Dividendbelasting
Dividendbelasting en inhoudingsvrijstelling
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Dividendbelasting is een directe belasting op de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en bepaalde daarmee gelijkgestelde kapitaalverstrekkingen en geldleningen in Nederlandse vennootschappen: de vennootschap houdt de belasting in aan de bron, op het moment dat de opbrengst ter beschikking wordt gesteld, tegen een tarief van 15% van de opbrengst (art. 5 Wet DB 1965). Die inhouding is bedoeld als voorheffing: bij een in Nederland wonende of gevestigde aandeelhouder wordt zij verrekend met de inkomsten- of vennootschapsbelasting. Bij een deelneming — een aandelenbelang van ten minste 5% (art. 13 lid 2 Wet Vpb 1969) — zou die inhouding echter een dubbele last vormen bovenop de deelnemingsvrijstelling die de onderliggende winst al vrijstelt. Art. 4 Wet DB 1965 voorkomt dat door inhouding aan de bron achterwege te laten wanneer opbrengstgerechtigde en inhoudingsplichtige in een kwalificerende deelnemingsrelatie staan.
Voor binnenlandse deelnemingen en fiscale eenheden is dat een vrijwel automatische vrijstelling. Voor de grensoverschrijdende variant, gericht op moedermaatschappijen in de EU, EER of een verdragsland, ligt dat anders: de wetgever heeft die vrijstelling in de loop der tijd stapsgewijs verbonden aan een antimisbruiktoets tegen kunstmatige structuren, aan een uiteindelijkgerechtigdheidstoets tegen dividendstripping, en aan formele bewijs- en verklaringsverplichtingen. Het samenspel tussen vrijstellingsgrond, antimisbruikbepaling en uiteindelijkgerechtigdheidstoets maakt dit een procedeergevoelig onderdeel van de dividendbelasting, met een omvangrijke rulingpraktijk bij het College Internationale Fiscale Zekerheid.
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij winstuitkeringen binnen internationale concernstructuren, met name wanneer een Nederlandse vennootschap dividend uitkeert aan een buitenlandse moeder- of houdstervennootschap. Het speelt bij de opzet van houdster- en tussenholdingstructuren (inclusief houdstercoöperaties), bij advance tax rulings over de vrijstelling, bij de beoordeling of een buitenlandse beleggingsinstelling een vergelijkbare functie vervult als een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling of vrijgestelde beleggingsinstelling, en bij transacties rond het dividendmoment waarbij de uiteindelijk gerechtigde onduidelijk is (dividendstripping). Ook bij fiscale eenheden en deelnemingen onder de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening is de vrijstelling relevant, evenals bij de afbakening met de teruggaaf van dividendbelasting voor situaties waarin inhouding wél heeft plaatsgevonden.
Hoe werkt de inhoudingsvrijstelling
De vrijstelling van art. 4 Wet DB 1965 kent twee routes met een fundamenteel verschillende opbouw: een binnenlandse route met twee alternatieve gronden (lid 1) en een grensoverschrijdende route met twee cumulatieve vereisten plus drie uitzonderingsgronden (lid 2 en lid 3).
Route 1: binnenlandse deelneming of fiscale eenheid (art. 4 lid 1). Inhouding mag achterwege blijven als aan één van deze twee alternatieve voorwaarden is voldaan:
- de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet Vpb 1969) of de deelnemingsverrekening (art. 13aa Wet Vpb 1969) is van toepassing op de voordelen die de opbrengstgerechtigde geniet, en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming; of
- opbrengstgerechtigde en inhoudingsplichtige maken deel uit van dezelfde fiscale eenheid (art. 15 Wet Vpb 1969), en de deelneming behoort tot het Nederlandse ondernemingsvermogen van de opbrengstgerechtigde.
Voldoening aan één van beide gronden volstaat; binnen elke grond gelden de deelvoorwaarden cumulatief.
