Overdrachtsbelasting
Onroerendezaakrechtspersonen (art. 4 WBR)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De onroerendezaakrechtspersoon (OZR) is een fictie in de overdrachtsbelasting: onder voorwaarden worden aandelen in een rechtspersoon voor de heffing gelijkgesteld met de onroerende zaken die deze rechtspersoon houdt. Zonder deze bepaling zou een onroerend-goedportefeuille zich buiten het bereik van de overdrachtsbelasting laten verkopen door niet de panden zelf, maar de aandelen in de vennootschap die ze houdt over te dragen. Artikel 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) trekt die transactie alsnog de heffing in door de aandelen zelf tot fictieve onroerende zaak te bestempelen.
De toets kent twee lagen die na elkaar moeten worden doorlopen. Eerst moet de rechtspersoon zelf kwalificeren als OZR: dat is een objectieve toets op het niveau van de vennootschap (bezitseis en doeleis, art. 4 lid 1 onderdeel a WBR). Kwalificeert de rechtspersoon, dan is nog niet automatisch belasting verschuldigd: pas als de verkrijger van de aandelen een voldoende omvangrijk belang verwerft (de belangeis, art. 4 lid 3 WBR) wordt daadwerkelijk geheven. Beide toetsen kennen een aanzienlijke hoeveelheid detailregels over toerekening, samentelling en verbonden partijen (art. 4 leden 4 tot en met 8 WBR), wat de bepaling tot een van de technisch meest verfijnde ficties in de WBR maakt.
Voor de M&A-praktijk is dit een vast aandachtspunt: elke aandelentransactie waarbij de doelvennootschap vastgoed houdt of via een keten van deelnemingen vastgoedbelangen aanhoudt, vergt een OZR-toets voorafgaand aan de deal. Sinds de invoering van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen (WFKR) speelt de toets ook bij de overgang van commanditaire vennootschappen en fondsen voor gemene rekening naar een andere rechtsvorm, waarvoor de Belastingdienst een overgangsregeling heeft uitgewerkt (zie "Wanneer speelt dit").
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij verkoop van aandelen in een vastgoedvennootschap of vastgoed-BV, bij overdracht van certificaten van aandelen (bijvoorbeeld bij schenking of bedrijfsopvolging), bij verkrijging van lidmaatschapsrechten in coöperaties of verenigingen die recht geven op exclusief gebruik van een gebouw, bij herstructureringen zoals splitsing en fusie waarbij vastgoedbelangen verschuiven, en bij exploitanten van vastgoedgerelateerde diensten (bijvoorbeeld verhuur van opslagruimte of zonnepanelen) waarbij de vraag speelt of de onderliggende onroerende zaken "dienstbaar" zijn in de zin van de wet.
Een specifieke, recentere aanleiding vormt de overgang van commanditaire vennootschappen (cv's) en fondsen voor gemene rekening (FGR's) naar een andere juridische vorm onder de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen. Wanneer commanditaire vennoten of FGR-deelnemers hun belang via een aandelenfusie geruisloos inbrengen in een vennootschap die kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon, is voor de overdrachtsbelasting een overgangsregeling van toepassing. Vervreemdt één van de inbrengende partijen haar belang binnen drie jaar na de inbreng, dan stuit dat de toepassing van de overgangsregeling voor die partij, terwijl de overige deelnemers de regeling kunnen blijven benutten zolang zij hun belang zelf niet vervreemden. Een vergelijkbaar overgangsrechtelijk standpunt ziet op de overdracht van de juridische eigendom van de onroerende zaken zelf door de beherend vennoot, voorafgaand aan ontbinding van de cv, na een aandelenfusie op grond van de WFKR: die overdracht kan onder voorwaarden zijn vrijgesteld van overdrachtsbelasting.
Hoe werkt de regeling
Stap 1 — kwalificeert de rechtspersoon als onroerendezaakrechtspersoon? Dat is het geval wanneer aan twee eisen tegelijk is voldaan:
- Bezitseis: de bezittingen van de rechtspersoon bestaan op het verkrijgingstijdstip, of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar, grotendeels uit onroerende zaken, én tegelijkertijd bestaat ten minste 30% van de bezittingen uit in Nederland gelegen onroerende zaken.
