Overdrachtsbelasting

Overdrachtsbelasting: verkrijging en tarief

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Overdrachtsbelasting is een verkrijgersbelasting: zij wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze onderworpen zijn (art. 2 lid 1 WBR). De heffing knoopt aan bij het rechtsfeit van de verkrijging, niet bij de vervreemding, en treft zowel de juridische als de economische eigendom. De grondslag is de waarde in het economische verkeer van het verkregene, met als bodem de overeengekomen tegenprestatie (art. 9 lid 1 WBR); de belasting wordt geheven van de verkrijger (art. 16 WBR) en moet op aangifte worden voldaan (art. 17 WBR), in de praktijk meestal via de notariële akte van levering. Daarmee fungeert de belasting als sluitstuk op vrijwel elke overdracht van vastgoed of vastgoedgerelateerde rechten in Nederland, van een woningtransactie tussen particulieren tot complexe structuren waarin alleen het economische belang bij een onroerende zaak wisselt of waarin niet het pand zelf maar aandelen in een vastgoedvennootschap worden overgedragen.

Het tarief kent sinds 2021 een oplopende differentiatie naar wie verkrijgt en wat wordt verkregen. Tot 2021 gold voor woningen één verlaagd tarief van 2% naast het algemene tarief. Per 2021 is een eenmalige startersvrijstelling ingevoerd voor jonge kopers en is het algemene tarief verhoogd. Per 1 januari 2026 is de tariefstructuur verder verfijnd met een apart woningtarief van 8% voor woningen die niet als hoofdverblijf worden verkregen (zoals beleggingswoningen), naast het ongewijzigde hoofdverblijftarief van 2% en het algemene tarief van 10,4% voor niet-woningen. Het leerstuk kent daarnaast twee kernvragen die in de praktijk telkens terugkeren: valt de transactie onder het belastbare feit van art. 2 WBR, en zo ja, tegen welk tarief van art. 14 WBR wordt geheven. Beide vragen zijn feitelijk van aard en sterk casuïstisch ingevuld door de rechtspraak, met name rond de kwalificatie van "woning" en de drempel voor economische eigendom.

Wanneer speelt dit

Overdrachtsbelasting speelt bij iedere verkrijging van Nederlands vastgoed: aankoop van bedrijfspanden en beleggingswoningen, aankoop van een eigen woning door een particulier, verkrijging van rechten van lidmaatschap die betrekking hebben op een woning, en verkrijgingen van economische eigendom zonder dat de juridische levering plaatsvindt, zoals bij samengestelde contracten met risico-overdracht. Ook vestiging van beperkte rechten zoals een opstalrecht, transacties binnen beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten, verbouwingen waarbij een pand van functie wisselt (kantoor naar woning of omgekeerd), situaties met onverdeelde eigendom of kamerverhuur binnen een woning, en aandelentransacties in een vennootschap die vastgoed houdt (een onroerendezaakrechtspersoon) roepen de vraag op of, en tegen welk tarief, overdrachtsbelasting verschuldigd is.

Hoe werkt de regeling

Wie en wat kwalificeert. De heffing grijpt aan bij drie opeenvolgende vragen:

  1. Is sprake van een verkrijging van een in Nederland gelegen onroerende zaak, van een recht waaraan deze is onderworpen, of van de economische eigendom daarvan (art. 2 leden 1-2 WBR)?
  2. Zo nee, kwalificeert het verkregene toch als fictieve onroerende zaak omdat aandelen worden verkregen in een rechtspersoon die grotendeels uit (Nederlands) vastgoed bestaat en de verkrijger een voldoende groot belang verwerft (art. 4 WBR, uitgewerkt in het dossier onroerendezaakrechtspersonen)?
  3. Is de verkrijger een natuurlijk persoon die de woning na verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken, en zo ja: is aan de leeftijds- en waardegrens voor de startersvrijstelling voldaan?

