Dividendbelasting

Teruggaaf en verrekening van dividendbelasting

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Nederlandse dividendbelasting wordt ingehouden aan de bron, op het moment dat een vennootschap dividend uitkeert. Voor binnenlandse aandeelhouders die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, is die inhouding een voorheffing die wordt verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Voor lichamen die niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, en voor bepaalde buitenlandse lichamen, ontbreekt die verrekeningsmogelijkheid: er is geen aanslag waarmee de ingehouden belasting kan worden verrekend. Art. 10 Wet DB 1965 voorziet daarom in een afzonderlijke teruggaafprocedure, waarbij de inspecteur op verzoek een voor bezwaar vatbare beschikking geeft en het ingehouden bedrag terugbetaalt aan de gerechtigde in plaats van dat het via een aanslag wordt verrekend.

De regeling heeft zich in drie fasen ontwikkeld. In de oorspronkelijke opzet (lid 1) was de teruggaaf toegesneden op in Nederland gevestigde rechtspersonen die naar aard van hun activiteiten of bestemming van de winst zijn uitgezonderd van vennootschapsbelasting, zoals stichtingen, verenigingen en pensioenlichamen. Nadat de Hoge Raad en het Hof van Justitie EU herhaaldelijk oordeelden dat een vergelijkbare buitenlandse instelling niet ongunstiger mag worden behandeld dan haar Nederlandse tegenhanger op grond van de vrijheid van kapitaalverkeer van art. 63 VWEU, is de wet uitgebreid met lid 2: overeenkomstige teruggaaf voor lichamen in een andere EU- of EER-staat. In een derde fase is de reikwijdte via lid 3 verder verlegd naar lichamen in aangewezen derde landen, maar dan beperkt tot het deel van de opbrengst dat toerekenbaar is aan een portfoliobelang.

In de praktijk draait de teruggaafprocedure om drie steeds terugkerende vragen: kwalificeert de verzoeker naar aard en vestigingsplaats voor een van de categorieën van art. 10, is de verzoeker de uiteindelijk gerechtigde tot de opbrengst, en is het lichaam objectief vergelijkbaar met een Nederlands lichaam dat wel voor teruggaaf in aanmerking zou komen. Deze drie vragen keren terug in vrijwel alle hieronder besproken arresten en beleidsstandpunten.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op wanneer een niet aan vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon, zoals een stichting, vereniging of pensioenlichaam, Nederlandse dividendbelasting ingehouden krijgt op een deelneming of portefeuillebelegging. Het speelt eveneens bij buitenlandse beleggingsfondsen en beleggingsinstellingen die dividend ontvangen van Nederlandse vennootschappen en die zich vergelijken met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling. Verder is de regeling relevant bij buitenlandse lichamen met een portfoliobelang in een Nederlandse vennootschap, bij aangewezen internationale organisaties, en bij grensoverschrijdende structuren waarin de inspecteur de vraag opwerpt wie de uiteindelijk gerechtigde tot het dividend is.

Hoe werkt de teruggaaf

De uitkomst hangt eerst af van in welke categorie de verzoeker valt. Art. 10 Wet DB 1965 onderscheidt vier categorieën, met elk een eigen vestigingseis en aanvullende voorwaarden:

  1. Nederlands lichaam (lid 1). In Nederland gevestigd en niet onderworpen aan vennootschapsbelasting, met uitzondering van een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in art. 6a Wet Vpb 1969.
  2. EU/EER-lichaam (lid 2). Gevestigd in een andere EU-lidstaat of EER-staat, aldaar niet onderworpen aan een belastingheffing naar de winst, en zou het lichaam in Nederland zijn gevestigd, dan zou het ook hier niet vpb-plichtig zijn geweest.
  3. Derdelandslichaam met portfoliobelang (lid 3). Gevestigd in een bij ministeriële regeling aangewezen staat waarmee Nederland een inlichtingenuitwisselingsregeling heeft, met dezelfde twee cumulatieve voorwaarden als categorie 2, en alleen voor zover de ingehouden dividendbelasting ziet op een portfolio-investering in de zin van art. 63 VWEU (dus geen directe investering in de zin van art. 64 VWEU).
  4. Aangewezen internationale organisatie (lid 6). Aangewezen bij ministeriële regeling, in gevallen waarin het volkenrecht of internationaal gebruik tot overeenkomstige toepassing van lid 1 noopt.

Categorie 2 en 3 zijn uitdrukkelijk niet opengesteld voor lichamen die een met een beleggingsinstelling (art. 6a of art. 28 Wet Vpb 1969) vergelijkbare functie vervullen (lid 4): die moeten zich meten aan de Nederlandse fiscale beleggingsinstelling, niet aan de teruggaafregeling van niet-vpb-plichtige lichamen.