- Doeleis: die onroerende zaken zijn, als geheel genomen, geheel of hoofdzakelijk dienstbaar aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren ervan — ze moeten functioneel op die bestemming gericht zijn, niet slechts toevallig op de balans staan.
Voor houdstervennootschappen geldt volgens een standpunt van de kennisgroep van de Belastingdienst dat ook een rechtspersoon die als enige bezitting een belang kleiner dan een derde in een onroerendezaakrechtspersoon houdt, daarmee zelf aan de doeleis voldoet en dus zelf als onroerendezaakrechtspersoon kwalificeert.
Stap 2 — verwerft de verkrijger een voldoende belang? Kwalificatie van de rechtspersoon leidt op zichzelf nog niet tot heffing. Pas wanneer de verkrijger, samen met de aandelen die hij al had en de aandelen die hij op grond van dezelfde of een samenhangende overeenkomst nog gaat verkrijgen, de belangdrempel haalt, is overdrachtsbelasting verschuldigd. Voor een natuurlijk persoon gelden twee cumulatieve drempels (een derde-gedeelte-belang, plus meer dan 7% eigen belang naast eventueel belang van familie of verbonden lichamen); voor een rechtspersoon geldt alleen de een-derde-drempel.
| Element | Drempel/termijn | Niveau | Jaartal | Grondslag |
|---|---|---|---|---|
| Bezitseis — Nederlands onroerend goed | ten minste 30% van de bezittingen | rechtspersoon | 2026 | art. 4 lid 1 onderdeel a WBR |
| Terugkijkperiode bezitseis | 1 jaar voorafgaand aan verkrijging | rechtspersoon | 2026 | art. 4 lid 1 onderdeel a WBR |
| Belangeis natuurlijk persoon — hoofddrempel | ten minste 1/3 gedeelte | verkrijger (met familie/verbonden lichaam) | 2026 | art. 4 lid 3 onderdeel a WBR |
| Belangeis natuurlijk persoon — aanvullende drempel | meer dan 7% | verkrijger (met echtgenoot) | 2026 | art. 4 lid 3 onderdeel a WBR |
| Belangeis rechtspersoon | ten minste 1/3 gedeelte | verkrijger (met verbonden lichaam/persoon) | 2026 | art. 4 lid 3 onderdeel b WBR |
| Toerekeningsdrempel deelneming | ten minste 1/3 gedeelte in ander lichaam | rechtspersoon | 2026 | art. 4 lid 4 onderdeel a WBR |
| Samentelperiode opeenvolgende verkrijgingen | 2 jaar | verkrijger/verbonden partijen | 2026 | art. 4 lid 5 onderdeel b WBR |
| Verbonden-lichaam-drempel | ten minste 1/3 gedeelte | (in)direct belang | 2026 | art. 4 lid 6 en 7 WBR |
Gevolg van toepassing: kwalificeren beide toetsen positief, dan wordt de verkrijging van de aandelen (of van de rechten of economische eigendom daarvan) voor de overdrachtsbelasting behandeld als een fictieve verkrijging van de onderliggende onroerende zaken zelf. De aandelentransactie wordt daarmee getroffen door dezelfde belasting waaraan een rechtstreekse verkrijging van de panden zou zijn onderworpen, tegen het toepasselijke tarief van art. 14 WBR.
Procedure: de OZR-fictie werkt van rechtswege; er is geen keuzemoment of aanvraag. Wel rust op de rechtspersoon die als OZR kwalificeert een eigen informatieverplichting: hij moet, met inachtneming van bij ministeriële regeling gestelde regels, bij aangifte de gegevens verstrekken die van belang kunnen zijn voor de heffing (art. 4 lid 9 WBR), en de fiscale geheimhoudingsbepaling van art. 53 lid 3 AWR blijft daarbij buiten toepassing.
