Overdrachtsbelasting

Reorganisatie- en fusievrijstellingen overdrachtsbelasting

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Wie onroerende zaken of aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon (OZR) verkrijgt bij een interne reorganisatie, bedrijfsfusie, juridische fusie of splitsing, loopt tegen de vraag aan of overdrachtsbelasting verschuldigd is. De hoofdregel van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) is dat elke verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken belast is (zie overdrachtsbelasting voor het algemene tarief). Zonder uitzondering zou die heffing bedrijfseconomisch gemotiveerde herstructureringen belemmeren: een concern dat vastgoed binnen de eigen groep verplaatst, of een eenmanszaak die wordt omgezet in een BV, zou anders telkens opnieuw overdrachtsbelasting verschuldigd worden terwijl er economisch niets bij een derde terechtkomt. Artikel 15 WBR bevat daarom een uitgebreide lijst vrijstellingen; voor reorganisaties zijn dat de inbreng van een onderneming in een vennootschap (onderdeel e), fusie, splitsing en interne reorganisatie in algemene zin en specifiek tussen verenigingen/ANBI's (samen onderdeel h), en bedrijfsoverdracht in de familiesfeer (onderdeel b).

De vrijstellingen zijn geen vrijbrief: ze gelden alleen "onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden" en kennen bijna zonder uitzondering aanhoudings- en voortzettingseisen. Wie de vrijgestelde structuur binnen een bepaalde periode ontmantelt of de onderneming niet voortzet, kan de belasting alsnog verschuldigd worden; de toetsing loopt dus door in de jaren na de verkrijging. Bij de splitsingsvrijstelling verliep die naderhandse toets lange tijd via een wettelijk bewijsvermoeden waarvan de reikwijdte in 2026 door de Hoge Raad is beperkt (zie "Recente ontwikkelingen"): het enkele feit dat de structuur binnen de termijn wordt ontmanteld, leidt sindsdien niet zonder meer tot alsnog verschuldigde belasting.

Bij aandelentransacties komt daarbovenop de vraag of sprake is van een fictieve onroerende zaak in de zin van artikel 4 WBR: aandelen in een rechtspersoon waarvan de bezittingen grotendeels uit (Nederlandse) onroerende zaken bestaan, worden voor de overdrachtsbelasting gelijkgesteld met de onroerende zaken zelf. Reorganisaties waarbij aandelen in een OZR overgaan, moeten dus zowel de reorganisatievrijstelling van artikel 15 als de doeleis en de belangeis van artikel 4 langs elkaar leggen.

Wanneer speelt dit

Het thema speelt onder meer bij:

  • inbreng van een eenmanszaak of vennootschap onder firma in een BV of NV, of omzetting van een onderneming in NV- of BV-vorm;
  • een juridische fusie tussen rechtspersonen, ongeacht de rechtsvorm;
  • een interne reorganisatie binnen concernverband, waarbij onroerende zaken van de ene naar de andere concernvennootschap worden overgedragen;
  • een juridische splitsing waarbij (een zelfstandig onderdeel van) een onderneming met de daaraan dienstbare onroerende zaken overgaat op een andere rechtspersoon;
  • fusie of taakoverdracht tussen verenigingen als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of algemeen nut beogende instellingen;
  • bedrijfsoverdracht in de familiesfeer waarbij een onderneming met onroerende zaken overgaat op kinderen, kleinkinderen, broers, zusters of hun echtgenoten.

Hoe werkt de vrijstelling

Artikel 15 WBR noemt de vrijgestelde categorieën, maar de daadwerkelijke voorwaarden staan grotendeels in het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (UB BRV). Voor reorganisaties bestaan zes afzonderlijke sporen, elk met een eigen kwalificatietoets:

  1. Inbreng in een vennootschap zonder aandelenkapitaal (art. 15, lid 1, onderdeel e, onder 1°, WBR): de inbrenger moet voor ten minste 90% van de waarde van het ingebrachte vermogen worden bijgeschreven op de kapitaalrekening, en de ingebrachte onderneming mag niet eerder tot het vermogen van een onroerendezaakrechtspersoon hebben behoord (uitzondering: die rechtspersoon bezit(-had) meerdere ondernemingen en de ingebrachte onderneming zou op zichzelf niet tot OZR-kwalificatie leiden).
  2. Omzetting in NV- of BV-vorm (onderdeel e, onder 2°, WBR, uitgewerkt in art. 5 UB BRV): de oprichters moeten in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als voorheen in het vermogen van de omgezette onderneming.
  3. Bedrijfsfusie (art. 5a UB BRV, gebaseerd op onderdeel h): een vennootschap verkrijgt de gehele onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan van een andere vennootschap, uitsluitend tegen toekenning van aandelen.
  4. Juridische fusie (art. 5bis UB BRV, eveneens onderdeel h): vermogen gaat onder algemene titel over bij een juridische fusie tussen rechtspersonen, mits die fusie hoofdzakelijk op zakelijke overwegingen berust.
  5. Interne reorganisatie binnen concern (art. 5b UB BRV, onderdeel h): een concernvennootschap draagt onroerende zaken over aan een andere vennootschap van hetzelfde concern. Een concern is daarbij een vennootschap waarin geen andere vennootschap het gehele of nagenoeg gehele belang heeft, samen met alle vennootschappen waarin zíj zelf zo'n belang heeft.
  6. Splitsing (art. 5c UB BRV, onderdeel h): de verkrijgende rechtspersoon neemt de gehele onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan over, inclusief de daaraan dienstbare onroerende zaak, en de aandeelhouder van de splitsende rechtspersoon behoudt een soortgelijk belang in de verkrijgende rechtspersoon.

Daarnaast staan, los van deze zes sporen voor "gewone" rechtspersonen, nog twee routes open:

  1. Fusie of taakoverdracht tussen verenigingen/ANBI's (art. 5d UB BRV, eveneens onderdeel h): specifiek voor verenigingen als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, Wet IB 2001 en algemeen nut beogende instellingen. Hier geldt geen zakelijkheidstoets zoals bij spoor 4, maar de eis dat "commerciële factoren geen rol spelen" — dus geen koopsom of vergelijkbare tegenprestatie, behalve een eventueel overheidsvoorgeschreven overnamesom.
  2. Bedrijfsoverdracht in de familiesfeer (art. 15, lid 1, onderdeel b, WBR): rechtstreeks in de wet geregeld, zonder AMvB-uitwerking. Vrijgesteld is de verkrijging door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters of hun echtgenoten van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming van een ondernemer, mits die onderneming in haar geheel — al dan niet in fasen — door de verkrijger(s) wordt voortgezet. Een pleegkind telt als kind, een halfbroer, halfzuster, pleegbroer of pleegzuster als broer of zuster; verkrijgingen buiten deze kring, zoals tussen oom en neef, vallen niet onder de vrijstelling.

Bedragen, percentages en termijnen

ElementNormVindplaats
Bijschrijving kapitaalrekening bij inbreng (spoor 1)ten minste 90% van de waarde van het ingebrachte vermogenart. 15, lid 1, onderdeel e, onder 1°, WBR
Toegestane bijbetaling in geld naast aandelen (sporen 2, 3, 4, 6)ten hoogste 10% van de gestorte waardeart. 5 lid 2, art. 5a lid 2, art. 5bis (via aandelenruil-escape), art. 5c lid 6 UB BRV
Aanhoudings-/voortzettingstermijn (alle zes AMvB-sporen)drie jaar na de transactieart. 5 leden 3-4, art. 5a leden 3-4, art. 5b leden 3-4, art. 5bis leden 2-3, art. 5c leden 3-4, art. 5d lid 3 UB BRV
Aandelenruil-escape op de driejaarstermijnten minste 75% van de aandelen tegen eigen aandelen overgenomen door een andere vennootschapart. 5 lid 5, art. 5a lid 5, art. 5c lid 5 onderdeel b UB BRV
Fictieve onroerende zaak: aandeel in Nederlandse onroerende zakenten minste 30% van de bezittingenart. 4, lid 1, onderdeel a, WBR
Belangeis bij verkrijging aandelen in OZR (natuurlijk persoon)ten minste 1/3 belang, én meer dan 7% al dan niet met echtgenootart. 4, lid 3, onderdeel a, WBR
Belangeis bij verkrijging aandelen in OZR (rechtspersoon)ten minste 1/3 belang, eventueel samen met verbonden lichaam/persoonart. 4, lid 3, onderdeel b, WBR
Samentelling van verkrijgingen als één verkrijgingbinnen een tijdsverloop van twee jaarart. 4, lid 5, onderdeel b, WBR

Een percentage voor "geheel of nagenoeg geheel belang" (het concernbegrip van spoor 5, en de aandeelhoudersverhouding bij spoor 2) noemt de wet zelf niet.