Wie in een van deze categorieën valt, moet vervolgens aannemelijk maken dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop de ingehouden dividendbelasting ziet: teruggaaf wordt alleen verleend voor zover de verzoeker, en niet een achterliggende partij, feitelijk gerechtigd is tot het dividend. Bij stichtingen, trusts en vergelijkbare vermogensstructuren is dit een reëel afwijzingspunt wanneer een oprichter of begunstigde over het vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

Concrete bedragen en termijnen:

OnderdeelNormGrondslag (stand 2026)
Drempel omkering bewijslast uiteindelijke gerechtigdheid€ 1.000 of minder ingehouden dividendbelasting per kalenderjaar: dan moet de inspecteur het tegendeel aannemelijk maken in plaats van de verzoekerArt. 10 lid 1 Wet DB 1965
Termijn voor het teruggaafverzoekBinnen drie jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteldArt. 21c lid 1 Uitvoeringsregeling AWR 1994
Portfolio-toets bij derdelandslichamen (lid 3)Geen vast percentage; een indirect belang van 14,4% (beoordeeld in 2025) en een aandelenbelang zonder stemrecht van 49,9% (beoordeeld in 2024) zijn allebei op basis van feiten en omstandigheden getoetst, niet op het percentage alleenKennisgroepstandpunten KG:040:2025:2 en KG:040:2024:6

Het gevolg van een geslaagd teruggaafverzoek is dat de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking het ingehouden bedrag terugbetaalt; bij een afwijzing blijft de ingehouden dividendbelasting drukken zonder dat er, anders dan bij een vpb-plichtig lichaam, een aanslag is waarmee zij nog verrekend kan worden. Het verzoek wordt gedaan bij de inspecteur en moet, zoals hierboven vermeld, binnen drie jaar na afloop van het kalenderjaar van de opbrengst worden ingediend; die termijn geldt voor alle categorieën van art. 10, omdat lid 2, 3 en 6 lid 1 van overeenkomstige toepassing verklaren.

Wat buiten de regeling valt: een vrijgestelde beleggingsinstelling in de zin van art. 6a Wet Vpb 1969 (uitgesloten in lid 1), lichamen met een aan beleggingsinstellingen vergelijkbare functie voor zover het de EU/EER- en derdelanden-uitbreiding betreft (lid 4), en een derdelandslichaam waarvan het belang niet als portfolio-investering kwalificeert of dat in de vestigingsstaat wel aan een winstbelasting is onderworpen. Een aangewezen internationale organisatie met een indirect belang via een fiscaal niet-transparante (hybride) buitenlandse entiteit komt evenmin voor teruggaaf in aanmerking, omdat de tussenschakel de directe band met de Nederlandse opbrengst doorbreekt.

Wettelijk kader

Art. 10 lid 1 Wet DB 1965 vormt de kern: een in Nederland gevestigde, niet aan vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon krijgt op verzoek teruggaaf van de te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, maar alleen voor het deel waarvoor hij de uiteindelijk gerechtigde is en dat hij aannemelijk moet maken (met omkering van de bewijslast onder € 1.000, zie hierboven). De uitsluiting van de vrijgestelde beleggingsinstelling (art. 6a Wet Vpb 1969) voorkomt dat een lichaam dat al fiscaal is vrijgesteld via een andere route, ook nog eens dividendbelasting terugkrijgt.

Lid 2 trekt deze regeling gelijk voor EU/EER-lichamen: het is de directe wettelijke reactie op de rechtspraak over de vrijheid van kapitaalverkeer, en werkt met twee cumulatieve toetsen (geen winstbelasting in de vestigingsstaat, en geen vpb-plicht als het lichaam in Nederland zou zijn gevestigd) in plaats van een woonplaatstoets alleen.

Lid 3 gaat een stap verder naar derde landen, maar knipt de teruggaaf op: alleen het deel van de opbrengst dat aan een portfolio-investering is toe te rekenen komt in aanmerking, en alleen als de vestigingsstaat is aangewezen en met Nederland inlichtingen uitwisselt. Dat onderscheid tussen portfolio-investeringen (art. 63 VWEU) en directe investeringen (art. 64 VWEU) is nodig omdat de vrijheid van kapitaalverkeer ten opzichte van derde landen minder ver strekt dan binnen de EU/EER: voor directe investeringen in derde landen geldt geen vergelijkbare EU-bescherming, zodat de wetgever de uitbreiding daartoe heeft beperkt.

Lid 4 voorkomt dat lichamen die feitelijk als beleggingsinstelling functioneren, via de band van lid 2 of lid 3 alsnog teruggaaf krijgen zonder aan de eisen van art. 6a of art. 28 Wet Vpb 1969 te voldoen: zij moeten zich met de Nederlandse beleggingsinstelling vergelijken, niet met de niet-vpb-plichtige rechtspersoon van lid 1.