Reikwijdte — wat valt eronder: naast rechtstreekse aandelen vallen rechten waaraan aandelen zijn onderworpen, de economische eigendom van aandelen (art. 4 lid 2 en lid 5 onderdeel a WBR) en rechten uit bestaande aandelen (art. 4 lid 11 WBR) onder de fictie. Ook lidmaatschapsrechten van verenigingen en coöperaties met uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruiksrecht op een Nederlands gebouw of zelfstandig gedeelte daarvan vallen eronder (art. 4 lid 1 onderdeel b WBR); de kennisgroep van de Belastingdienst rekent hiertoe ook een lidmaatschapsrecht dat recht geeft op gebruik van onzelfstandige woonruimte, zoals bij een koopstudio. Verhuur van opslagruimte kan dienstbaarheid opleveren wanneer de terbeschikkingstelling vanuit het perspectief van de klant niet ondergeschikt is aan overige diensten; zonnepanelen op een pand zijn volgens een kennisgroepstandpunt hetzij bestanddeel hetzij onroerende zaak door natuurlijke vereniging met de grond, zodat verhuur ervan eveneens exploitatie oplevert, ook met aanvullende dienstverlening.
Wat valt erbuiten: een gesplitste verkrijging van uitsluitend juridische eigendom van aandelen ontsnapt niet aan de belangeis — de rechtspraak heeft dat verworpen (zie "Belangrijkste rechtspraak"). Bij de bezitseis telt alleen gekochte, op de fiscale balans geactiveerde goodwill mee als niet-onroerende bezitting; zelf opgebouwde goodwill blijft buiten de vaststelling of de bezittingen grotendeels uit onroerende zaken bestaan. Vorderingen op de verkrijger of verbonden partijen tellen in beginsel niet mee als bezitting, en overige bezittingen worden geacht te zijn gefinancierd met schulden aan hen — beide tenzij normale bedrijfsuitoefening aannemelijk wordt gemaakt (art. 4 lid 4 onderdelen b en c WBR).
Wettelijk kader
Art. 4 lid 1 WBR definieert de twee fictieve onroerende zaken. Onderdeel a bevat de combinatie van bezitseis en doeleis voor aandelen zoals hierboven beschreven; onderdeel b breidt de fictie uit naar lidmaatschapsrechten van verenigingen of coöperaties met een exclusief gebruiksrecht op een Nederlands gebouw.
Art. 4 lid 2 WBR trekt de kring van "onroerende zaken" waaraan lid 1 refereert breed: ook fictieve onroerende zaken zelf, rechten waaraan onroerende of fictieve onroerende zaken zijn onderworpen, en de economische eigendom daarvan tellen mee. De fictie kan zich zo over meerdere schakels in een structuur uitstrekken.
Art. 4 lid 3 WBR stelt de belangeis die bepaalt wanneer daadwerkelijk wordt geheven: voor een natuurlijk persoon geldt de combinatie van een derde-gedeelte-belang (eventueel samen met echtgenoot, bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en tot in de tweede graad van de zijlinie, of een verbonden lichaam) én een aanvullende drempel van meer dan 7% eigen belang, al dan niet samen met de echtgenoot (onderdeel a); voor een rechtspersoon geldt uitsluitend de een-derde-drempel, eventueel samen met een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon (onderdeel b).
Art. 4 lid 4 WBR bevat drie anti-misbruikbepalingen voor de bezitseis. Onderdeel a schrijft toerekening naar evenredigheid voor van bezittingen en schulden van een ander lichaam waarin ten minste een derde belang wordt gehouden (al dan niet samen met een concernvennootschap of nauw verbonden natuurlijk persoon). Onderdeel b sluit vorderingen op de verkrijger of verbonden partijen in beginsel uit van de bezittingen, tenzij normale bedrijfsuitoefening aannemelijk wordt gemaakt. Onderdeel c past hetzelfde tegenbewijsregime toe op overige bezittingen bij aanwezigheid van schulden aan de verkrijger of verbonden partijen: die bezittingen worden geacht daarmee te zijn gefinancierd en tellen in zoverre niet mee.
