Formeel belastingrecht
Omkering en verzwaring van de bewijslast
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Omkering en verzwaring van de bewijslast is een sanctie uit het formele belastingrecht die de normale verdeling van de bewijslast tussen inspecteur en belastingplichtige omkeert op het moment dat de belastingplichtige zelf tekort is geschoten. In de gewone verhouding moet de inspecteur aannemelijk maken dat een correctie terecht is. Bij omkering draait dat om: de belastingplichtige moet aantonen dat de aanslag of beschikking onjuist is, en verzwaring scherpt de maatstaf daarbij aan van "aannemelijk maken" naar "overtuigend aantonen" (doen blijken) dat en in hoeverre de aanslag of beschikking onjuist is. Het instrument compenseert zo het informatienadeel dat de inspecteur heeft geleden doordat de belastingplichtige zijn informatieverplichtingen niet is nagekomen of geen deugdelijke aangifte heeft gedaan.
De regeling heeft een bewogen ontstaansgeschiedenis rond de tweede trigger, de informatiebeschikking. Vóór 1 juli 2011 leidde een schending van de administratie- of inlichtingenverplichtingen (art. 47, 47a, 49 of 52 AWR) rechtstreeks tot omkering van de bewijslast in de bezwaar- of beroepsprocedure. Sinds 1 juli 2011 is daar een verplichte tussenstap voor gekomen: de inspecteur moet die schending eerst vaststellen bij een zelfstandig voor bezwaar vatbare informatiebeschikking (art. 52a AWR), en pas als die beschikking onherroepelijk is geworden, treedt de omkering in. Deze omslagdatum blijft ook nu nog van belang: bij procedures die zien op een uitspraak op bezwaar van vóór 1 juli 2011 geldt de informatiebeschikking-eis niet, terwijl hij voor latere uitspraken onverkort geldt.
Wanneer speelt dit
Omkering van de bewijslast komt op tafel zodra de inspecteur stelt dat de vereiste aangifte niet is gedaan, bijvoorbeeld bij het geheel ontbreken van een aangifte, bij het niet beantwoorden van specifieke aangiftevragen, of bij inhoudelijke gebreken die de aangifte feitelijk onbetrouwbaar maken. Het speelt ook wanneer de inspecteur een informatiebeschikking heeft afgegeven omdat administratie- of inlichtingenverplichtingen niet zijn nagekomen, en die beschikking onherroepelijk is geworden. In de praktijk duikt het thema op bij winstcorrecties op basis van een vermogensvergelijking of brutowinstpercentage, bij verrekenprijscorrecties onder art. 8b Wet Vpb 1969, bij vragen over betrokkenheid bij een trust of ander doelvermogen, bij accijnscorrecties waar de administratie tekortschiet, en bij btw-geschillen over het recht op aftrek van voorbelasting wanneer ondanks een uitnodiging geen aangifte is gedaan.
Hoe werkt de omkering
De twee triggers. Omkering en verzwaring treden alleen in bij een van twee, alternatieve gronden:
- de vereiste aangifte is niet gedaan (geheel geen aangifte, niet-beantwoorde vragen, of inhoudelijke gebreken die het aangiftecriterium hierna raken), of
- een informatiebeschikking (art. 52a AWR) wegens schending van de administratie- of inlichtingenverplichtingen is onherroepelijk geworden.
Wanneer is de vereiste aangifte niet gedaan bij inhoudelijke gebreken. Bij een geheel ontbrekende aangifte of onbeantwoorde vragen is de toets eenvoudig. Bij een wél ingediende maar gebrekkige aangifte geldt een strenger, cumulatief criterium uit vaste rechtspraak: (i) de volgens de aangifte verschuldigde belasting moet verhoudingsgewijs aanzienlijk lager zijn dan de werkelijk verschuldigde belasting, (ii) het bedrag dat daardoor niet zou zijn geheven moet ook op zichzelf beschouwd aanzienlijk zijn, en (iii) de belastingplichtige moet zich er ten tijde van het doen van de aangifte van bewust zijn geweest of moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag niet zou worden geheven. De wet noemt geen vaste drempel in geld of procenten voor "aanzienlijk"; dat is een open, feitelijke maatstaf die per zaak wordt ingevuld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, met de bewijslast bij de inspecteur. Een uitzondering geldt als de belastingplichtige bij het doen van de aangifte een pleitbaar standpunt innam: als de gekozen uitleg van het recht naar objectieve maatstaven redelijkerwijs verdedigbaar was, ontbreekt de vereiste bewustheid en blijft omkering achterwege, ook als die uitleg achteraf onjuist blijkt.