Route 2: grensoverschrijdende deelneming (art. 4 lid 2). Inhouding blijft achterwege als beide voorwaarden tegelijk zijn vervuld:
- de opbrengstgerechtigde is volgens de fiscale wetgeving van een EU-lidstaat, een EER-staat, of een verdragsland met een dividendregeling, aldaar gevestigd; en
- de opbrengstgerechtigde heeft op het moment van de uitkering een belang in de inhoudingsplichtige waarop de deelnemingsvrijstelling of -verrekening van toepassing zou zijn geweest als hij in Nederland was gevestigd (dus: een belang van ten minste 5%, art. 13 lid 2 Wet Vpb 1969).
Route 2 vervalt weer zodra één van drie uitzonderingsgronden van lid 3 zich voordoet: geen vestiging in een staat met een passend dividendverdrag met Nederland (a), een vergelijkbare functie als beleggingsinstelling in de zin van art. 6a of art. 28 Wet Vpb 1969 (b), of een kunstmatige constructie met als hoofddoel of een van de hoofddoelen het ontgaan van belastingheffing bij een ander (c). Voor houdstercoöperaties geldt de vrijstelling alleen via een kwalificerend lidmaatschapsrecht: een recht op ten minste 5% van de jaarwinst of van de liquidatie-uitkering (art. 1 lid 7 Wet DB 1965).
| Element | Percentage / termijn | Vindplaats |
|---|---|---|
| Tarief dividendbelasting | 15% van de opbrengst | art. 5 Wet DB 1965 |
| Deelnemingsdrempel (deelnemingsvrijstelling/-verrekening) | ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal (of een gelijkwaardige 5%-drempel bij winstbewijzen, fondsen voor gemene rekening of coöperaties) | art. 13 lid 2 Wet Vpb 1969 |
| Kwalificerend lidmaatschapsrecht houdstercoöperatie | ten minste 5% van de jaarwinst dan wel van de liquidatie-uitkering | art. 1 lid 7 Wet DB 1965 |
| Verklaringstermijn bij toepassing van lid 2 | 1 maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld | art. 4 lid 11 Wet DB 1965 |
Gevolg van toepassing. Waar de vrijstelling geldt, hoeft de inhoudingsplichtige geen 15% dividendbelasting in te houden en af te dragen; de opbrengstgerechtigde ontvangt het volledige dividend zonder Nederlandse bronheffing. Is niet aan de voorwaarden voldaan, dan is en blijft de volle 15% verschuldigd, ook als achteraf pas blijkt dat de inhouding materieel onterecht was: de afdrachtplicht staat los van de vraag of nadien vrijstelling of teruggaaf wordt verkregen.
Procedure. De inhoudingsvrijstelling van art. 4 is geen keuze die vooraf wordt aangevraagd bij de inspecteur; de inhoudingsplichtige beoordeelt zelf of aan de voorwaarden is voldaan en laat de inhouding op eigen verantwoordelijkheid achterwege. Bij toepassing van de grensoverschrijdende route (lid 2) geldt wel een aparte, verplichte stap: binnen een maand na het beschikbaar stellen van de opbrengst moet de inhoudingsplichtige een verklaring aan de inspecteur verstrekken dat aan de voorwaarden van lid 2, 3 en 4 is voldaan, volgens bij ministeriële regeling gestelde regels (art. 4 lid 11 Wet DB 1965). Voor structuren waarover vooraf zekerheid wordt gezocht, bijvoorbeeld bij nieuw opgezette houdstercoöperaties of bij internationale herstructureringen, wordt de kwalificatie doorgaans vastgelegd in een advance tax ruling bij het College Internationale Fiscale Zekerheid.