Art. 4 lid 5 WBR werkt drie technische begrippen uit. Onderdeel a rekent ook rechten waaraan een belang is onderworpen en economische eigendom van een belang mee als belang. Onderdeel b bepaalt wanneer verkrijgingen worden geacht plaats te hebben ingevolge dezelfde of een samenhangende overeenkomst: bij natuurlijke personen (met familie of een geheel eigen lichaam) en bij rechtspersonen (met een concernvennootschap) geldt daarvoor een periode van twee jaar. Onderdeel c voorkomt dubbeltelling: bij samenloop van een middellijk belang via een verbonden partij met het eigen belang, of van economische met juridische eigendom, of van bloot eigendom met vruchtgebruik, telt het belang telkens maar eenmaal.
Art. 4 leden 6, 7 en 8 WBR definiëren wie als "verbonden lichaam" of "verbonden natuurlijk persoon" heeft te gelden voor de belangeis van lid 3, telkens met een een-derde-gedeelte-drempel als kwalificatiegrens: lid 6 voor de natuurlijke-persoon-variant (lid 3 onderdeel a), leden 7 en 8 voor de rechtspersoon-variant (lid 3 onderdeel b).
Art. 4 lid 9 WBR legt de OZR een eigen informatieverplichting op bij de aangifte, met opzijzetting van de geheimhoudingsplicht van art. 53 lid 3 AWR voor die verplichting. Lid 10 verklaart art. 2 lid 9 WBR van overeenkomstige toepassing op de hier beschreven ficties; lid 11 rekent rechten uit bestaande aandelen mee tot de aandelen waarop lid 1 onderdeel a en lid 3 zien.
Belangrijkste rechtspraak
De belangeis raakt niet aan een civielrechtelijke knip tussen juridische en economische eigendom. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2021:504 (2021) dat de verkrijging van uitsluitend de juridische eigendom van alle aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon al een "belang" in de zin van art. 4 lid 3 onderdeel b WBR oplevert, zodat overdrachtsbelasting verschuldigd is ook zonder verkrijging van het economische belang. Een gesplitste eigendomsoverdracht biedt op die grond geen ontsnappingsroute aan de belangeis.
De bezitseis wordt strikt naar de fiscale balans ingevuld. In ECLI:NL:HR:2023:103 (2023) oordeelde de Hoge Raad dat voor de bezitseis van art. 4 lid 1 onderdeel a WBR alleen gekochte goodwill die op de fiscale balans is opgenomen als bezitting meetelt; intern gegenereerde goodwill van de onderneming blijft buiten beschouwing bij de vaststelling of de bezittingen grotendeels uit onroerende zaken bestaan.
De doeleis wordt feitelijk getoetst vanuit het perspectief van de afnemer. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2022:1377 (2022) dat verworven aandelen in een opslagbedrijf als fictieve onroerende zaak kwalificeren, omdat de onroerende zaken dienstbaar zijn in de zin van art. 4 lid 1 onderdeel a WBR: de terbeschikkingstelling van opslagruimten aan klanten is, bezien vanuit het perspectief van die klanten, niet ondergeschikt aan de overige geleverde diensten. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in ECLI:NL:GHARL:2025:2132 (2025) een geschil over de doeleis bij een aandelenverkrijging door schenking ongegrond verklaard, wat bevestigt dat deze toets doorlopend feitelijk en zaaksgebonden blijft.
De schenking van certificaten van aandelen in een OZR kent een eigen lijn los van de bedrijfsopvolgingsregeling. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in twee gelijktijdig gewezen zaken, ECLI:NL:GHARL:2024:2858 en ECLI:NL:GHARL:2024:2859 (beide 2024), dat bij schenking van certificaten van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon de bedrijfsopvolgingsregeling geen toepassing vindt op de overdrachtsbelasting die op grond van art. 4 WBR verschuldigd is.
Voor nieuw vervaardigd vastgoed en bouwterreinen werkt de vrijstelling door naar de aandelenfictie. In ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 (2011) oordeelde de Hoge Raad dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij aandelenverkrijging in een onroerendezaaklichaam ook geldt voor nieuwe, ongebruikte onroerende zaken in de bouw- en handelsfase, bouwterreinen inbegrepen — het spiegelbeeld van de samenloopvrijstelling bij rechtstreekse verkrijging — en kwam daarmee terug van eerdere rechtspraak.