Het gevolg van toepassing. Bij omkering verschuift niet alleen wie moet bewijzen, maar ook hoe zwaar: in plaats van "aannemelijk maken" (de gewone standaard) moet de belastingplichtige "doen blijken", oftewel overtuigend aantonen dat en in hoeverre de aanslag, naheffingsaanslag, navorderingsaanslag of beschikking onjuist is. Slaagt hij daar niet in, dan houdt de aanslag stand, ook als er twijfel over de juiste hoogte bestaat. De keerzijde is dat de correctie zelf niet vrijblijvend mag zijn: zij moet berusten op een redelijke, niet-willekeurige schatting van de inspecteur. De toets of een schatting redelijk is, is minder streng dan de toets of een bedrag aannemelijk niet is aangegeven, maar een schatting die op zichzelf onbegrijpelijk of willekeurig is, houdt ook onder omgekeerde bewijslast geen stand.
Procedure. De omkering werkt op twee achtereenvolgende niveaus binnen dezelfde procedure: in de bezwaarfase bij de inspecteur (art. 25 lid 3 AWR) en, als het geschil doorloopt, in de beroepsfase bij de rechtbank (art. 27e lid 1 AWR). Via art. 27h lid 2 AWR is art. 27e ook van overeenkomstige toepassing in hoger beroep, zodat de omkering het hele traject van bezwaar tot en met hoger beroep beheerst zolang de grond ervoor blijft bestaan. Bij de tweede trigger loopt de informatiebeschikking als zelfstandig traject mee: zij is zelf een voor bezwaar vatbare beschikking, met de gewone bezwaartermijn van zes weken (art. 6:7 Awb), en de termijn voor het opleggen van de onderliggende aanslag wordt automatisch verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop zij onherroepelijk vaststaat of wordt vernietigd (art. 52a lid 2 AWR). Verklaart de rechtbank het beroep tegen een informatiebeschikking ongegrond, dan krijgt de belastingplichtige daarnaast een nieuwe termijn om alsnog aan de geschonden verplichtingen te voldoen, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht (art. 27e lid 2 AWR).
Wat er niet onder valt. De omkering raakt uitsluitend het geschil over de aanslag of beschikking zelf. Voor het onderdeel van bezwaar of beroep dat is gericht tegen een vergrijpboete geldt de omkering uitdrukkelijk niet (art. 25 lid 3, tweede volzin en art. 27e lid 3 AWR): daarvoor blijft de gewone bewijslastverdeling gelden, met de bewijslast bij de inspecteur. Ook is omkering niet automatisch totaal: bij een niet-beantwoorde aangiftevraag kan zij zich beperken tot het geschilonderdeel dat met die vraag samenhangt (partiële omkering), en bij een schattingscorrectie blijft de correctie begrensd tot het deel waarvoor de inspecteur daadwerkelijk een onderbouwing heeft aangedragen.
| Situatie | Omkering van toepassing? | Bewijsmaatstaf |
|---|---|---|
| Geen aangifte gedaan | Ja, in beginsel volledig | Belastingplichtige moet doen blijken |
| Aangifte met onbeantwoorde, gewichtige vraag | Ja, beperkt tot het samenhangende geschilonderdeel (partiële omkering) | Doen blijken, alleen voor dat onderdeel |
| Aangifte ingediend, inhoudelijke gebreken die niet aan het relatief-en-absoluut-criterium voldoen, of pleitbaar standpunt | Nee | Gewone regel: inspecteur maakt aannemelijk |
| Onherroepelijke informatiebeschikking (art. 52a AWR) | Ja | Doen blijken |
| Informatiebeschikking nog niet onherroepelijk | Nee, nog niet | Gewone regel |
| Geschil over de vergrijpboete | Nee, ook niet als de aanslag zelf omgekeerd is | Gewone regel: inspecteur maakt aannemelijk |
Wettelijk kader
Art. 25 lid 3 AWR regelt de omkering in de bezwaarfase. Als het bezwaar is gericht tegen een aanslag, navorderingsaanslag, naheffingsaanslag of beschikking waarvoor de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijke informatiebeschikking, handhaaft de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar de belastingaanslag of beschikking, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die onjuist is. De bepaling sluit de vergrijpboete uitdrukkelijk uit: voor zover het bezwaar tegen een boete is gericht, vindt de omkering geen toepassing.
