Vennootschapsbelasting
Fonds voor gemene rekening en open cv
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Het fonds voor gemene rekening (fgr) is een beleggingsvehikel zonder rechtspersoonlijkheid dat onder voorwaarden zelfstandig belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting: in plaats van toerekening van resultaat aan de achterliggende deelgerechtigden wordt het fonds zelf in de heffing betrokken. Die regeling bestaat om te voorkomen dat een collectief beleggingsvehikel zonder rechtspersoonlijkheid buiten iedere zelfstandige heffing blijft terwijl het economisch wel als één beleggingsentiteit functioneert. De kwalificatievraag, is een gegeven fonds een fgr in de zin van de wet of niet, is daarmee bepalend voor wie vennootschapsbelasting verschuldigd is en wie aanspraak kan maken op verdragsvoordelen of teruggaaf van dividendbelasting.
Tot en met 2024 kende de wet naast de fgr ook de open commanditaire vennootschap (open cv) als zelfstandig belastingplichtig lichaam: een cv waarvan de commanditaire vennoten konden toe- of uittreden zonder toestemming van alle overige vennoten, werd voor de vennootschapsbelasting op één lijn gesteld met de nv en de bv. Per 1 januari 2025 is die zelfstandige belastingplicht van de open cv vervallen: de cv wordt sindsdien in beginsel fiscaal transparant behandeld, met toerekening van vermogen en resultaat aan de vennoten naar rato van hun gerechtigdheid. Gelijktijdig zijn de kwalificatiecriteria voor de fgr herzien. De ontwikkeling verloopt dus in drie fasen: vóór 2025 stonden fgr en open cv naast elkaar als twee aparte categorieën zelfstandig belastingplichtige lichamen zonder rechtspersoonlijkheid; per 2025 vervalt de open cv als aparte categorie en wordt de fgr-definitie aangescherpt; sindsdien is de fgr het enige overgebleven vehikel van dit type dat zelfstandig belastingplichtig blijft, terwijl de voormalige open cv fiscaal hetzelfde wordt behandeld als iedere andere cv.
Voor de praktijk betekent dit dat kwalificatievraagstukken rond fgr's en (voorheen) open cv's zich niet beperken tot de zuivere definitiebepaling, maar raken aan de bredere systematiek van rechtsvormvergelijking, aan de toerekeningsregels van de Wet IB 2001 en, bij internationale structuren, aan de regels voor omgekeerd hybride lichamen (zie ook hybride mismatches). Dezelfde wet die de fgr-criteria herzag, wijzigde per 2025 ook de reikwijdte van de vrijgestelde beleggingsinstelling; voor de belastingplicht-kwalificatie van andere lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of met een bijzondere status, zie belastingplicht van stichtingen en verenigingen en, voor het vehikel waarmee een fgr voor beleggingsresultaten juist geen vennootschapsbelasting verschuldigd is, fiscale beleggingsinstelling.
Wanneer speelt dit
De kwalificatievraag komt op bij de oprichting of herstructurering van een beleggingsfonds waarbij deelgerechtigdheid wordt vormgegeven via bewijzen van deelgerechtigdheid, bij de beoordeling of een naar buitenlands recht opgericht fonds of samenwerkingsverband voor Nederlandse fiscale doeleinden als fgr, als transparant fonds of als lichaam met een vergelijkbare rechtsvorm kwalificeert, en bij verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting door of namens buitenlandse beleggingsfondsen en trusts. Ook bij de vraag of een samenwerkingsverband als omgekeerd hybride lichaam kwalificeert, en daarmee alsnog zelfstandig belastingplichtig wordt, speelt de afbakening met de fgr en het transparante fonds een rol. Voor bestaande structuren met een cv die vóór 2025 als open cv gold, speelt de vraag hoe de overgang naar transparantie fiscaal is afgewikkeld, onder meer voor een eventueel gehouden deelnemingsvrijstelling-belang in die cv.
