Inkomstenbelasting

Lucratief belang

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Een lucratief belang is een vermogensrecht, zoals een aandeel, een vordering of een ander vermogensrecht, dat naar zijn aard mede bedoeld is als beloning voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, los van de kwalificatie van de onderliggende arbeidsrelatie. De regeling van art. 3.92b Wet IB 2001 trekt dergelijke belangen uit de sfeer van box 2 of box 3 naar box 1 en belast het voordeel als resultaat uit overige werkzaamheden, ook wanneer het belang civielrechtelijk gewoon een aandeel of een lening is. De achtergrond is dat bepaalde participatiestructuren, met name in private equity en bij managementparticipaties, een hefboomeffect creëren waarbij een relatief geringe inleg een onevenredig groot rendement kan opleveren zodra de onderneming succesvol wordt verkocht. De wetgever heeft dit fiscaal willen behandelen als beloning voor de onderliggende arbeidsprestatie in plaats van als regulier beleggingsresultaat, en heeft daarvoor een afzonderlijke, casuïstische toets in het leven geroepen naast de gebruikelijke aanmerkelijkbelang- en boxindeling.

Voor middellijk gehouden belangen, gehouden via een tussenliggende vennootschap of samenwerkingsverband, kan onder voorwaarden gekozen worden voor doorstoot naar box 2 in plaats van belastingheffing in box 1, mits ten minste 95% van de voordelen als een weerspiegeling daarvan tot inkomen uit aanmerkelijk belang leidt. Deze keuzeregeling is opgenomen in art. 3.95b Wet IB 2001, dat daarnaast regelt hoe een lucratief belang bij aanvang te boek wordt gesteld en hoe wordt omgegaan met verliesjaren.

Wanneer speelt dit

Het thema komt met name op bij managementparticipaties in private-equitytransacties, waarbij managers via aandelen, certificaten, leningen of een cv-structuur meedelen in de exitwaarde van de onderneming. Ook bij herstructureringen, bij overgang naar of vanuit een open cv onder de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen (WFKR), en bij internationale situaties waarin een expat een lucratief belang houdt naast bijvoorbeeld de 30%-regeling, speelt de vraag of sprake is van een lucratief belang. Ook de waardering van inbreng anders dan in geld (agio), de aftrekbaarheid van een verlies op het belang, en het moment van immigratie naar Nederland (zie fiscale woonplaats) spelen dan een rol bij de boekwaardebepaling.

Voorwaarden en werking

Wie of wat kwalificeert

Een vermogensrecht is alleen een lucratief belang als het aan twee elementen samen voldoet:

  1. Vormvereiste — het gaat om aandelen, vorderingen of andere vermogensrechten die vallen onder een van de categorieën van art. 3.92b lid 2, 3 of 4 Wet IB 2001 (zie hierna).
  2. Beloningsvereiste — gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het belang is verkregen, moet worden aangenomen dat de voordelen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon (partner, of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of diens partner, art. 3.92b lid 6).

Voor de vormtoets gelden per categorie afzonderlijke, alternatieve criteria:

CategorieKwalificatiecriteriumVindplaats
AandelenAchtergestelde soort met minder dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal, óf een preferentie van ten minste 15% dividend per jaarart. 3.92b lid 2
VorderingenRendement in enigszins belangrijke mate afhankelijk van management- of aandeelhoudersdoeleinden (winst, omzet, exit), of waardevermeerdering bij verkoop/overnameart. 3.92b lid 3
Overige vermogensrechtenEconomisch vergelijkbaar met de aandelen- of vorderingencategorie, of een waardeverloop met dezelfde afhankelijkheidart. 3.92b lid 4
Doorstootkeuze naar box 2Ten minste 95% van de voordelen leidt in hetzelfde kalenderjaar tot een weerspiegelend bedrag aan inkomen uit aanmerkelijk belangart. 3.95b lid 5

Een lening die mede aan de beloning bijdraagt, telt voor de 10%-toets mee in het totale geplaatste aandelenkapitaal en wordt daarbij als afzonderlijke soort behandeld (art. 3.92b lid 5).