Gevolg en procedure

Bij een geslaagd beroep op de vrijstelling is over de verkrijging geen overdrachtsbelasting verschuldigd. Dat gevolg is voorwaardelijk: bij schending van de aanhoudings- of voortzettingseis binnen de driejaarstermijn herleeft de heffing alsnog, over de destijds niet-geheven belasting. Voor de aangifte geldt geen aparte vooraf-goedkeuringsprocedure bij de inspecteur: bij toepassing van een vrijstelling van artikel 15 WBR moet aangifte worden gedaan, en wordt de verkrijging vastgelegd in een notariële akte, dan loopt die aangifte via die akte (art. 15, lid 9, WBR, met verwijzing naar art. 18 WBR). De beoordeling of aan de voorwaarden is voldaan, kan nadien bij boekenonderzoek worden getoetst, inclusief de vraag of de driejaarstermijn is gerespecteerd.

Reikwijdte: wat valt wel, wat valt niet onder de vrijstelling

De vrijstellingen zijn gebonden aan de vorm van de transactie én aan de betrokken partijen:

  • De interne-reorganisatievrijstelling (spoor 5) ziet specifiek op overdracht van onroerende zaken tussen concernvennootschappen en vereist niet dat een hele onderneming overgaat, anders dan de bedrijfsfusie- en splitsingssporen.
  • De fusie-/taakoverdrachtvrijstelling voor verenigingen en ANBI's (spoor 7) geldt niet als de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt, een afzonderlijke overdracht van onroerende zaken betreft (los van de overgedragen taak), of als de onroerende zaken niet voor die taak worden aangewend.
  • De bedrijfsoverdracht in de familiesfeer (spoor 8) is beperkt tot de wettelijk omschreven kring van kinderen, kleinkinderen, broers, zusters en hun echtgenoten (pleegkinderen en half-/pleegbroers en -zusters gelijkgesteld); overdrachten tussen bijvoorbeeld oom en neef vallen daarbuiten.
  • Voor aandelen in een OZR geldt dat de vrijstellingen van onderdeel p (jongerenvrijstelling eigen woning) en onderdeel t (terugkooprecht) nooit van toepassing zijn.
  • Wordt een vrijgestelde structuur binnen de driejaarstermijn gevolgd door een nieuwe, eveneens vrijgestelde reorganisatiestap — bijvoorbeeld een vervolgfusie, -splitsing of geruisloze terugkeer, zie geruisloze terugkeer — dan telt die stap in de regel niet als schending: de opvolgende verkrijger treedt voor de resterende termijn in de plaats van de oorspronkelijke verkrijger.

Wettelijk kader

Art. 15, lid 1, WBR opent met de kernbepaling dat onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden vrijstelling geldt voor een reeks verkrijgingen. Onderdeel e regelt de bedrijfsfusie in twee vormen: inbreng in een vennootschap zonder aandelenkapitaal (onder 1°) en omzetting in NV- of BV-vorm (onder 2°). Onderdeel b is de bedrijfsoverdracht in de familiesfeer, met een limitatieve kring van verkrijgers.

Onderdeel h is breder dan de tekst op het eerste gezicht doet vermoeden: het vrijstelt de verkrijging "bij fusie, splitsing, interne reorganisatie en taakoverdracht tussen verenigingen als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of algemeen nut beogende instellingen". De uitwerking in het Uitvoeringsbesluit BRV laat zien dat dit twee regimes bevat: een algemene juridische-fusie-, interne-reorganisatie- en splitsingsvrijstelling voor willekeurige rechtspersonen (art. 5bis, 5b en 5c UB BRV), naast een engere fusie- en taakoverdrachtvrijstelling voor verenigingen en ANBI's (art. 5d UB BRV) met een eigen toets: afwezigheid van commerciële factoren in plaats van zakelijke overwegingen.