Lid 5 verlengt de teruggaaf naar een specifieke situatie: een in Nederland gevestigd, wél aan vennootschapsbelasting onderworpen lichaam krijgt eveneens teruggaaf voor zover de ingehouden dividendbelasting ziet op opbrengsten die bij dat lichaam op grond van art. 8e, 8f en 8g Wet Vpb 1969 niet tot de winst behoren; voor EU/EER- en aangewezen derdelandslichamen geldt hetzelfde van overeenkomstige toepassing voor opbrengsten die, waren zij in Nederland gevestigd geweest, evenmin tot de winst zouden hebben behoord. Deze bepaling voorkomt dat dividendbelasting blijft drukken op een bestanddeel dat fiscaal buiten de winstsfeer is gehouden, ook al is de ontvanger overigens gewoon vpb-plichtig.

Lid 6 ten slotte maakt lid 1 van overeenkomstige toepassing op bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisaties, in gevallen waarin het volkenrecht of internationaal gebruik daartoe noopt: dit is een op zichzelf staande categorie die niet afhankelijk is van vestigingsplaats binnen de EU/EER, maar van de volkenrechtelijke positie van de organisatie.

Belangrijkste rechtspraak

Een eerste lijn in de rechtspraak gaat over de objectieve vergelijkbaarheid met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling. In ECLI:NL:HR:2013:1128 (2013) oordeelde de Hoge Raad dat een Fins open-end beleggingsfonds dat in Finland is vrijgesteld van vennootschapsbelasting, geen recht heeft op teruggaaf op grond van art. 10 lid 1 Wet DB 1965, omdat het niet behoort tot de rechtspersonen die naar aard van hun activiteiten of bestemming van de winst van vennootschapsbelasting zijn uitgezonderd. In ECLI:NL:HR:2015:1777 (2015) strandde een Luxemburgs beleggingsfonds op hetzelfde punt vanuit een andere hoek: het was niet objectief vergelijkbaar met een fiscale beleggingsinstelling omdat de door haar uitgekeerde winsten niet aan Nederlandse dividendbelasting waren onderworpen. Deze twee zaken raakten de vraag onder EU-recht: in ECLI:NL:HR:2017:342 (2017) stelde de Hoge Raad zelf prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU of art. 56 EG (thans art. 63 VWEU) zich verzet tegen weigering van teruggaaf aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds, terwijl een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling wel teruggaaf krijgt. Het antwoord kwam via twee vervolguitspraken: in ECLI:NL:HR:2020:1674 (2020) oordeelde de Hoge Raad dat de belemmering van het kapitaalverkeer die ontstaat door weigering van teruggaaf aan een niet-ingezeten beleggingsfonds niet kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, maar dat aan het fonds wel de voorwaarde van een vervangende betaling mag worden gesteld; de vervolgbeslissing ECLI:NL:HR:2020:2097 (2020) boog zich vervolgens over de vraag of ditzelfde fonds als doelvermogen en uiteindelijk gerechtigde kwalificeert en of de aandeelhouderseisen van art. 28 Wet Vpb 1969 zich verdragen met de vrijheid van kapitaalverkeer.

Een tweede lijn betreft fondsen voor gemene rekening: ECLI:NL:HR:2020:115 (2020) beantwoordde prejudiciële vragen met drie regels die sindsdien richtinggevend zijn voor fondsen voor gemene rekening: zulke fondsen kunnen uitsluitend fondsen voor gemeenschappelijke belegging zijn, een teruggaafverzoek moet worden afgewezen indien het uitsluitend is gedaan door of namens een fiscaal transparant fonds, en een fonds is geen doelvermogen wanneer het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aanspraak geven op een aandeel in het vermogen.

Een derde lijn gaat over de uiteindelijke gerechtigdheid los van de fondsvraag. In ECLI:NL:HR:2019:1610 (2019) oordeelde de Hoge Raad over de bewijslastverdeling: de inspecteur draagt de stelplicht en bewijslast voor feiten die meebrengen dat de verzoeker niet de uiteindelijk gerechtigde is; het hof had die bewijslast onjuist verdeeld, wat tot verwijzing leidde. In ECLI:NL:HR:2021:212 (2021) kwam de vraag vanuit de andere kant: een Oostenrijkse Privatstiftung kwalificeert niet als opbrengstgerechtigde wanneer de oprichter over het vermogen van de stichting kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, zodat geen recht op teruggaaf bestaat. In ECLI:NL:HR:2021:582 (2021) verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond: het oordeel van het hof dat een Schotse trust geen recht heeft op teruggaaf bleef in stand, waarbij het beroep op een fiscale beleggingsinstelling of op een doelvermogen faalde.