Reikwijdte: wat valt wel en niet onder de vrijstelling. Onder de vrijstelling vallen kwalificerende deelnemingsbelangen (binnenlands en grensoverschrijdend), fiscale eenheden, houdstercoöperaties met kwalificerend lidmaatschapsrecht, en de afzonderlijke categorieën van lid 5 en lid 6: aangewezen banken en beleggingsinstellingen (art. 5.14 Wet IB 2001), vennootschappen als bedoeld in art. 5 lid 1 onderdeel a Wet Vpb 1969, en geblokkeerde rechten van deelneming bij een fiscale beleggingsinstelling (art. 3.126a Wet IB 2001). Voor lichamen die zelf niet vennootschapsbelastingplichtig zijn en dus niet via de band van de deelnemingsvrijstelling of -verrekening bij lid 1 kunnen aansluiten, loopt de toegang tot de vrijstelling via zo'n aanwijzing als bank of beleggingsinstelling. Buiten de vrijstelling vallen: portfoliobelangen onder de 5%-drempel, opbrengstgerechtigden met een vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling (dus geen reële concernfunctie), opbrengstgerechtigden gevestigd buiten de EU/EER zonder passend dividendverdrag, en elke structuur die als kunstmatig wordt aangemerkt omdat zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Ook bij dividendstripping — waarbij rond het dividendmoment een samenstel van transacties de uiteindelijke gerechtigdheid verschuift naar een partij met een gunstiger regime — vervalt de vrijstelling, ongeacht of overigens aan de deelnemings- of vestigingseis is voldaan.
Wettelijk kader
Art. 1 Wet DB 1965 bepaalt de hoofdregel en het bereik van de belasting: geheven wordt van wie rechtstreeks of door middel van certificaten gerechtigd is tot de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en bepaalde kapitaalverstrekkingen en geldleningen in Nederlandse vennootschappen (lid 1). Lid 2 stelt houdstercoöperaties met kwalificerende lidmaatschapsrechten gelijk aan vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal; lid 7 definieert het kwalificerend lidmaatschapsrecht aan de hand van de 5%-drempel in jaarwinst of liquidatie-uitkering, mede toetsend aan verbonden leden volgens de criteria van art. 10a lid 4-6 Wet Vpb 1969; lid 8 definieert de houdstercoöperatie zelf als een coöperatie die doorgaans hoofdzakelijk deelnemingen houdt of verbonden lichamen of personen financiert. Lid 10 bevat een transparantiebepaling voor lichamen als bedoeld in art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969: wie via zo'n lichaam gerechtigd is tot de opbrengst, wordt zelf als gerechtigde aangemerkt.
Art. 4 Wet DB 1965 regelt de vrijstelling zelf. Lid 1 en lid 2 zijn hierboven uitgewerkt. Lid 4 koppelt beide leden aan het aannemelijk maken van uiteindelijke gerechtigdheid door de opbrengstgerechtigde: zonder die aannemelijkmaking is geen van beide routes beschikbaar. Lid 5 en lid 6 bevatten de afzonderlijke vrijstellingsgronden voor aangewezen banken, beleggingsinstellingen en geblokkeerde fbi-rechten, bedoeld voor lichamen die niet zelf vennootschapsbelastingplichtig zijn.
Lid 7 en lid 8 werken de uiteindelijkgerechtigdheidstoets nader uit voor dividendstripping: uiteindelijk gerechtigde is in elk geval niet degene die in samenhang met de opbrengst een tegenprestatie heeft verricht binnen een samenstel van transacties waarbij de opbrengst geheel of gedeeltelijk terechtkomt bij een partij met een ongunstiger regime, terwijl die partij een vergelijkbare positie in de onderliggende aandelen behoudt of terugkrijgt. Lid 8 verduidelijkt dat ook beursverwervingen van dividendbewijzen en kortlopende genotsrechten, en transacties van verbonden lichamen of personen, als onderdeel van zo'n samenstel gelden.