Gevolg van toepassing. Is het belastbare feit vervuld, dan is overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde in het economische verkeer (met de tegenprestatie als bodem, art. 9 lid 1 WBR) tegen het tarief dat bij de aard van het verkregene en de hoedanigheid van de verkrijger hoort. Is een vrijstelling van toepassing, dan blijft de verkrijging feitelijk onbelast, maar moet daarvan in beginsel wel aangifte worden gedaan (art. 15 lid 9 WBR).

Categorie verkrijging (2026)TariefGrondslag
Niet-woning (o.a. bedrijfsvastgoed, beleggingsvastgoed dat geen woning is)10,4%art. 14 lid 1 WBR
Woning zonder hoofdverblijfverklaring (bijvoorbeeld een beleggingswoning of tweede woning)8%art. 14 lid 2 WBR
Woning, natuurlijke persoon, hoofdverblijf, 35 jaar of ouder of eerder al vrijgesteld, waarde vrij2%art. 14 lid 3 WBR
Woning, natuurlijke persoon jonger dan 35 jaar, hoofdverblijf, vrijstelling niet eerder toegepast, waarde t/m € 555.000 (2026, jaarlijks geïndexeerd)0% (startersvrijstelling)art. 15 lid 1 onderdeel p WBR
Woning, natuurlijke persoon jonger dan 35 jaar, hoofdverblijf, vrijstelling niet eerder toegepast, waarde boven € 555.000 (2026)2%art. 14 lid 3 WBR
Waardevermeerdering bij afstand beperkt recht tegen nieuw beperkt recht (art. 9 lid 8 WBR)2%art. 14 lid 4 WBR
Verkrijging door wooncoöperatie van woning van toegelaten instelling in het kader van een Woningwet-experiment2%art. 14 lid 5 WBR
Vrijstelling art. 15 lid 1 onderdeel a of lid 6 WBR blijft op grond van art. 15 lid 11 WBR buiten toepassing (samenloop met btw-belaste levering)4%art. 14 lid 8 WBR

Voor de startersvrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel p WBR gelden vier cumulatieve voorwaarden: de verkrijger is een meerderjarig natuurlijk persoon jonger dan 35 jaar; de vrijstelling is niet eerder toegepast; de woning wordt na verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt; en de waarde van de woning met aanhorigheden komt niet boven € 555.000 uit (2026, jaarlijks bij ministeriële regeling geïndexeerd, art. 15 lid 10 WBR). Zowel de hoofdverblijfeis als de leeftijdseis moeten voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verklaard in een schriftelijke verklaring conform art. 15a WBR.

Procedure. De verklaring van art. 15a WBR wordt afgelegd door ondertekening van de notariële akte met een door de inspecteur voorgeschreven standaardtekst, of door een afzonderlijk standaardformulier; bij dat laatste stuurt de notaris binnen een maand na de verkrijging een elektronische kopie aan de inspecteur (art. 15a leden 1 en 3 WBR). De belasting wordt in de praktijk voldaan bij aanbieding van de notariële akte ter registratie (art. 18 WBR). Wordt de verkrijging achteraf ongedaan gemaakt doordat de toestand van vóór de verkrijging feitelijk en rechtens wordt hersteld (ontbindende voorwaarde, nietigheid, vernietiging of ontbinding wegens wanprestatie), dan bestaat recht op teruggaaf; het verzoek loopt via een aangifte die moet worden gedaan binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het recht op teruggaaf ontstond, waarna de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist (art. 19 leden 1-3 WBR).