Voor aandelentransacties is art. 4 WBR de tweede pijler. Lid 1, onderdeel a merkt als fictieve onroerende zaak aan: aandelen in een rechtspersoon waarvan de bezittingen op het verkrijgingsmoment of in het voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, mits die onroerende zaken geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren ervan. Lid 3 stelt vervolgens een belangeis: alleen bij een verkrijging van, kort gezegd, een derde gedeelte of meer belang in de rechtspersoon wordt daadwerkelijk geheven; voor rechtspersonen geldt dit belang mede tezamen met een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, voor natuurlijke personen geldt daarnaast nog een aanvullende drempel van meer dan 7% belang samen met de echtgenoot. De leden 4 tot en met 11 werken deze belangeis verder uit en voorkomen ontwijking via tussengeschoven lichamen: lid 4 rekent bezittingen en schulden van een dochterlichaam waarin al een derde-belang bestaat naar evenredigheid toe, lid 5 telt verkrijgingen binnen twee jaar door dezelfde of gelieerde partijen samen, de leden 6 tot en met 8 definiëren "verbonden lichaam" en "verbonden natuurlijk persoon" telkens via een derde-gedeelte-drempel, lid 9 legt de OZR een informatieverplichting op bij aangifte, en lid 11 stelt rechten uit bestaande aandelen gelijk aan aandelen zelf.

De nadere voorwaarden waarnaar de aanhef van art. 15, lid 1, verwijst, zijn voor de reorganisatiesporen uitgewerkt in de artikelen 5, 5a, 5b, 5bis, 5c en 5d van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer; voor de familiesfeervrijstelling van onderdeel b bevat dat besluit geen aanvullende voorwaarden, zodat de wettekst zelf uitputtend is voor de kwalificatietoets.

Belangrijkste rechtspraak

Fusie- en splitsingstoetsingskader. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2020:2078 (2020) dat de AMvB-voorwaarden voor de splitsingsvrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel h, WBR moeten worden uitgelegd overeenkomstig artikel 14a, lid 6, Wet Vpb 1969, in samenhang met de Fusierichtlijn, en vernietigde op die grond het oordeel van het hof. Diezelfde koppeling ligt ten grondslag aan ECLI:NL:HR:2026:298 (2026, zie "Recente ontwikkelingen"), waarin de Hoge Raad het driejaarsvermoeden bij de VPB-splitsingsvrijstelling beperkte, met doorwerking naar het overeenkomstige vermoeden in de WBR-splitsingsvrijstelling. Het Hof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2023:1384 (2023) dat het een woonstichting vrijstond de weg van een juridische fusie te volgen die hoofdzakelijk op zakelijke overwegingen berustte, ook al had zij het kantoorpand ook anders kunnen verkrijgen: het enkele bestaan van een alternatieve route stond niet aan de fusievrijstelling in de weg.

Aandelenbelang bij OZR-reorganisaties. Voor aandelentransacties bij vastgoedvennootschappen is ECLI:NL:HR:2021:504 (2021) relevant: de Hoge Raad oordeelde dat de verkrijging van uitsluitend de juridische eigendom van alle aandelen in een OZR wel degelijk een "belang" in de zin van art. 4, lid 3, letter b, WBR oplevert, zodat overdrachtsbelasting verschuldigd is, ook zonder verkrijging van het economische belang. Bij reorganisaties waarbij aandelen in een OZR binnen een concern verschuiven, kan dus ook een zuiver juridische eigendomsoverdracht de belangeis van artikel 4 raken, los van de vraag of de reorganisatievrijstelling zelf van toepassing is.