Lid 9 en lid 10 regelen de doorwerking van de vrijstelling bij hybride kwalificatieverschillen tussen staten, ook over meerdere schakels van een concernstructuur. Lid 9: als een opbrengstgerechtigde naar het recht van zijn oprichtingsstaat niet als gerechtigde geldt omdat die staat hem daar niet als gevestigd beschouwt, geldt een achterliggende gerechtigde als opbrengstgerechtigde voor de toepassing van art. 4, mits die achterliggende gerechtigde naar het recht van zijn eigen vestigingsstaat wél als gerechtigde geldt; bij een keten van gestapelde tussenhoudsters moet elke schakel afzonderlijk aan die voorwaarde voldoen. Lid 10 regelt het spiegelbeeld: als een tussengeschoven lichaam volgens de wetgeving van zijn vestigingsstaat als gerechtigde wordt beschouwd, geldt dát lichaam als opbrengstgerechtigde in plaats van de partij die het belang middellijk houdt.
Lid 11 verplicht de inhoudingsplichtige tot de verklaring aan de inspecteur binnen een maand bij toepassing van lid 2 (zie hierboven). Lid 12 bevat een bewijsvermoeden ten gunste van de belastingplichtige: wie voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden, wordt geacht het belang niet te hebben met als hoofddoel het ontgaan van belasting en geacht geldige zakelijke redenen te hebben, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt; wordt niet aan die voorwaarden voldaan, dan moet de opbrengstgerechtigde of inhoudingsplichtige zelf aannemelijk maken dat aan één van beide eisen is voldaan. Lid 13 sluit voor transparante lichamen als bedoeld in art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969 route 1 onderdeel a uit voor zover een achterliggende gerechtigde, gevestigd in een staat die dat lichaam niet als winstbelastingplichtige beschouwt, bij rechtstreekse toepassing niet aan lid 1 of lid 2 zou voldoen.
Belangrijkste rechtspraak
De kunstmatige-constructietoets van lid 3 onderdeel c. In twee vrijwel gelijktijdige uitspraken van Gerechtshof Amsterdam uit 2022 stond deze toets centraal. In ECLI:NL:GHAMS:2022:1732 oordeelde het hof, anders dan de rechtbank, dat sprake was van een kunstmatige constructie zodat geen aanspraak kon worden gemaakt op de inhoudingsvrijstelling, en dat de antimisbruikbepaling niet in strijd is met het Unierecht. De samenhangende zaak ECLI:NL:GHAMS:2022:1731 betrof een Belgische houdstervennootschap met een belang van 38,71% in een Nederlandse feeder-vennootschap, waarin dezelfde toets aan de orde was. De Hoge Raad bevestigde deze lijn in cassatie in ECLI:NL:HR:2025:1162 (18 juli 2025): het hof had terecht misbruik van Unierecht aangenomen bij de buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling van art. 4 lid 3 onderdeel c, en het cassatieberoep werd ongegrond verklaard. Deze drie uitspraken vormen samen een consistente lijn waarin de kunstmatige-constructietoets standhoudt tegen een beroep op de Unierechtelijke vrijheid van kapitaalverkeer, zolang geldige zakelijke redenen ontbreken.
Vergelijkbaarheid met een beleggingsinstelling. Naast de kunstmatige-constructietoets vormt de uitzondering van lid 3 onderdeel b een aparte lijn. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2021:503 dat een Britse beleggingsinstelling zich niet in een situatie bevond die vergelijkbaar was met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling in de zin van art. 28 Wet Vpb 1969, en verklaarde het cassatieberoep tegen de weigering van teruggaaf van dividendbelasting ongegrond.
Grensoverschrijdend kapitaalverkeer bij teruggaaf. Buiten de antimisbruiktoets van art. 4 om, maar nauw verwant aan de vestigingsvraag, oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2020:1674 dat de belemmering van het kapitaalverkeer die ontstaat doordat aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds geen teruggaaf van dividendbelasting wordt verleend, niet kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, al mag aan het fonds wel de voorwaarde van een vervangende betaling worden gesteld. Deze lijn hangt samen met de prejudiciële vraagstelling in ECLI:NL:HR:2013:1779 over de maatstaf waarmee niet-ingezetenen met ingezetenen moeten worden vergeleken onder art. 63 VWEU.