Wat is het gevolg

Kwalificeert het belang, dan worden de voordelen (waardestijging, dividend, rente, aflossingsvoordeel) niet belast als regulier box 2- of box 3-inkomen maar als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1, tegen het progressieve box 1-tarief in plaats van het forfaitaire regime van box 2 of box 3. Bij aanvang van de werkzaamheid wordt het vermogensbestanddeel te boek gesteld op het bedrag dat ervoor is opgeofferd, vermeerderd met het bedrag waarover bij de verkrijging al inkomstenbelasting is geheven; gaat dit moment samen met immigratie naar Nederland, dan geldt in plaats daarvan de waarde in het economische verkeer op dat moment als boekwaarde (art. 3.95b lid 1). Bij een middellijk gehouden belang wordt het resultaat fiscaal niet later genoten dan wanneer het belang rechtstreeks zou zijn gehouden (art. 3.95b lid 2), en bij overgang van onmiddellijk naar middellijk gehouden (of omgekeerd) wordt op het omslagmoment afgerekend tegen de waarde in het economische verkeer (art. 3.95b lid 3).

Procedure: de doorstootkeuze

Voor een middellijk gehouden lucratief belang kan de belastingplichtige er per kalenderjaar voor kiezen de voordelen niet als resultaat uit overige werkzaamheden maar als inkomen uit aanmerkelijk belang in box 2 te belasten. Voorwaarde is dat in dat kalenderjaar ten minste 95% van de voordelen tot een bedrag aan aanmerkelijkbelanginkomen leidt dat een weerspiegeling van die voordelen vormt (art. 3.95b lid 5) — in de praktijk gaat het om dooruitdeling van het voordeel als dividend. De wet zelf koppelt hier geen aparte aanvraagprocedure of vooraf te respecteren termijn aan; de keuze werkt per kalenderjaar en moet dus jaarlijks opnieuw worden beoordeeld. Een antimisbruikbepaling sluit deze keuze uit voor zover de waarde in het economische verkeer van het belang, op het moment vlak vóór een overgang naar een lichaam waarin de belastingplichtige alsnog een aanmerkelijk belang krijgt, het opgeofferde bedrag overtreft (art. 3.95b lid 6) — de vóór die overgang opgebouwde waardestijging blijft dan buiten de doorstootkeuze. Deze bepaling kan van nummer wisselen zodra de wijziging van het Belastingplan 2026 in werking treedt (zie Recente ontwikkelingen).

Reikwijdte

Onder de regeling vallen aandelen, vorderingen en vermogensrechten die aan de vorm- én beloningstoets voldoen; gewone marktconforme leningen of reguliere aandelenbelangen zonder koppeling aan management- of aandeelhoudersdoeleinden vallen daarbuiten, evenals aandelen van een soort die niet aan de 10%-achterstelling of de 15%-dividendpreferentie voldoet. Een reorganisatie waarbij een middellijk lucratief belang enkel via een gewijzigde vennootschappelijke structuur wordt aangehouden, leidt op zichzelf niet tot een voordeel uit lucratief belang (KG:059:2024:1). Verkoop van de targetvennootschap door een private-equityfonds in cv-vorm leidt daarentegen wél tot resultaat uit lucratief belang bij de middellijk lucratiefbelanghouder, ook onder de WFKR sinds 1 januari 2025 (KG:059:2024:4). Voor het overgangsrecht van de WFKR bij een open cv geldt als lijn dat de vervreemdingsfictie van art. IX lid 2 WFKR middellijk gehouden lucratieve belangen niet raakt (KG:059:2024:2 en KG:059:2024:3).