Art. 27e lid 1 AWR spiegelt dit voor de beroepsfase bij de rechtbank: bij dezelfde twee gronden verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Lid 2 regelt wat er gebeurt als het beroep specifiek tegen een informatiebeschikking wordt verworpen: de rechtbank stelt dan een nieuwe termijn voor het alsnog nakomen van de geschonden verplichtingen, in situaties waarin dat nog zinvol kan, tenzij de belastingplichtige kennelijk onredelijk gebruik maakt van het procesrecht. Lid 3 herhaalt de uitzondering voor de vergrijpboete.
Art. 27h AWR verlengt de werking van art. 27e naar het hoger beroep: alleen de belanghebbende die bevoegd was beroep in te stellen en de inspecteur kunnen hoger beroep instellen, en art. 27e is via lid 2 van overeenkomstige toepassing in die fase. De omkering werkt dus door het hele rechtsmiddelentraject heen, niet alleen in de eerste instantie.
Art. 52a AWR geeft de tweede trigger een eigen wettelijke basis. Lid 1 omschrijft de informatiebeschikking: als niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen van art. 41, 47, 47a, 49 of 52 AWR, of aan de inhoudingsverplichtingen van art. 53 lid 1-3 AWR, kan de inspecteur dat vaststellen bij een zelfstandig voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij hij in die beschikking moet wijzen op art. 25 lid 3 AWR. Lid 2 regelt de flankerende termijnverlenging: de termijn voor het opleggen van de onderliggende aanslag of beschikking schuift automatisch op met de periode tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop zij onherroepelijk vaststaat of wordt vernietigd, zodat de inspecteur niet buiten de aanslagtermijn valt terwijl de informatiebeschikkingsprocedure nog loopt.
Beide kernartikelen (art. 25 lid 3 en art. 27e lid 1 AWR) koppelen de omkering aan precies twee, alternatieve gronden ("of"): geen vereiste aangifte, óf een onherroepelijke informatiebeschikking. Geen van beide artikelen geeft een inhoudelijke maatstaf voor "redelijke schatting" of voor wanneer een aangiftegebrek "aanzienlijk" is; die invulling is aan de rechtspraak overgelaten.
Belangrijkste rechtspraak
Lijn 1 — wanneer is de vereiste aangifte niet gedaan. De Hoge Raad oordeelde op 29 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:970) dat bij inhoudelijke aangiftegebreken omkering alleen aan de orde is als de aangegeven belasting zowel verhoudingsgewijs als op zichzelf beschouwd aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, en de belastingplichtige zich daarvan bewust was of moest zijn; een pleitbaar standpunt bij het doen van aangifte sluit omkering op deze grond volledig uit. Op 27 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:767) preciseerde de Hoge Raad dat het niet beantwoorden van de aangiftevraag over betrokkenheid bij een trust of ander doelvermogen in de regel voldoende gewicht heeft om omkering te rechtvaardigen, ook als het geschil zich beperkt tot daarmee samenhangende uitkeringen; volgens het kennisgroepstandpunt KG:206:2023:2 blijft de omkering in dat geval beperkt tot het geschilonderdeel dat met de onbeantwoorde vraag samenhangt (partiële omkering). Dat het relatief-en-absoluut-criterium ook los van boekhoudkundige eenvoud geldt, bevestigen Gerechtshof Amsterdam op 11 juli 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1928) en op 11 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2377): in beide zaken werd het criterium (mede) toegepast op verrekenprijscorrecties onder art. 8b Wet Vpb 1969, in het eerste geval omdat additionele waarde zonder vergoeding was overgedragen, in het tweede omdat het wettelijk bewijsvermoeden van art. 8b niet was ontzenuwd.
Lijn 2 — de informatiebeschikking als zelfstandige toegangspoort. Gerechtshof Amsterdam paste het criterium op 19 december 2025 toe in een btw-zaak: de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1958) beoordeelde of een verzwaarde bewijslast mocht worden opgelegd voor het aannemelijk maken van het recht op aftrek van voorbelasting wanneer ondanks een uitnodiging geen btw-aangifte was gedaan; het cassatieberoep van de Staatssecretaris werd gegrond verklaard en de zaak verwezen, wat aangeeft dat de exacte grens van deze trigger bij het ontbreken van een btw-aangifte nog niet volledig is uitgekristalliseerd. Op de omslagdatum van 1 juli 2011 oordeelde de Hoge Raad tweemaal op 2 oktober 2015: in ECLI:NL:HR:2015:2795 dat de sinds die datum geldende eis van een informatiebeschikking niet geldt bij een uitspraak op bezwaar van vóór die datum, en dat ook voor schending van de administratieplicht van art. 52 AWR een informatiebeschikking vereist is voor omkering; in ECLI:NL:HR:2015:2903 dat diezelfde uitzondering juist niet opgaat wanneer de uitspraak op bezwaar wél ná 1 juli 2011 is gedaan, zodat de informatiebeschikkingseis dan onverkort geldt.