Afdrachtplicht ondanks onterechte inhouding. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in ECLI:NL:GHARL:2026:1691 (24 maart 2026) dat ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen, ook als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden, in een zaak over een internationale kunstmatige structuur met een vergrijpboete. Dit sluit aan bij de systematiek van de vrijstelling: het achterwege laten van inhouding is een eigen beoordeling van de inhoudingsplichtige op het moment van uitkering, niet een voorlopige inhouding die later kan worden teruggedraaid buiten de reguliere teruggaafprocedure om.
Aandachtspunten voor de praktijk
Bij toepassing van art. 4 lid 2 Wet DB moeten de vestigingstoets en de deelnemingstoets afzonderlijk en cumulatief worden doorlopen; het volstaat niet dat één van beide is vervuld. Bij lid 1 gaat het juist om twee alternatieve gronden (deelnemingsvrijstelling of -verrekening, dan wel fiscale eenheid), waarbij voldoening aan één van beide volstaat. De kunstmatige-constructietoets van lid 3 onderdeel c vergt een concrete onderbouwing van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen: de Amsterdamse hofuitspraken uit 2022 en de bevestiging daarvan door de Hoge Raad in 2025 laten zien dat het ontbreken daarvan tot verval van de vrijstelling leidt, met een vergrijpboete als reëel risico zoals ECLI:NL:GHARL:2026:1691 illustreert. Bij houdstercoöperaties speelt de definitie van kwalificerend lidmaatschapsrecht en houdstercoöperatie in art. 1 lid 7 en lid 8 Wet DB, met de 5%-drempel en de verbondenheidscriteria uit art. 10a Wet Vpb 1969 als kern. De uiteindelijkgerechtigdheidstoets en de dividendstrippingbepalingen van art. 4 lid 4 en lid 7 e.v. vergen dossiervorming rond het gehele samenstel van transacties, niet alleen rond het dividendmoment zelf. De verklaringsplicht van art. 4 lid 11 is een op zichzelf staande procedurele voorwaarde bij toepassing van lid 2, los van de vraag of materieel aan de vrijstelling is voldaan: een gemiste termijn van een maand raakt de formele nalevingspositie, ook wanneer de materiële voorwaarden verder op orde zijn. Bij gestapelde structuren met hybride tussenhoudsters, een figuur die ook in de ATAD2-documentatie en de CFC-regeling terugkomt, bevestigt het kennisgroepstandpunt KG:024:2023:22 dat de achterliggende-gerechtigdheidsregel van art. 4 lid 9 Wet DB kan worden toegepast, mits elke tussenliggende entiteit in de keten afzonderlijk aan de voorwaarden voldoet.
Recente ontwikkelingen
Op 18 juli 2025 bevestigde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2025:1162 in cassatie dat sprake was van misbruik van Unierecht bij de buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling van art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965, en verklaarde het cassatieberoep ongegrond; deze uitspraak bevestigt de lijn van de Amsterdamse hofuitspraken uit 2022. Het kennisgroepstandpunt KG:024:2025:7 (10 juli 2025) bevestigt aansluitend dat de vrijstelling van lid 2 niet geldt voor buitenlandse opbrengstgerechtigden die een vergelijkbare functie vervullen als een beleggingsinstelling, in lijn met lid 3 onderdeel b. Op 24 maart 2026 oordeelde Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in ECLI:NL:GHARL:2026:1691 dat de afdrachtplicht van eerder ingehouden dividendbelasting losstaat van de vraag of die inhouding achteraf terecht bleek, in een zaak over een internationale kunstmatige structuur.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
12 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1732 (2022)
Het Hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat sprake is van een kunstmatige constructie zodat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting van artikel 4, derde lid, onderdeel c, Wet DB, en dat de antimisbruikbepaling niet in strijd is met het Unierecht.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1731 (2022)
De zaak betreft of belanghebbende, een Belgische houdstervennootschap met een belang van 38,71% in een Nederlandse feeder-vennootschap, aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting op grond van artikel 4, lid 3, onderdeel c, Wet DB, en of de toets daaraan verenigbaar is met het EU-recht.