Wettelijk kader

Art. 3.92b lid 1 Wet IB 2001 trekt het onmiddellijk of middellijk houden van kwalificerende aandelen, vorderingen of rechten binnen het begrip werkzaamheid, mits de voordelen daarvan "naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon". Onderdeel b trekt op dezelfde grond schulden binnen de regeling waarvan de kwijtschelding of een andere tegemoetkoming mede als beloning is bedoeld. Lid 2 tot en met 4 werken de vormtoets uit voor respectievelijk aandelen (achterstelling onder 10% of dividendpreferentie van ten minste 15%), vorderingen (rendement in enigszins belangrijke mate afhankelijk van management- of aandeelhoudersdoeleinden) en overige vermogensrechten die economisch met een van beide categorieën overeenkomen. Lid 5 rekent een beloningslening mee tot het geplaatste aandelenkapitaal voor de 10%-toets en behandelt haar als afzonderlijke soort; lid 6 omschrijft de kring van verbonden personen (partner, en bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van belastingplichtige of partner).

Art. 3.95b Wet IB 2001 regelt de fiscale mechaniek eromheen. Lid 1 bepaalt de openingswaardering: het opgeofferde bedrag plus reeds geheven inkomstenbelasting, of — bij samenloop met immigratie naar Nederland — de waarde in het economische verkeer op dat moment. Lid 2 en 3 trekken het genietingsmoment gelijk tussen onmiddellijk en middellijk gehouden belangen en schrijven afrekening tegen de waarde in het economische verkeer voor bij een overgang tussen beide vormen. Lid 4 bepaalt dat een negatief resultaat op een middellijk gehouden belang niet tot het resultaat van de werkzaamheid wordt gerekend — het fiscale spiegelbeeld van de niet-aftrekbaarheid die de Hoge Raad bevestigde in ECLI:NL:HR:2019:1228 (hierna). Lid 5 bevat de doorstootkeuze naar box 2 bij ten minste 95% weerspiegelend aanmerkelijkbelanginkomen, en lid 6 sluit die keuze uit voor de waardestijging die al was opgebouwd vóórdat het belang via een lichaam met een aanmerkelijk belang werd gehouden.

Voor de doorwerking van een lucratief belang in verdragssituaties bevat het beleidsbesluit Lucratief belang in internationale situaties (Besluit BWBR0045878) nadere regels.

Belangrijkste rechtspraak

Waardering en de 10%-drempel. In de conclusie voorafgaand aan ECLI:NL:HR:2023:557 (ECLI:NL:PHR:2021:926, 2021, zelfde zaak) werd overwogen dat het belang kwalificeerde als lucratief belang op grond van art. 3.92b lid 4, omdat cumulatief preferent aandelenkapitaal een rendement mogelijk maakte dat niet in verhouding stond tot investering en risico. De Hoge Raad zelf oordeelde vervolgens in ECLI:NL:HR:2023:557 (2023) dat agio voor het 10%-criterium van art. 3.92b lid 4 bij storting anders dan in geld moet worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, en bij verrekening met een vordering in beginsel naar het nominale bedrag daarvan, ook bij betalingsproblemen. Beide uitspraken laten zien dat de vormtoets van lid 2 tot en met 4 nauw samenhangt met de waardering van de inbreng: een te lage waardering van agio kan de 10%-drempel doen kantelen.

Aftrekbaarheid van verlies: onmiddellijk versus middellijk gehouden. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2019:1228 (2019) dat een verlies op een middellijk gehouden lucratief belang niet aftrekbaar is van het resultaat uit overige werkzaamheden, en dat deze asymmetrie tussen belaste winst en onaftrekbaar verlies niet in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM. Bij een onmiddellijk gehouden belang ligt dit anders: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in ECLI:NL:GHARL:2020:9921 (2020) dat een verlies wegens waardedaling van certificaten van aandelen wél aftrekbaar was omdat sprake was van een lucratief belang, waarbij de aanslag inkomstenbelasting werd verminderd van € 1.172.198 naar € 542.199 aan belastbaar inkomen uit werk en woning. De aftrekbeperking van art. 3.95b lid 4 geldt dus uitdrukkelijk alleen voor middellijk gehouden belangen.