Lijn 3 — grenzen aan de schattingscorrectie zelf. Op 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1086) oordeelde de Hoge Raad dat de toets of een schatting van niet-aangegeven winst redelijk (niet willekeurig) is, minder streng is dan de toets of aannemelijk is dat een bedrag niet is aangegeven; het gehanteerde brutowinstpercentage werd in die zaak niet onbegrijpelijk geacht. Dat de redelijkheidstoets ook de omvang van de correctie begrenst, blijkt uit het arrest van 9 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1150) over een accijnsnaheffing op waterpijptabak: de Hoge Raad oordeelde dat de naheffingsaanslag niet in stand kan blijven voor zover deze geen verband hield met de aankopen waarvoor de inspecteur specifiek facturen had opgevraagd, en verwees de zaak voor een hernieuwde beoordeling van bewijslast en boete.
Aandachtspunten voor de praktijk
Bepalend is welke van de twee gronden uit art. 25 lid 3 en art. 27e lid 1 AWR aan de orde is: het ontbreken van de vereiste aangifte staat los van, en kan naast, een onherroepelijke informatiebeschikking spelen, met elk hun eigen toetsingskader.
Bij een informatiebeschikking is de onherroepelijkheid een harde voorwaarde; zolang de beschikking nog niet onherroepelijk vaststaat, kan omkering op die grond niet worden ingeroepen, en bij procedures rond een uitspraak op bezwaar van vóór 1 juli 2011 geldt de eis van een informatiebeschikking bovendien niet.
Bij een niet-beantwoorde aangiftevraag weegt zwaar of die vraag zelf voldoende gewicht heeft voor het bepalen van de belastingplicht of -schuld; niet elke onbeantwoorde vraag volstaat automatisch, en zelfs waar dat wel zo is blijft de omkering beperkt tot het samenhangende geschilonderdeel.
Bij inhoudelijke aangiftegebreken loopt de discussie vaak over het relatief-en-absoluut-criterium en de bewustheidseis; een pleitbaar standpunt bij het doen van aangifte staat omkering op deze grond volledig in de weg, ongeacht of dat standpunt achteraf onjuist blijkt.
Een schattingscorrectie wordt los van de omkering zelf getoetst op redelijkheid, en die toets is minder streng dan de vraag of een bedrag aannemelijk niet is aangegeven; dat een schatting overeind blijft, betekent dus niet dat elk onderdeel ervan overeind blijft, zoals de begrenzing tot het onderbouwde deel bij de accijnscorrectie liet zien.
Bij verrekenprijs- en concernzaken kunnen art. 8b Wet Vpb 1969 en art. 27e AWR in combinatie spelen: het niet aangeven van overgedragen waarde of een niet-ontzenuwd bewijsvermoeden kan zelfstandig tot omkering leiden, los van de inhoudelijke verrekenprijsdiscussie zelf.
Het verweer tegen een eventuele vergrijpboete staat los van de aanslag: voor het boete-onderdeel blijft de gewone bewijslastverdeling gelden, ook waar voor de aanslag zelf is omgekeerd, en die scheiding werkt door in navorderings- en naheffingstrajecten waarin aanslag en boete gecombineerd worden opgelegd.
Recente ontwikkelingen
Het arrest van 19 december 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1958) betreft de vraag of bij het uitblijven van een btw-aangifte een verzwaarde bewijslast mag worden opgelegd voor het aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor het recht op aftrek van voorbelasting is voldaan; het cassatieberoep van de Staatssecretaris is gegrond verklaard en de zaak is verwezen.