Hoe werkt de regeling
Wie of wat kwalificeert als fgr. Een fonds is een fgr in de zin van art. 2 lid 4 Wet VPB 1969 wanneer aan twee cumulatieve eisen is voldaan:
- het fonds is aangemerkt als beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten (icbe) in de zin van art. 1:1 Wet op het financieel toezicht; en
- de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid.
Bewijzen van deelgerechtigdheid gelden niet als verhandelbaar wanneer vervreemding uitsluitend aan het fonds zelf kan plaatsvinden (een terugkoopmechanisme jegens het fonds telt dus niet als markt). Een fgr wordt bovendien altijd als onderneming aangemerkt, ook als het fonds feitelijk alleen belegt.
Wat de kwalificatie sinds 2025 anders maakt. Tot en met 2024 was verhandelbaarheid aanwezig zodra voor vervreemding niet de toestemming van álle deelgerechtigden vereist was, met een uitzondering voor vervreemding aan het fonds zelf of aan bloed- en aanverwanten in de rechte lijn. Per 1 januari 2025 is dat toestemmingsvereiste vervallen: verhandelbaarheid wordt niet langer getoetst aan een instemmingsdrempel tussen deelgerechtigden, maar het fonds moet in plaats daarvan zijn aangemerkt als beleggingsfonds in de hiervoor bedoelde zin.
| Periode | Criterium verhandelbaarheid bewijzen van deelgerechtigdheid | Status open cv |
|---|---|---|
| Tot en met 31 december 2024 | Verhandelbaar tenzij toestemming van alle deelgerechtigden vereist is voor vervreemding (met uitzondering voor vervreemding aan het fonds zelf of aan bloed-/aanverwanten in de rechte lijn) | Zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, op één lijn met nv en bv (art. 2 lid 1 onderdeel a Wet VPB 1969, tekst 2024) |
| Vanaf 1 januari 2025 | Fonds moet zijn aangemerkt als beleggingsfonds of icbe in de zin van art. 1:1 Wft, plus verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid | Fiscaal transparant; toerekening van vermogen en resultaat aan de vennoten naar rato van hun gerechtigdheid (art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001) |
Gevolg van kwalificatie als fgr. Kwalificeert een fonds als fgr, dan is niet de deelgerechtigde maar het fonds zelf vennootschapsbelastingplichtig: de toerekeningsregel van art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001 is voor de fgr uitdrukkelijk uitgesloten (lid 3). Voor de deelgerechtigde wordt de participatie in beginsel behandeld als een gewoon vermogensbestanddeel (bijvoorbeeld box 3, of bij een belang van ten minste 5% van de uitstaande bewijzen van deelgerechtigdheid als deelneming onder art. 13 lid 2 onderdeel b Wet VPB 1969), niet als rechtstreeks aandeel in het beleggingsresultaat.
Gevolg van de afschaffing van de open cv als apart lichaam. Vóór 2025 kon een commanditaire vennoot met een belang van ten minste 5% in het door een open cv behaalde voordeel voor dat belang de deelnemingsvrijstelling toepassen op grond van art. 13 lid 2 onderdeel d Wet VPB 1969 (tekst 2024). Met de afschaffing van de open cv als aparte categorie is dat onderdeel geschrapt: de huidige tekst van art. 13 lid 2 onderdeel d Wet VPB 1969 ziet nog wel op een belang van ten minste 5% in een lichaam met een buitenlandse rechtsvorm als bedoeld in art. 2 lid 1 onderdeel h Wet VPB 1969, maar niet meer op een specifiek open-cv-belang. Voor een commanditair belang in een voormalige open cv loopt de weg naar de deelnemingsvrijstelling sindsdien via de gewone toerekeningsregels van art. 2.14bis Wet IB 2001, niet meer via een aparte deelnemingskwalificatie van het cv-belang zelf. Verandert daardoor de fiscale kwalificatie van een bestaand belang (van vpb-plichtig cv-aandeel naar toegerekend vermogensbestanddeel, of andersom), dan is de generieke compartimenteringsregeling van art. 28c Wet VPB 1969 van toepassing: bij een sfeerovergang waarbij de deelnemingsvrijstelling gaat gelden terwijl dat voorheen niet zo was, vormt de belastingplichtige een belaste compartimenteringsreserve; verdwijnt de deelnemingsvrijstelling juist, dan vormt hij een onbelaste compartimenteringsreserve, telkens gesteld op het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van het belang direct vóór de sfeerovergang en de boekwaarde.