Aandachtspunten voor de praktijk

De reikwijdte verschilt wezenlijk tussen een in Nederland gevestigde niet-vpb-plichtige rechtspersoon (lid 1), een EU/EER-lichaam (lid 2) en een derdelandslichaam met alleen een portfoliobelang (lid 3); bepalend is eerst welke categorie van toepassing is voordat de inhoudelijke toets aan de orde komt.

Bij derdelandslichamen is een portfoliobelang alleen het beginpunt: de vestigingsstaat moet bij ministeriële regeling zijn aangewezen en een inlichtingenuitwisselingsregeling met Nederland kennen, en het lichaam mag daar niet aan een winstbelasting onderworpen zijn en zou, was het in Nederland gevestigd, ook hier niet vpb-plichtig zijn geweest. Pas na die cumulatieve eisen komt de vraag aan de orde of het belang kwalificeert als portfolio-investering; die kwalificatie is een feiten-en-omstandighedentoets, geen percentagetoets, ook bij een indirect belang van 14,4% of een aandelenbelang zonder stemrecht van 49,9%. Een vast afkappercentage bestaat dus niet, wat structurering rond een gewenste uitkomst lastiger maakt dan bij een percentagegrens.

Bij twijfel over de feitelijke zeggenschap over het vermogen, zoals bij stichtingen en trusts, is de kwalificatie als uiteindelijk gerechtigde een reëel afwijzingsrisico dat los staat van de vraag of het lichaam naar zijn rechtsvorm binnen een van de vier categorieën valt.

Bij beleggingsfondsen is de objectieve vergelijkbaarheid met een Nederlands lichaam bepalend en niet slechts de vraag of het fonds in de vestigingsstaat is vrijgesteld van winstbelasting: een fonds kan aan die laatste eis voldoen en toch worden afgewezen omdat het niet vergelijkbaar is met de Nederlandse figuur waarmee het zich vergelijkt.

Bij aangewezen internationale organisaties met een indirect belang in een Nederlandse vennootschap speelt de tussenschakel een aparte rol: teruggaaf komt niet in aanmerking wanneer het indirecte belang wordt gehouden via een fiscaal niet-transparante buitenlandse (hybride) entiteit, ook al zou de organisatie zelf onder lid 6 vallen.

De termijn van drie jaar na afloop van het kalenderjaar van de opbrengst geldt voor alle categorieën, omdat lid 2, 3 en 6 steeds lid 1 (en daarmee ook de bijbehorende ministeriële termijnregeling) van overeenkomstige toepassing verklaren; bij structuren met een lange vaststellingsprocedure voor de uiteindelijke gerechtigdheid kan die termijn eerder verstrijken dan de discussie met de inspecteur is afgerond.

Recente ontwikkelingen

In 2023 nam de kennisgroep een standpunt in over de peildatum van de afdrachtvermindering van art. 11a Wet DB 1965: bepalend voor de correctie onder art. 11a lid 2 is het moment waarop de beleggingsinstelling de opbrengst ter beschikking stelt aan de aandeelhouders, niet het moment waarop de instelling de opbrengst zelf ontvangt. In hetzelfde jaar oordeelde de kennisgroep dat een aangewezen internationale organisatie die via een fiscaal niet-transparante buitenlandse entiteit een indirect belang in een Nederlandse vennootschap houdt, niet in aanmerking komt voor teruggaaf, en dat een in een andere EU-lidstaat gevestigd pensioenfonds niet voldoet aan de Nederlandse vereisten voor de subjectieve vrijstelling van pensioenlichamen.

In 2024 volgden twee standpunten over de portfolio-toets en de kwalificatie van buitenlandse fondsstructuren: een 49,9%-aandelenbelang zonder stemrecht kan, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, als portfolio-investering in de zin van art. 10 lid 3 Wet DB 1965 kwalificeren, en een Duits Sondervermögen met meerdere participanten kan als fonds voor gemene rekening kwalificeren mits aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan; met één participant is dat niet het geval.

In 2025 bevestigde de kennisgroep dat ook een indirect belang van 14,4% op basis van feiten en omstandigheden als portfolio-investering kan kwalificeren. Het Verzamelbesluit dividendbelasting 2025 actualiseerde daarnaast een aantal beleidsbepalingen die aan de teruggaafregeling raken, waaronder de onbelaste teruggaaf van kapitaal en de step-up bij een grensoverschrijdende juridische fusie. Deze ontwikkelingen raken dezelfde fiscale beleggingsinstelling-figuur die ook bij de teruggaafbeoordeling van lid 2 en lid 3 een rol speelt, en de vrijgestelde beleggingsinstelling die van de uitbreidingen in lid 2 en lid 3 is uitgesloten. Voor de aan de bron ingehouden dividendbelasting van een binnenlands lichaam zelf blijft de inhoudingsvrijstelling het eerste aanknopingspunt, met de teruggaafregeling van art. 10 als vangnet voor wat daar niet onder valt.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 21 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.