Reikwijdte. Onder het belastbare feit valt niet alleen de juridische levering maar ook de verkrijging van economische eigendom: elk samenstel van rechten en plichten dat een belang met ten minste enig risico van waardeverandering vertegenwoordigt en toekomt aan een ander dan de eigenaar, kwalificeert al, ook zonder dat een leveringsakte wordt gepasseerd (art. 2 lid 2 WBR). Uitgezonderd van dat ruime economische-eigendomsbegrip is de verkrijging van uitsluitend het recht op levering, en — onder de cumulatieve voorwaarden van de zesmaandentermijn én het toepasselijke tarief of de vrijstelling — de verkrijging door een particulier van het recht op levering van een woning in combinatie met voorafgaande toegang of werkzaamheden (art. 2 lid 3 WBR). Wordt dezelfde onroerende zaak binnen zes maanden na een eerdere verkrijging opnieuw verkregen door een ander, dan wordt de waarde waarover wordt geheven verminderd met het bedrag waarover bij de vorige verkrijging al overdrachtsbelasting of niet-aftrekbare omzetbelasting verschuldigd was; is bij die vorige verkrijging een verlaagd tarief toegepast, dan wordt in plaats daarvan het belastingbedrag zelf verminderd (art. 13 leden 1 en 4 WBR). Deze doorverkoopregeling voorkomt dat snel opeenvolgende overdrachten van hetzelfde pand tot cumulatie van volle heffingen leiden. Buiten het bereik van de overdrachtsbelasting vallen fondsen voor collectieve belegging in effecten en beleggingsfondsen, behalve wanneer de verkrijger (samen met verbonden partijen) ten minste een derde belang in het fonds verwerft (art. 2 leden 5-7 WBR); en aandelen in een rechtspersoon vallen alleen onder de fictie van art. 4 WBR wanneer die rechtspersoon grotendeels vastgoed houdt én de verkrijger een kwalificerend belang verwerft, zoals uitgewerkt in het dossier over onroerendezaakrechtspersonen.

Wettelijk kader

Art. 2 WBR vormt het belastbare feit (leden 1-3 hierboven toegelicht onder Reikwijdte). Lid 4 rekt het woningbegrip van lid 3 op tot rechten waaraan een woning is onderworpen, kwalificerende lidmaatschapsrechten en aanhorigheden. Leden 5 tot en met 9 bevatten een aparte regeling voor rechten van deelneming in beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten, met een derde-gedeelte-belangdrempel en een samentelbepaling voor verkrijgingen binnen twee jaar door verbonden personen of concernvennootschappen.

Art. 4 WBR breidt het object van heffing uit met fictieve onroerende zaken (aandelen in vastgoedrechtspersonen en bepaalde lidmaatschapsrechten); de bezits-, dienstbaarheids- en belangdrempels van dit artikel worden in detail behandeld in het dossier onroerendezaakrechtspersonen.

Art. 9 WBR regelt de maatstaf van heffing: de waarde in het economische verkeer, met als ondergrens de tegenprestatie (lid 1). Bij afstand van een beperkt recht tegen een nieuw beperkt recht wordt geheven over het waardeverschil (lid 2), en bij een met grondrente bezwaarde zaak over de waarde zonder aftrek van de grondrente (lid 3). Art. 13 WBR bevat de zesmaanden-doorverkoopregeling zoals hierboven toegelicht.

Art. 14 WBR regelt het tarief en telt sinds 1 januari 2026 acht leden (voorheen zeven): lid 1 het algemene tarief van 10,4%, lid 2 (nieuw per 2026) het 8%-woningtarief, lid 3 het 2%-hoofdverblijftarief (tot 2026 lid 2, opgeschoven door de invoeging van het nieuwe lid 2), lid 4 het 2%-tarief over de waardevermeerdering van art. 9 lid 8, lid 5 het 2%-tarief voor wooncoöperaties in een Woningwet-experiment, lid 6 de uitsluiting van dat 2%-tarief voor OZR-aandelen (art. 4 lid 1 onderdeel a), lid 7 de uitbreiding van de verlaagde tarieven naar gelijktijdig verkregen aanhorigheden, en lid 8 het 4%-tarief wanneer de samenloopvrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel a en lid 6 op grond van art. 15 lid 11 buiten toepassing blijft.

