de onjuistheid van die stelling had bewezen, voordat het bezwaar tegen de boetebeschikking wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk kon worden verklaard; de zaak werd verwezen. In ECLI:NL:HR:2021:1648 (2021) oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt de bezwaarschriften tegen de boetebeschikkingen tijdig ter post te hebben bezorgd, zodat die bezwaren alsnog ontvankelijk werden geacht en het cassatieberoep in zoverre slaagde. Beide arresten laten dezelfde lijn zien: bij een gemotiveerde betwisting van ontvangst of verzending mag niet-ontvankelijkheid niet lichtvaardig worden aangenomen.

Verschoonbaarheid van termijnoverschrijding bij lokale heffingen. Diezelfde ontvankelijkheidsvraag keert terug bij lokale heffingen, die via dezelfde AWR/Awb-systematiek lopen. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2021:2561 (2021) dat bezwaarschriften tegen een rioolheffing terecht niet-ontvankelijk waren verklaard, omdat de belanghebbende niet aannemelijk maakte dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar was. In ECLI:NL:GHAMS:2020:1789 (2020) oordeelde hetzelfde hof dat het bezwaar tegen een legesaanslag terecht niet-ontvankelijk was verklaard, omdat de belanghebbende ook binnen de bij gebrekkige bekendmaking in aanmerking te nemen termijn te laat bezwaar had gemaakt. Beide zaken bevestigen dat verschoonbaarheid strikt en met een eigen bewijslast voor de indiener wordt getoetst, ook buiten de kernbelastingen.

Kostenvergoeding in de bezwaarfase. In ECLI:NL:GHAMS:2021:15 (2021) oordeelde Gerechtshof Amsterdam dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op het verzoek om de proceskostenvergoeding te verhogen met wettelijke rente, maar dat dit niet gold voor het griffierecht omdat daarvoor geen verzoek was ingediend. Deze uitspraak laat zien dat kostenvergoeding en griffierechtvergoeding afzonderlijke verzoeken vergen en niet automatisch met elkaar meelopen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bewijs van (niet-)ontvangst van het aanslagbiljet is vaak doorslaggevend: uit ECLI:NL:HR:2019:1102 volgt dat bij een gemotiveerde ontvangstbetwisting de bewijslast voor de inspecteur ligt voordat niet-ontvankelijkheid mag worden aangenomen.
  • Tijdige terpostbezorging van het bezwaarschrift moet aannemelijk worden gemaakt door de indiener; ECLI:NL:HR:2021:1648 laat zien dat een te streng oordeel hierover in cassatie sneuvelt.
  • Verschoonbaarheid van termijnoverschrijding wordt niet snel aangenomen: in ECLI:NL:GHAMS:2021:2561 en ECLI:NL:GHAMS:2020:1789 strandde het beroep op verschoonbaarheid telkens op het ontbreken van een aannemelijke verklaring, ook bij lokale heffingen met een vergelijkbare bekendmakingssystematiek.
  • Een formeel gebrekkig bezwaarschrift leidt niet direct tot niet-ontvankelijkheid; art. 6:6 Awb vereist eerst een hersteltermijn, wat in de praktijk vaak over het hoofd wordt gezien bij haastig ingediende pro-formabezwaren.
  • Een verzoek om kostenvergoeding ziet uitsluitend op herroeping wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid; een afzonderlijk verzoek is nodig voor wettelijke rente over die vergoeding en voor vergoeding van het griffierecht, zoals ECLI:NL:GHAMS:2021:15 illustreert.

Recente ontwikkelingen

Bij Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de forfaitaire waarden per punt met ingang van 1 januari 2026 verhoogd van € 647 naar € 666 (bezwaar en administratief beroep) en van € 907 naar € 934 (beroep en hoger beroep). Voor het overige is de kern van het formele traject — de zesweken-termijn, het afwijkende aanvangsmoment van art. 22j AWR en de voorwaarden voor kostenvergoeding van art. 7:15 Awb — de afgelopen jaren niet gewijzigd; de rechtspraak over ontvankelijkheid en verschoonbaarheid van termijnoverschrijding blijft de belangrijkste bron van nieuwe rechtsontwikkeling in dit thema.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Meer in de kennisbank

Nog 20 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.