Bedrijfsoverdracht in de familiesfeer. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2026:568 (2026) over de vraag of de doorkijkarresten meebrengen dat voor de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel b, WBR bij een overdracht tussen een BV van de vader en BV's van zijn zonen door de BV heen mag worden gekeken naar de achterliggende personen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in ECLI:NL:GHARL:2026:1521 (2026) de rechtbank in een geschil over deze vrijstelling bij de overdracht van een melkveebedrijf tussen neef en oom; het hoger beroep werd ongegrond verklaard, in lijn met de beperkte, wettelijk omschreven verkrijgerskring. In ECLI:NL:GHARL:2024:2859 en ECLI:NL:GHARL:2024:2858 (beide 2024) oordeelde hetzelfde hof dat de vrijstelling geen toepassing vond bij schenking van certificaten van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon; het hoger beroep werd telkens ongegrond verklaard. In ECLI:NL:GHARL:2025:2132 (2025) was, eveneens bij een aandelenschenking binnen de familiesfeer, in geschil of de vennootschap kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon en of aan de doeleis van artikel 4 WBR was voldaan; ook dit hoger beroep werd ongegrond verklaard. Deze laatste drie zaken laten zien dat de familiesfeervrijstelling en de OZR-toets van artikel 4 los van elkaar staan: ook binnen de kring van vrijgestelde verkrijgers moet apart worden vastgesteld of sprake is van een fictieve onroerende zaak.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Het algemene fusie-/interne-reorganisatie-/splitsingsspoor van onderdeel h (art. 5bis, 5b, 5c UB BRV) en het engere verenigingen/ANBI-spoor (art. 5d UB BRV) worden gemakkelijk door elkaar gehaald omdat beide op dezelfde wettekst steunen, terwijl de toets wezenlijk verschilt — zakelijke overwegingen tegenover afwezigheid van commerciële factoren — met navorderbare gevolgen bij een verkeerde route-keuze. Het enkele bestaan van een niet-fiscaal begunstigde alternatieve route staat overigens niet aan de zakelijkheidstoets in de weg, zo oordeelde het Hof Amsterdam voor een woonstichting; de zakelijkheid van de gekozen route zelf moet wel per geval worden onderbouwd.
  • Bij overdracht van aandelen in een OZR binnen een reorganisatie moet apart worden getoetst of de verkrijger, eventueel samen met verbonden lichamen, het belang van ten minste een derde gedeelte haalt, los van de vraag of de reorganisatievrijstelling zelf van toepassing is; ook een verkrijging van uitsluitend de juridische eigendom kan dat belang al opleveren, zo volgt uit de Hoge Raad.
  • Omdat de splitsingsvrijstelling moet worden uitgelegd in het licht van art. 14a Wet Vpb 1969 en de Fusierichtlijn, is afstemming met de vennootschapsbelastingkwalificatie van dezelfde splitsing of fusie noodzakelijk; een gunstige VPB-kwalificatie is geen automatische garantie voor de WBR-vrijstelling, maar de uitlegkaders lopen wel parallel.
  • Bij bedrijfsoverdracht in de familiesfeer telt alleen de wettelijk omschreven kring van kinderen, kleinkinderen, broers, zusters en hun echtgenoten; overdrachten tussen bijvoorbeeld oom en neef vallen daarbuiten. Verloopt de overdracht via tussengeschoven BV's, dan is volgens de Hoge Raad in geschil of door de rechtspersonen heen naar de achterliggende familierelatie mag worden gekeken, en staat de familiesfeervrijstelling bij aandelenschenkingen bovendien los van de OZR-toets van artikel 4: beide moeten afzonderlijk worden doorlopen.

Recente ontwikkelingen

Bij de splitsingsvrijstelling van onderdeel h gold via het driejaarsvermoeden van artikel 5c van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer lange tijd dat vervreemding van de aandelen binnen drie jaar na de splitsing werd vermoed te wijzen op het ontbreken van zakelijke overwegingen, met alsnog verschuldigde belasting tot gevolg. De Hoge Raad oordeelde op 27 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:298, r.o. 4.4) over het gelijkluidende bewijsvermoeden van art. 14a lid 6 Wet VPB 1969 dat dit automatische vermoeden in strijd is met de Fusierichtlijn en buiten toepassing moet blijven: de inspecteur kan niet volstaan met betwisting van de aangevoerde zakelijke overwegingen, maar moet ten minste een begin van bewijs leveren. Omdat de voorwaarden van art. 5c volgens ECLI:NL:HR:2020:2078 conform diezelfde bepaling en de Fusierichtlijn moeten worden uitgelegd, werkt dit oordeel door naar het driejaarsvermoeden bij de splitsingsvrijstelling: het enkele feit dat de vrijgestelde structuur binnen de termijn wordt ontmanteld, leidt niet meer zonder meer tot heffing.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 86 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.