Art. 15 WBR bevat de vrijstellingen, met onderdeel p van lid 1 als startersvrijstelling (voorwaarden hierboven). Lid 9 bepaalt dat bij toepassing van een vrijstelling van lid 1 of lid 6 toch aangifte moet worden gedaan, in beginsel via de notariële akte; lid 10 regelt de jaarlijkse indexatie van de waardegrens van onderdeel p; lid 11 doorbreekt de samenloopvrijstelling van onderdeel a en lid 6 in gevallen waarin anders per saldo geen omzetbelasting zou drukken. Art. 15a WBR regelt de vormvereisten van de schriftelijke verklaring die voor zowel het hoofdverblijftarief (art. 14 lid 3) als de startersvrijstelling (art. 15 lid 1 onderdeel p) is vereist, inclusief een hardheidsclausule voor onvoorziene omstandigheden waardoor de verkrijger de woning niet als hoofdverblijf kan betrekken.

Art. 16, 17 en 19 WBR regelen de wijze van heffing: geheven van de verkrijger (art. 16), op aangifte te voldoen (art. 17), met teruggaaf op verzoek als de verkrijging ongedaan wordt gemaakt door een ontbindende voorwaarde, nietigheid, vernietiging of ontbinding wegens wanprestatie, mits het verzoek binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar wordt ingediend (art. 19).

Belangrijkste rechtspraak

Eén lijn in de rechtspraak gaat over de vraag wanneer een verkregen (gedeelte van een) gebouw kwalificeert als "woning" voor het hoofdverblijftarief van art. 14 WBR. In ECLI:NL:HR:2017:290 (2017) oordeelde de Hoge Raad dat een pand naar zijn aard voor bewoning is bestemd aan de hand van het oorspronkelijke bouwdoel, en dat die woonbestemming bij ander gebruik alleen behouden blijft als slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het pand weer bewoonbaar te maken; ECLI:NL:HR:2017:295 (2017), van dezelfde datum, bevestigt diezelfde aard-toets voor een pand dat na verbouwing weer met beperkte aanpassingen bewoonbaar te maken was. Deze aard-toets keert terug in ECLI:NL:HR:2019:1779 (2019), waarin een appartementsrecht als woning kwalificeerde omdat het bouwkundig al was voorbereid op bewoning en niet meer met beperkte aanpassingen geschikt kon worden gemaakt voor de oorspronkelijke kantoorfunctie, zodat het 2%-tarief van toepassing was.

Diezelfde lijn is eind 2025 verder aangescherpt voor de situatie waarin niet het hele gebouw, maar slechts een kavel met gedeeltelijke bebouwing wordt verkregen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in ECLI:NL:GHARL:2024:3651 en ECLI:NL:GHARL:2024:3652 (beide 2024) dat de beoordeling of een woning is verkregen plaatsvindt binnen de kadastrale eigendomsgrens van de verkregen kavel, en dat een overgebleven gebouwdeel dat op zichzelf niet voor bewoning bestemd of geschikt is, niet als woning kwalificeert. De Hoge Raad verlegde dat beoordelingskader in cassatie: in ECLI:NL:HR:2025:1800 (2025) oordeelde hij dat wie een kavel verwerft waarop een gebouw deels staat, naar civielrechtelijke maatstaven een onverdeeld aandeel verkrijgt in de gehele woning, ook als het gebouw op percelen van andere eigenaren staat, zodat het hoofdverblijftarief geldt; de beoordeling van het woningbegrip vindt dus plaats aan de hand van civielrechtelijke eigendomsverhoudingen, niet louter aan de hand van de kadastrale kavelgrens. In ECLI:NL:HR:2025:1796 (2025), gewezen op dezelfde dag, bevestigde de Hoge Raad dat diezelfde civielrechtelijke maatstaf ook tot een negatieve uitkomst kan leiden: een kavel met alleen een stuk buitenmuur en terras levert geen woning op.