Procedure. De fgr-kwalificatie is geen keuze waarvoor een apart verzoek nodig is: zij volgt rechtstreeks uit de feitelijke inrichting van het fonds en wordt beoordeeld bij de aanslagregeling. Voor zekerheid vooraf kan een advance tax ruling worden aangevraagd bij het College Internationale Fiscale Zekerheid; recente rulings (2025 en 2026) laten zien dat dit ook gebeurt voor commanditaire-vennootschapstructuren, bijvoorbeeld over kwalificatie als investeringsplatform of als omgekeerd hybride lichaam. Voor buitenlandse fondsen en trusts loopt de vraag of aanspraak bestaat op teruggaaf van dividendbelasting via een afzonderlijk teruggaafverzoek, waarbij de kwalificatie van het verzoekende lichaam (fgr, transparant fonds, doelvermogen of fiscale beleggingsinstelling) beslissend is.
Wat er wel en niet onder valt. Onder de fgr-definitie valt uitsluitend een fonds voor gemeenschappelijke belegging; de Hoge Raad heeft dit uitdrukkelijk vastgesteld (zie hierna onder rechtspraak). Een fonds dat wél bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aanspraak geven op een aandeel in het vermogen, is geen doelvermogen. Een "transparant fonds" in de zin van art. 2.14bis lid 7 Wet IB 2001 is per definitie een fonds dat niet aan de fgr-criteria voldoet: fgr en transparant fonds zijn wettelijk elkaar uitsluitende categorieën, met toerekening aan de deelgerechtigden alleen bij het laatste. Een samenwerkingsverband dat wél aan de fgr- of transparantie-criteria voldoet, kan onder omstandigheden alsnog als omgekeerd hybride lichaam zelfstandig belastingplichtig worden op grond van art. 2 lid 11 Wet VPB 1969, tenzij het valt onder de uitzondering voor een gediversifieerd beleggende instelling voor collectieve belegging in effecten of alternatieve beleggingsinstelling (art. 2 lid 12 Wet VPB 1969).
Wettelijk kader
Art. 2 lid 1 Wet VPB 1969 somt de binnenlandse belastingplichtigen op; onderdeel f wijst de fgr aan naast onder meer nv's, bv's, coöperaties en Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersonen. Onderdeel h vangt buitenlandse lichamen op met een rechtsvorm die niet vergelijkbaar is met de onderdelen a tot en met g, noch met een maatschap, vof, cv of transparant fonds. Tot en met 2024 noemde onderdeel a de open commanditaire vennootschap met zoveel woorden, naast nv en bv; sinds 2025 komt "open commanditaire vennootschap" in de tekst van art. 2 Wet VPB 1969 niet meer voor.
Art. 2 lid 4 Wet VPB 1969 bevat de fgr-definitie met de dubbele Wft- en verhandelbaarheidseis (hiervoor besproken) en bepaalt dat een fgr altijd als onderneming wordt aangemerkt.
Art. 2 lid 11 en 12 Wet VPB 1969 regelen het omgekeerd hybride lichaam: een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband waarin gelieerde lichamen ten minste 50% van de stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten houden en dat door de staat van die gelieerde lichamen als belastingplichtige wordt beschouwd, terwijl de winst naar Nederlandse maatstaven zonder deze bepaling aan de achterliggende houders zou worden toegerekend; lid 12 zondert hiervan gediversifieerd beleggende icbe's en alternatieve beleggingsinstellingen uit. De bepaling vormt een vangnet voor samenwerkingsverbanden die niet als fgr kwalificeren maar door de gelieerdheidsstructuur alsnog zelfstandig belastingplichtig worden.