Bij reorganisaties is de vraag wie als belastingplichtige verkrijger heeft te gelden een aparte horde naast de OZR-toets zelf. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2024:3301 (2024) dat na een zuivere splitsing en juridische fusie de naheffingsaanslag moest worden vernietigd, omdat belanghebbende niet de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijger in de zin van art. 4 lid 1 onderdeel a WBR bleek te hebben.
Aandachtspunten voor de praktijk
Indirecte belangen van ten minste een derde in andere lichamen tellen naar evenredigheid mee bij het bepalen van de bezittingen, zodat een OZR-toets zich niet tot de direct te verkrijgen vennootschap kan beperken maar de gehele groepsstructuur moet bestrijken. Bij familiestructuren speelt de combinatie van drempels voor natuurlijke personen (een derde gedeelte plus meer dan 7%) een rol bij gefaseerde verkrijgingen binnen de tweejaarstermijn van art. 4 lid 5 onderdeel b WBR: opeenvolgende verkrijgingen binnen die termijn door dezelfde verkrijger, diens familie of een eigen lichaam worden samengeteld alsof ze op één moment plaatsvonden. Dat belangbegrip staat los van het 5%-aanmerkelijkbelangbegrip in de inkomstenbelasting; een verkrijging kan voor de aanmerkelijkbelangregeling relevant zijn zonder de OZR-belangdrempel te raken, en omgekeerd.
Bij herstructureringen waarbij ook de reorganisatievrijstelling in de WBR in beeld komt, blijft een aparte toets nodig wie na de transactie als belastingplichtige verkrijger heeft te gelden. Bij de WFKR-overgangsregeling voor cv's en FGR's is de vervreemdingstermijn van drie jaar per inbrengende partij afzonderlijk relevant: vervreemding door één deelnemer raakt het overgangsrecht van die deelnemer, niet automatisch dat van de overige deelnemers die hun belang aanhouden.
Recente ontwikkelingen
Met de invoering van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen zijn in 2024 kennisgroepstandpunten verschenen over de overgangsregeling voor commanditaire vennoten (KG:052:2024:3) en FGR-deelnemers (KG:052:2024:4) die hun belang via een aandelenfusie geruisloos inbrengen in een onroerendezaakrechtspersoon, gevolgd door een standpunt over de overdracht van de juridische eigendom van de onroerende zaken door de beherend vennoot voorafgaand aan ontbinding van de cv (KG:052:2024:9, december 2024).
Bij het Gerechtshof Amsterdam speelde in ECLI:NL:GHAMS:2024:3301 (november 2024) de vraag wie na een zuivere splitsing en juridische fusie als belastingplichtige verkrijger in de zin van art. 4 lid 1 onderdeel a WBR heeft te gelden; de naheffingsaanslag werd vernietigd omdat belanghebbende die hoedanigheid niet bleek te hebben.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in ECLI:NL:GHARL:2025:2132 (april 2025) een geschil over de doeleis bij een aandelenverkrijging door schenking ongegrond verklaard.
In ECLI:NL:HR:2026:568 (2026) speelde bij de Hoge Raad de vraag of de zogenoemde doorkijkarresten meebrengen dat bij een overdracht tussen een BV van de vader en BV's van zijn zonen door de BV heen mag worden gekeken naar de achterliggende personen voor de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
25 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2021:504 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat de verkrijging van uitsluitend de juridische eigendom van alle aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon wel degelijk een 'belang' in de zin van artikel 4, lid 3, letter b, WBR oplevert, zodat overdrachtsbelasting verschuldigd is, ook zonder verkrijging van het economische belang.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:2132 (2025)
De zaak betreft of een vennootschap kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon voor de overdrachtsbelasting, waarbij de doeleis in geschil is bij een verkrijging van aandelen door schenking. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:2858 (2024)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep tegen de heffing van overdrachtsbelasting over de schenking van certificaten van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon ongegrond is, waarbij de bedrijfsopvolgingsregeling geen toepassing vindt.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:2859 (2024)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, in een zaak over overdrachtsbelasting bij schenking van certificaten van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon en de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1377 (2022)
Het Hof oordeelt dat de verworven aandelen in een opslagbedrijf moeten worden aangemerkt als een fictieve onroerende zaak, omdat de onroerende zaken 'dienstbaar' zijn in de zin van artikel 4, lid 1, onderdeel a, WBR: de terbeschikkingstelling van opslagruimten aan klanten is, bezien vanuit het perspectief van die klanten, niet ondergeschikt aan de overige geleverde diensten.