Een tweede lijn betreft de drempel voor economische eigendom onder art. 2 lid 2 WBR. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2022:1828 (2022) dat een belanghebbende, gelet op het samenstel van rechten en plichten uit de overdrachtsakte, een belang bij de onroerende zaken had verworven met ten minste enig risico op waardeverandering. In ECLI:NL:GHAMS:2023:3012 (2023) bevestigde hetzelfde hof dat ook de verkrijging van een samenstel van rechten en verplichtingen dat een belang vertegenwoordigt bij een recht waaraan een onroerende zaak kan worden onderworpen (in plaats van bij de zaak zelf), al een belaste verkrijging van economische eigendom oplevert.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij functiewijziging van een pand (kantoor naar woning of omgekeerd) blijft of ontstaat de woonbestemming afhankelijk van de vraag of slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het pand (weer) bewoonbaar te maken; is meer nodig, dan is de woonbestemming niet aan de orde.
  • Overschrijding van de waardegrens van de startersvrijstelling leidt niet tot een gedeeltelijke vrijstelling: boven € 555.000 (2026) geldt in plaats van 0% het volle hoofdverblijftarief van 2%, mits verder aan de voorwaarden is voldaan.
  • De doorverkoopregeling van art. 13 WBR werkt alleen binnen zes maanden na de vorige verkrijging van dezelfde goederen; bij verkrijgingen die net buiten die termijn vallen, ontstaat alsnog cumulatie van heffingen zonder vermindering.
  • Bij samenloop van overdrachtsbelasting en omzetbelasting op dezelfde verkrijging kan de samenloopvrijstelling cumulatie van beide heffingen voorkomen, al doorbreekt art. 15 lid 11 WBR die vrijstelling in specifieke btw-aftreksituaties (art. 14 lid 8 WBR, 4%-tarief); bij interne reorganisaties, juridische fusies of splitsingen binnen concernverband kan een vrijstelling op grond van art. 15 WBR aan de orde zijn, zoals besproken in het dossier over de reorganisatievrijstelling. Bij inbreng van een onderneming in een vennootschap speelt daarnaast de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel e WBR, die raakt aan het dossier over geruisloze inbreng. Aan- of verkoop van de eigen woning valt bovendien vaak samen met vragen over de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting, een heffing die los staat van de overdrachtsbelasting maar zich op hetzelfde moment voordoet.

Recente ontwikkelingen

Per 1 januari 2026 is in art. 14 WBR een nieuw lid 2 ingevoegd dat een apart tarief van 8% invoert voor de verkrijging van een woning die niet als hoofdverblijf wordt verkregen, zoals een beleggingswoning of tweede woning; het algemene tarief van 10,4% (lid 1) blijft gelden voor niet-woningen en het verlaagde tarief van 2% voor de eigen woning als hoofdverblijf (voorheen lid 2) is daardoor opgeschoven naar lid 3, met bijbehorende doorschuiving van de overige leden.

De Hoge Raad heeft eind 2025, met de arresten ECLI:NL:HR:2025:1800 en ECLI:NL:HR:2025:1796 van dezelfde datum, nadere invulling gegeven aan de kwalificatie van "woning" bij verkrijging van kavels met (gedeeltelijke) bebouwing, met uiteenlopende uitkomsten ten opzichte van de eerdere hofuitspraken die nog op de kadastrale kavelgrens leunden: in de ene zaak kwalificeerde het verkregen kavelgedeelte wel als woning, in de andere zaak niet. Ook op beleidsniveau is dit thema in ontwikkeling: de Belastingdienst publiceerde in augustus 2025 een kennisgroepstandpunt over het tarief bij verkrijging van onverdeelde eigendom van een woning met een gebruiksovereenkomst die exclusieve gebruiksrechten toekent, wat wijst op aanhoudende praktijkvragen rond de tarieftoepassing bij gedeelde of onverdeelde eigendom.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 45 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.