Sinds het trustvraag-arrest van 27 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:767) speelt de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast bij een niet-gedane vereiste aangifte wegens inhoudelijke gebreken beperkt moet blijven tot het geschilonderdeel waarop die gebreken zien, in plaats van de gehele aanslag te treffen. Advocaat-generaal Koopman betoogde in zijn conclusie van 31 januari 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:130, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:200; zaaknummers 24/01480 en 24/02200) dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat omkering van de bewijslast ook partieel wordt toegepast wanneer de vereiste aangifte niet is gedaan doordat die aangifte inhoudelijk aanzienlijk te laag is, en adviseerde de Hoge Raad het cassatieberoep in zoverre gegrond te verklaren. Dit betreft een conclusie van de advocaat-generaal, niet bindend voor de Hoge Raad; ten tijde van dit dossier is over dit punt nog geen arrest gewezen.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
201 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2025:1958 (2025)
De Hoge Raad oordeelt over de vraag of aan een belastingplichtige die ondanks uitnodiging geen btw-aangifte heeft gedaan een verzwaarde bewijslast mag worden opgelegd voor het aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor het recht op aftrek van voorbelasting is voldaan; het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:6613 (2025)
De zaak betreft de vereiste aangifte en een redelijke schatting bij de aanslag vennootschapsbelasting 2017 van een fiscale eenheid; het Hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aanslag niet wordt verminderd.
-
ECLI:NL:HR:2021:1086 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat de beoordeling of een schatting van niet-aangegeven winst redelijk (niet willekeurig) is een minder strenge toets vergt dan de beoordeling of aannemelijk is dat een bedrag niet is aangegeven, en bevestigt het gehanteerde brutowinstpercentage van 75 procent als niet onbegrijpelijk.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1928 (2024)
Het Hof oordeelt dat omkering en verzwaring van de bewijslast (art. 27e AWR) ook geldt in verrekenprijsgeschillen onder art. 8b Wet Vpb, nu belanghebbende niet de vereiste aangifte deed doordat additionele waarde zonder vergoeding is overgedragen; het hoger beroep is deels gegrond.
-
ECLI:NL:HR:2022:1150 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat de naheffingsaanslag accijns over waterpijptabak niet in stand kan blijven voor zover deze geen verband houdt met de aankopen waarvoor de Inspecteur specifiek facturen heeft opgevraagd, en verwijst de zaak voor een nieuwe beoordeling van bewijslast en boete.
-
ECLI:NL:HR:2022:767 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat het niet-beantwoorden van de aangiftevraag over betrokkenheid bij een trust of ander doelvermogen in de regel voldoende gewicht heeft om omkering en verzwaring van de bewijslast te rechtvaardigen, ook als het geschil alleen daarmee samenhangende uitkeringen betreft.
-
ECLI:NL:HR:2015:2795 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat de vanaf 1 juli 2011 geldende eis van een informatiebeschikking niet geldt bij beroep tegen een vóór die datum gedane uitspraak op bezwaar, en dat ook voor schending van de administratieplicht van artikel 52 AWR een informatiebeschikking is vereist voor omkering van de bewijslast.
-
ECLI:NL:HR:2020:970 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de waarde van de certificaten van aandelen vast te stellen nadat het had geoordeeld dat deze ten minste € 260 per certificaat bedroeg; het cassatieberoep van de Staatssecretaris slaagt, dat van belanghebbende faalt, en de zaak wordt verwezen.
-
ECLI:NL:HR:2015:2903 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat de eis van een informatiebeschikking (art. 27e lid 1 AWR) niet geldt indien de uitspraak op bezwaar vóór 1 juli 2011 is gedaan; omdat de uitspraak hier ná die datum is gedaan, is die uitzondering niet van toepassing en slaagt het cassatiemiddel.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 (2025)
Het Hof oordeelt dat de factoringkosten grotendeels onzakelijk zijn en belanghebbende het bewijsvermoeden van art. 8b Wet Vpb 1969 niet heeft ontzenuwd, en dat vanwege 'implicit support' als core-vennootschap van het concern geen sprake is van een aparte intra-group service waarvoor garantiefees aan de moedervennootschap verschuldigd zouden zijn.
Beleid en standpunten
2 bronnen in de kennisbank-
KG:206:2023:2 (2023)
Standpunt: Het niet beantwoorden van een vraag leidt tot partiële omkering van de bewijslast.
-
Besluit BWBR0048958
Beleid inzake het Besluit Fiscaal Bestuursrecht, het verzamelbesluit met beleidsregels op het terrein van het fiscale bestuursrecht. Dit besluit is geactualiseerd naar aanleiding van de ontvlechting van Belastingdienst, Toeslagen en Douane.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.