-
ECLI:NL:HR:2023:103 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de bezitseis van artikel 4, lid 1, letter a, Wet op belastingen van rechtsverkeer alleen gekochte goodwill die op de fiscale balans is opgenomen als bezitting meetelt, en dat intern gegenereerde goodwill van de onderneming daarbij buiten beschouwing blijft.
-
ECLI:NL:HR:2023:650 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 9, lid 5, WBR er slechts toe strekt dat bij de heffingsmaatstaf voor de overdrachtsbelasting geen rekening wordt gehouden met de invloed van een verkoopregulerend beding op de transactieprijs, en niet ertoe dat bij zo'n beding voorbij mag worden gegaan aan de waardering volgens artikel 10 WBR.
-
ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij aandelenverkrijging in een onroerendezaaklichaam ook geldt voor nieuwe, ongebruikte onroerende zaken in de bouw- en handelsfase, bouwterreinen inbegrepen, en komt terug van BNB 1982/74.
-
ECLI:NL:HR:2026:568 (2026)
De zaak betreft of de doorkijkarresten meebrengen dat voor de vrijstelling van art. 15 lid 1 letter b Wet BRV bij een overdracht tussen een BV van de vader en BV's van zijn zonen door de BV heen mag worden gekeken naar de achterliggende personen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:3300 (2024)
Het Hof oordeelt dat belanghebbende, ontstaan na een zuivere splitsing van de verkrijger van aandelen in een onroerendgoedlichaam gevolgd door fusie, niet de belastingplichtige verkrijger is (art. 4, lid 1, onderdeel a, WRB), en vernietigt de naheffingsaanslag.
Beleid en standpunten
33 bronnen in de kennisbank-
KG:052:2024:7 (2024)
Standpunt: Een rechtspersoon die als enige bezitting een belang kleiner dan 1/3 in een onroerendezaakrechtspersoon houdt, kwalificeert zelf als OZR en voldoet aan de doeleis van artikel 4 WBR.
-
KG:052:2022:2 (2022)
Standpunt: Zonnepanelen op een pand zijn hetzij bestanddeel hetzij onroerende zaken wegens natuurlijke vereniging met de grond. De BV die deze panelen verhuurt exploiteert onroerende zaken in de zin van artikel 4 WBR, ook wanneer aanvullende diensten worden verricht.
-
Kamerstuk 32504 nr. 6
Procedureel stuk: nota naar aanleiding verslag Belastingplan 2011 (constructies, woningmarkt, accijnzen, administratieve lasten).
- Kamerstuk 35302 nr. 16
- Kamerstuk 35302 nr. 12
-
KG:052:2022:6 (2022)
Standpunt: Lidmaatschapsrecht dat het recht geeft op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van onzelfstandige woonruimte is overdrachtsbelastingplichtig onder artikel 4, eerste lid, onderdeel b, WBR.
- Kamerstuk 35026 nr. 17
-
Kamerstuk 35026 nr. 11
Overdrachtsbelasting: 0% eerstkoper natuurlijke persoon, 10% meerder eigenaar, 2% overige gevallen.
- Kamerstuk 35026 nr. 40
-
KG:052:2022:3 (2022)
Standpunt: Coöperatie met geldsinbreng door oprichters kan aandelen in beleggingsmaatschappijen houden en winsten verdelen ondanks nominaal kapitaalmodel.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.