-
ECLI:NL:HR:2024:49 (2024)
De Hoge Raad vernietigt de Hofuitspraak deels en verwijst het geding over de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting naar het Gerechtshof Den Haag, terwijl de uitspraak van de rechtbank over de informatiebeschikking (art. 52 AWR) in stand blijft, in een geschil over verrekening van dividendbelasting, dividendstripping en een vaste vertegenwoordiger in het Verenigd Koninkrijk.
-
ECLI:NL:HR:2025:1162 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van Unierecht bij de buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling van artikel 4, lid 3, letter c, Wet op de dividendbelasting 1965, en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2020:1674 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat de belemmering van het kapitaalverkeer die ontstaat doordat aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds geen teruggaaf van dividendbelasting wordt verleend, niet kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, maar dat aan het niet-ingezeten fonds wel de voorwaarde van een vervangende betaling mag worden gesteld.
-
ECLI:NL:HR:2013:1779 (2013)
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EU of bij de vergelijking van een niet-ingezetene met een ingezetene onder artikel 63 VWEU ook de inkomstenbelasting waarmee ingezetenen de dividendbelasting verrekenen moet worden meegenomen, en welke maatstaf geldt.
-
ECLI:NL:HR:2021:503 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat een Britse beleggingsinstelling zich niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een fiscale beleggingsinstelling (art. 28 Wet Vpb 1969) en verklaart het cassatieberoep tegen de weigering van teruggaaf dividendbelasting ongegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:1691 (2026)
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen, ook als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden, in een zaak over een internationale kunstmatige structuur en een vergrijpboete.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:1432 (2025)
De zaak betreft de vraag of terecht een naheffingsaanslag dividendbelasting over 2014 is opgelegd (na bezwaar verminderd tot € 2.175.000), in verband met de plaats van werkelijke leiding van de vennootschap.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:90 (2022)
Het Hof oordeelt dat de werkelijke leiding van de BV in 2005 naar Spanje en in 2013 naar Curaçao verhuisde, omdat de Inspecteur niet aannemelijk maakt dat de dga in Nederland leidinggaf; Nederland heeft eind 2015 geen heffingsrecht over het inkomen uit aanmerkelijk belang.
Beleid en standpunten
824 bronnen in de kennisbank-
KG:024:2025:7 (2025)
Standpunt: De inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, Wet DB 1965 is niet van toepassing op buitenlandse opbrengstgerechtigden die een vergelijkbare functie vervullen als een beleggingsinstelling.
-
ATR 20260512-000003 (2026)
X, Nederlandse coöperatie met houderfunctie, verzoekt zekerheid over inhoudingsvrijstelling dividendbelasting 2026-2030 en geschiktheid als houdstercoöperatie.
-
ATR 20251125-000005 (2025)
Drie Nederlandse vennootschappen (>1000 personeelsleden) in houdsterstructuur met aandeelhouders in twee verdraglanden vragen buitenlandse belastingplicht en inhoudingsplicht dividendbelasting 2025-2029.
- ATR 20260721-000003 (2026)
-
ATR 20250819-000009 (2025)
Coöperatie verzoekt zekerheid over inhoudingsvrijstelling dividendbelasting en buitenlandse belastingplicht 2025-2029 voor vastgoedinvesteringen met actief management en lidmaatschapsrechten gehouden 99% door Z buiten EU.
-
KG:024:2023:22 (2023)
Standpunt: Artikel 4 lid 9 Wet DB 1965 kan bij gestapelde hybride entiteiten worden toegepast mits elk van die entiteiten aan de voorwaarden voldoet.
- ATR 20260707-000005 (2026)
- ATR 20260707-000006 (2026)
-
ATR 20240806-000001 (2024)
Nederlandse vennootschap X ([151-300] werknemers, industrieel, joint venture) bepaalt inhoudingsplicht dividendbelasting, buitenlandse belastingplicht en conditionele bronbelasting dividenden voor minderheidsaandeelhouder Y uit verdragsland A (2023-2027).
- ATR 20260630-000005 (2026)
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.