Art. 2.14bis Wet IB 2001 regelt de toerekening van transparante samenwerkingsverbanden naar rato van ieders gerechtigdheid (lid 1-2), sluit de fgr en het omgekeerd hybride lichaam daar uitdrukkelijk van uit (lid 3), wijst toerekening aan het lichaam zelf toe als lid 2 niet uitkomt (lid 4), en definieert in lid 6-7 fgr en transparant fonds als elkaars spiegelbeeld.
Art. 1a Wet VPB 1969 rekent de fgr, naast onder meer nv's, bv's en coöperaties, tot de lichamen waarvoor bij algemene maatregel van bestuur regels gelden om te beoordelen of een buitenlands lichaam een vergelijkbare rechtsvorm heeft; dit vormt de schakel naar de kwalificatie van buitenlandse fondsen en trusts.
Art. 13 lid 2 Wet VPB 1969 (deelnemingsvrijstelling) en art. 28c Wet VPB 1969 (compartimenteringsreserve) zijn hiervoor al besproken: het eerste bepaalde tot en met 2024 in onderdeel d dat een commanditair belang van ten minste 5% in een open cv als deelneming gold, en ziet sindsdien nog op buitenlandse-rechtsvormbelangen onder art. 2 lid 1 onderdeel h; het tweede is het generieke aanknopingspunt voor de belaste of onbelaste waardeafwikkeling bij een sfeerovergang van de deelnemingsvrijstelling.
Belangrijkste rechtspraak
Kwalificatie van het fonds bij teruggaaf van dividendbelasting. In ECLI:NL:HR:2020:115 (2020) beantwoordde de Hoge Raad prejudiciële vragen over de fgr met drie kernoordelen: fondsen voor gemene rekening kunnen uitsluitend fondsen voor gemeenschappelijke belegging zijn; een teruggaafverzoek dividendbelasting moet worden afgewezen indien dit uitsluitend is gedaan door of namens een fiscaal transparant fonds; en een fonds is geen doelvermogen wanneer het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aanspraak geven op een aandeel in het vermogen. Deze lijn is in ECLI:NL:HR:2021:582 (2021) bevestigd in het nadeel van de verzoeker: de Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand dat een Schotse trust geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, omdat het beroep van de trust op kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling of als doelvermogen faalde. Samen laten deze arresten zien dat de kwalificatievraag (fgr, transparant fonds, doelvermogen of fiscale beleggingsinstelling) in de praktijk vaak strikt wordt getoetst en dat een beroep op een gunstiger kwalificatie niet snel slaagt wanneer de feitelijke inrichting van het fonds daarvoor geen ruimte biedt.
Procedurele afwikkeling bij buitenlandse beleggingsfondsen. In ECLI:NL:HR:2024:862 (2024) verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van een buitenlands beleggingsfonds gegrond en het incidentele beroep van de staatssecretaris ongegrond, met als gevolg vernietiging van de aan het fonds opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting en heffingsrentebeschikkingen. Dit arrest illustreert dat de kwalificatievraag niet alleen inhoudelijk maar ook procedureel scherp wordt getoetst wanneer een buitenlands fonds als vennootschapsbelastingplichtige wordt aangeslagen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- De fgr-kwalificatie hangt sinds 2025 af van twee cumulatieve criteria: aanmerking als beleggingsfonds of icbe onder de Wft, en verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid; het vroegere toestemmingsvereiste van alle deelgerechtigden speelt voor de kwalificatie vanaf die datum geen rol meer.
- Vervreemding van deelgerechtigdheidsbewijzen die uitsluitend aan het fonds zelf kan plaatsvinden, telt niet als verhandelbaarheid; bij structuren met een terugkoopmechanisme jegens het fonds blijft dit punt na 2025 onverkort relevant.
- De fgr en het transparante fonds zijn wettelijk elkaar uitsluitende begrippen, en de toerekeningsregel van art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001 geldt uitdrukkelijk niet voor de fgr.
- Bij een cv-belang dat door de afschaffing van de open-cv-categorie van kwalificatie verandert (van vpb-plichtig cv-aandeel naar toegerekend vermogensbestanddeel), speelt de compartimenteringsreserve van art. 28c Wet VPB 1969 een rol bij het bepalen van het al dan niet belaste deel van de waardeontwikkeling rond de overgang.