Formele aspecten. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2018:2198 (2018) dat een belastingplichtige te kwader trouw was in de zin van art. 16 AWR, omdat hij na te zijn gewezen door werkgever en belastingadviseur op de belastbaarheid van zijn lucratief belang, dit voordeel bewust niet in zijn tweede aangifte had opgenomen. Navordering is dus mogelijk buiten de gewone termijn wanneer bewust bekende belastbaarheid wordt verzwegen.

Internationale situaties. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2025:1746 (2025) dat het inkomen van een expat-manager uit een lucratief belang terecht als resultaat uit overige werkzaamheden was belast, en dat bij een keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht onder de 30%-regeling geen vervangende aanmerkelijkbelangheffing mogelijk is. Deze uitspraak raakt direct de samenloop tussen de doorstootkeuze van art. 3.95b lid 5 en de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht.

Aandachtspunten voor de praktijk

De kwalificatietoets is casuïstisch en moet per instrument afzonderlijk worden doorlopen: leningen, cv-participaties of hybride instrumenten kunnen bij een geringe wijziging in voorwaarden van kant wisselen tussen wel en niet kwalificeren. Bij inbreng anders dan in geld, zoals agio, is de waardering naar de waarde in het economische verkeer (of bij verrekening met een vordering het nominale bedrag) direct bepalend voor de vraag of de 10%-drempel van lid 4 wordt overschreden.

Reguliere werknemersparticipatie voorkomt niet dat verliesverrekening onder art. 20a Wet IB 2001 (de verliesverrekening-beperking bij een belangenwijziging) beperkt blijft, zolang de participatie als bezoldiging met een lucratief doel wordt aangemerkt (KG:059:2026:1). Ook de samenloop met (negatief) loon uit dienstbetrekking is onderwerp van een kennisgroepstandpunt (KG:059:2025:3, "Negatief loon en lucratief belang"). Bij een middellijk gehouden lucratief belang is het forfaitaire voordeel van art. 4.13 en 4.14 Wet IB 2001 bovendien niet van toepassing, indien niet grotendeels sprake is van beleggingen en de doelstelling van de lucratief-belangregeling niet is vervuld (KG:003:2023:6).

Bij een overgang naar of vanuit een open cv onder de WFKR blijft de vervreemdingsfictie van art. IX lid 2 WFKR buiten toepassing voor middellijk gehouden lucratieve belangen (KG:059:2024:1, KG:059:2024:2 en KG:059:2024:3), terwijl een daadwerkelijke verkoop van de targetvennootschap door een fgr of open cv in fondsstructuur wél tot resultaat uit lucratief belang leidt (KG:059:2024:4). Bij internationale situaties, zoals expat-managers met een lucratief belang naast de 30%-regeling, blijkt uit ECLI:NL:GHAMS:2025:1746 dat een keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht geen vervangende aanmerkelijkbelangheffing oplevert.

Recente ontwikkelingen

Het Belastingplan 2026 (Kamerstuk 36812, nr. 21) wijzigt volgens de tweede nota van wijziging art. 3.95b Wet IB 2001 met een nieuw zesde lid. De inwerkingtreding van deze maatregel is bij gewijzigd amendement (Kamerstuk 36812, nr. 109, ter vervanging van nr. 45, Van Eijk c.s.) uitgesteld; beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2028. Daarnaast publiceerde de kennisgroep van de Belastingdienst in 2026 een standpunt over het beloningsoogmerk-criterium bij reguliere werknemersparticipatie (KG:059:2026:1) en een standpunt over de boekstelling van het lucratief belang op de openingsbalans (KG:059:2026:2): het belang wordt daarbij opgenomen naar de waarde in het economische verkeer op het moment van verwerving, waarbij zowel het voordeel uit de verwerving als een eventueel loonvoordeel uit belastingbetaling door de werkgever aftrekbaar is.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 4 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.