- Bij buitenlandse fondsen en trusts die dividendbelasting terugvragen, laat de rechtspraak zien dat een beroep op kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling of als doelvermogen niet vanzelfsprekend slaagt; de feitelijke kwalificatie van het fonds is beslissend.
- De uitzondering op het omgekeerd-hybride-regime voor gediversifieerd beleggende icbe's en alternatieve beleggingsinstellingen (art. 2 lid 12 Wet VPB 1969) maakt dat de afbakening tussen fgr, transparant fonds en omgekeerd hybride lichaam bij internationale fondsstructuren met verschillende gelieerde investeerders drie regimes tegelijk kan raken.
Recente ontwikkelingen
De kwalificatiecriteria voor de fgr zijn per 1 januari 2025 herzien: het Fondsenbesluit 2025 vermeldt dat het toestemmingsvereiste voor verhandelbaarheid is vervallen en dat als nieuw criterium geldt dat het fonds is aangemerkt als beleggingsfonds. Gelijktijdig is de zelfstandige belastingplicht van de open commanditaire vennootschap vervallen en is het daarmee samenhangende onderdeel van de deelnemingsvrijstelling in art. 13 lid 2 Wet VPB 1969 aangepast. Recente advance tax rulings (2025 en 2026) laten zien dat de Belastingdienst deze kwalificatievraag, onder meer de vraag of een commanditaire vennootschap als investeringsplatform kwalificeert en of sprake is van een omgekeerd hybride lichaam, in individuele gevallen vooraf beoordeelt. Een kennisgroepstandpunt van december 2024 (KG:911:2024:4) behandelt de aangrenzende vraag of een omgekeerd hybride lichaam of een open commanditaire vennootschap als (partiële) doorkijkentiteit kan kwalificeren onder de Wet minimumbelasting 2024, voor zover geen vaste inrichting aanwezig is en winst in aftrek wordt gebracht.
Kernartikelen
- Art. 1a Wet VPB 1969
- Art. 2.14bis Wet IB 2001 — Art. 2.14bis Wet IB 2001: Toerekening inkomensbestanddelen bij een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, transparant fonds of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam
- Art. 2 Wet VPB 1969
Belangrijkste rechtspraak
26 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2020:115 (2020)
De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen dat fondsen voor gemene rekening uitsluitend fondsen voor gemeenschappelijke belegging kunnen zijn, dat een teruggaafverzoek dividendbelasting moet worden afgewezen indien uitsluitend gedaan door of namens een fiscaal transparant fonds, en dat een fonds geen doelvermogen is als het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aanspraak geven op een aandeel in het vermogen.
-
ECLI:NL:HR:2024:862 (2024)
De Hoge Raad verklaart het principale cassatieberoep van het buitenlandse beleggingsfonds gegrond en het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond, en vernietigt de aan het fonds opgelegde vennootschapsbelastingaanslagen en heffingsrentebeschikkingen.
-
ECLI:NL:HR:2021:582 (2021)
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en laat het oordeel van het Hof in stand dat een Schotse trust geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, waarbij het beroep op een fiscale beleggingsinstelling of een doelvermogen faalt.
-
ECLI:NL:HR:2022:974 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat Nederland op grond van de remittancebepaling van artikel 2 lid 5 van het Verdrag Nederland-Malta bevoegd is belasting te heffen over rente die een in Malta gevestigde vennootschap heeft genoten, voor zover die rente niet naar Malta is overgemaakt of aldaar is ontvangen.
-
ECLI:NL:GHARL:2022:704 (2022)
Het Hof vermindert de aanslagen vennootschapsbelasting verder met verrekening van buitenlandse bronbelasting, in een zaak over toepassing van het belastingverdrag met Malta op vermogenswinst en de remittancebepaling.
-
ECLI:NL:HR:2025:1568 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat in cassatie niet alsnog kan worden geklaagd over het niet-verschonen van raadsheren van het Hof, omdat de belanghebbende tijdens de zitting bekend werd met de relevante feiten en toen uitdrukkelijk heeft afgezien van een wrakingsverzoek.
-
ECLI:NL:HR:2024:1086 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat rechtsherstel box 3 alleen wordt geboden voor zover belanghebbende aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement op zijn gehele box 3-vermogen lager is dan het forfaitair vastgestelde voordeel; het cassatieberoep van belanghebbende is gegrond en de zaak wordt verwezen naar het Hof Amsterdam.
-
ECLI:NL:HR:2015:468 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat de ontvanger een vervreemder van aandelen niet aansprakelijk kan houden voor de belastingschuld van de vennootschap voor zover deze bij het verlenen van uitstel van betaling zekerheid had kunnen verschaffen, indien de ontvanger dat uitstel in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft verleend.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:724 (2021)
Het Hof oordeelt dat de aan Guernsey-vennootschappen verschuldigde achtergestelde leningen onzakelijk zijn met een zakelijke rente van 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, dat deze rente niet aftrekbaar is wegens wetsontduiking, en dat de Arrangement Fee van EUR 8,4 mln moet worden geactiveerd in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht.
-
ECLI:NL:HR:2012:BY6065 (2012)
De advocaat-generaal concludeert dat artikel 4 Wet Vpb 1969 over werkzaamheden die concurreren met ondernemingen ook geldt voor artikel 1 Wva bij de afdrachtvermindering zeevaart; de conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep van de staatssecretaris.
Beleid en standpunten
273 bronnen in de kennisbank-
KG:911:2024:4 (2024)
Standpunt: Een omgekeerd hybride lichaam en een open commanditaire vennootschap kunnen als partiële doorkijkentiteit in de Wet minimumbelasting 2024 kwalificeren, voor zover geen vaste inrichting aanwezig is en winst in aftrek wordt gebracht.
-
KG:211:2024:9 (2024)
Standpunt: Alternatieve beleggingsinstelling als gediversificeerde portefeuille-belegger onder AIFM-richtlijn kan onder omgekeerd hybride-uitzondering vallen als voorwaarden artikel 2 lid 13 Wet Vpb worden nageleefd.
-
ATR 20260609-000010 (2026)
Verzoek om kwalificatie van Nederlandse commanditaire vennootschap als investeringsplatform, bepaling omgekeerd hybride lichaam en buitenlandse belastingplicht vpb.
-
ATR 20260609-000008 (2026)
Commanditaire vennootschap X verzoekt zekerheid over kwalificatie en omgekeerd hybride lichaamsstatus; X poolt investeerders voor inleg in groepsinvesteringsfonds.
-
Besluit BWBR0051892
Beleid inzake definitie van fonds voor gemene rekening en transparant fonds, aangepast naar wettelijke wijzigingen per 1 januari 2025. Met ingang van 1 januari 2025 vervalt het toestemmingsvereiste voor verhandelbaarheid en geldt als nieuw criterium dat het fonds is aangemerkt als beleggingsfonds.
-
Besluit BWBR0048564
Goedkeuring/beleid inzake belastingplicht stichtingen en verenigingen. Stichtingen en verenigingen zijn belastingplichtig voorzover zij een onderneming drijven, waaronder een regeling voor culturele instellingen.
-
KG:211:2026:6 (2026)
Standpunt: Kwijtschelding van intercompany-schuld en vermogensversterkingsbijdrage kwalificeren voor stichting als onbelaste vermogensverhoging onder manege-arrest.
-
Kamerstuk 35241 nr. 7
Implementatie EU-richtlijn hybridemismatches (Richtlijn 2017/952) ter bestrijding van dubbele aftrek en dubbele niet-heffing bij hybride constructies en internationale structuren.
-
ATR 20250812-000003 (2025)
Verzoek zekerheid kwalificatie buitenlandse rechtsvorm (maatschap-equivalent) en belastingplicht 2025–2029.
-
KG:003:2022:16 (2022)
Standpunt: Een natuurlijke persoon kan een aanmerkelijk belang hebben in een omgekeerd hybride lichaam onder artikel 4.6, onderdeel e, Wet IB 2001, mits zij voor ten minste 5% in winst deelt vóór artikel 9-aftrek.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.