Loonbelasting
Auto van de zaak (bijtelling)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De bijtelling voor de auto van de zaak regelt hoe het voordeel van een ook privé gebruikte, door de werkgever ter beschikking gestelde auto in de loonheffing wordt betrokken. Het is een forfaitaire correctie: in plaats van het werkelijke privévoordeel te bepalen, stelt de wet het voordeel op een vast percentage van de waarde van de auto, tenzij de belastingplichtige aantoont dat er nauwelijks privé mee is gereden. Kern van het stelsel zijn drie bouwstenen: de terbeschikkingstelling (het aanknopingspunt, los van feitelijk gebruik), de waarde van de auto (de grondslag) en het bijtellingspercentage (afhankelijk van leeftijd en CO2-uitstoot van de auto).
Het leerstuk raakt zowel werkgever als werknemer. Voor de werkgever bepaalt het de inhoudingsplicht in de loonaangifte, voor de werknemer de omvang van het belaste loon in natura. Rond de kernregel is een stelsel van verklaringen (geen privégebruik, uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto) en bewijsregels gebouwd, met eigen sanctie- en naheffingsmechanismen wanneer een verklaring achteraf onjuist blijkt.
De regeling kent een bewogen geschiedenis van jaarlijkse bijstellingen rond elektrische auto's en de youngtimergrens. Voor auto's zonder CO2-uitstoot gold een verlaging die stapsgewijs is afgebouwd: het bedrag van de cap liep terug van € 1.800 (2024) via € 1.500 (2025) naar € 1.200 (2026). Parallel daaraan is de grens waarop het lage forfait van 22% omslaat naar het hoge forfait van 35% verschoven: tot en met 2025 gold dat omslagpunt bij auto's die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen, vanaf 2026 ligt die grens bij meer dan 16 jaar. Het is een van de meest gelitigeerde onderdelen van de loonbelasting: de combinatie van een forfait, een omkering van de bewijslast en controlemiddelen zoals rittenregistraties en (voorheen) ANPR-camera's heeft geleid tot een substantiële hoeveelheid rechtspraak.
Wanneer speelt dit
Het thema speelt zodra een werkgever een auto ter beschikking stelt aan een werknemer of directeur-grootaandeelhouder die deze ook buiten werktijd kan gebruiken, ongeacht of dat gebruik zich daadwerkelijk voordoet: de wet gaat uit van terbeschikkingstelling, niet van feitelijk gebruik. Ook vragen rond bestelauto's met een privégebruikverbod, deelauto's die via een abonnement voor zakelijke ritten worden gereserveerd, en discussies over de juiste cataloguswaarde bij oudere auto's vallen hieronder. Verder speelt het bij een lopende rittenregistratie die de inspecteur betwist, bij het aanvragen of intrekken van een verklaring geen privégebruik, en bij naheffingstrajecten wanneer een eerder afgegeven verklaring niet blijkt te kloppen.
Hoe werkt de bijtelling
De bijtelling volgt een vaste beoordelingsvolgorde: is er een auto ter beschikking gesteld, wat is de grondslag, welk percentage geldt, en is er een uitzondering van toepassing.
1. Kwalificatie: is er sprake van terbeschikkingstelling? Beslissend is of de werknemer feitelijk kan bepalen of en hoe hij de auto gebruikt, niet of hij dat ook daadwerkelijk doet en niet of er formele belemmeringen bestaan zoals een sleutelkluis. Woon-werkverkeer telt voor deze beoordeling niet als privégebruik (lid 3).
2. Uitzondering: blijft de bijtelling achterwege? De auto wordt in beginsel geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. Dat vermoeden wordt weerlegd als blijkt (een zwaardere maatstaf dan aannemelijk maken) dat op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé is gereden, bijvoorbeeld met een sluitende rittenregistratie. Daarnaast vallen buiten de regeling: bestelauto's die door aard of inrichting nagenoeg uitsluitend geschikt zijn voor goederenvervoer, en bestelauto's met een privégebruikverbod dat aan vier cumulatieve voorwaarden voldoet (schriftelijke vastlegging, bewaring bij de loonadministratie, voldoende toezicht, een passende sanctie bij overtreding).
3. Grondslag en percentage Als de bijtelling niet is uitgesloten, wordt het voordeel forfaitair gesteld op een percentage van de waarde van de auto (catalogusprijs plus BPM, of bij oudere auto's de waarde in het economische verkeer).
| Onderdeel | 2024 | 2025 | 2026 |
|---|---|---|---|
| Standaardforfait | 22% | 22% | 22% |
| Omslag naar hoog forfait (35%) | auto meer dan 15 jaar geleden in gebruik genomen | auto meer dan 15 jaar geleden in gebruik genomen | auto meer dan 16 jaar geleden in gebruik genomen |
| Grondslag wijzigt naar waarde economisch verkeer | auto meer dan 15 jaar geleden in gebruik genomen | auto meer dan 15 jaar geleden in gebruik genomen | auto meer dan 15 jaar geleden in gebruik genomen |
| Cap verlaging emissievrije auto (0 g/km CO2) | € 1.800 | € 1.500 | € 1.200 |
| Verlagingspercentage emissievrije auto | 4% van de waarde | 4% van de waarde | 4% van de waarde |
De verlaging van 4% voor auto's met 0 gram CO2-uitstoot per kilometer geldt zonder cap voor auto's op waterstof en voor auto's met bepaalde geïntegreerde zonnepanelen die aan een technische norm voldoen. Bij wijziging van percentage of CO2-grens blijft het op de datum van eerste toelating geldende regime nog 60 maanden van toepassing (overgangsrecht van lid 18), zodat een auto niet middenrit een strenger regime krijgt.
4. Gevolg van toepassing Het bijtellingsbedrag wordt bij het loon van de werknemer geteld en is onderworpen aan loonheffing; de werkgever houdt daarover belasting in. Een eigen bijdrage van de werknemer voor het privégebruik vermindert het voordeel, maar alleen voor zover die bijdrage al onvoorwaardelijk verschuldigd is in het tijdvak waarin zij in mindering wordt gebracht.
5. Procedure: verklaringen Wie geen bijtelling wil zonder per rit een volledige rittenregistratie bij te houden, kan bij de inspecteur een verklaring geen privégebruik aanvragen; de inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Zolang de werknemer die verklaring overlegt, houdt de werkgever geen belasting in over het voordeel, tenzij de werkgever weet dat de verklaring onjuist is. De inspecteur kan de verklaring intrekken, zo nodig met terugwerkende kracht; bij intrekking of onjuistheid vindt naheffing in beginsel bij de werknemer plaats. Voor bestelauto's bestaat een parallelle route: de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, met een vergelijkbare bewijslastverdeling per rit.
6. Reikwijdte: wat valt er niet onder Deelauto's die een werkgever via een abonnement reserveert voor zakelijke ritten van werknemers leveren op zichzelf geen belast loon op; pas bij privégebruik door de werknemer ontstaat loon in natura. Het niet terugeisen van een laadpaal die eigendom van de werknemer is geworden, vormt geen belast loon, tenzij vooraf een teruggaafbeding was overeengekomen.
Wettelijk kader
Art. 13bis Wet LB 1964 vormt de kern van de regeling. Lid 1 legt het forfaitaire bijtellingspercentage en de leeftijdsgrens vast, en bepaalt daarnaast het uitgangspunt dat een auto in ieder geval geacht wordt ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt van beperkt privégebruik. Auto's die de leeftijdsgrens naderen of net zijn gepasseerd, worden in de praktijk aangeduid als youngtimers; dat begrip heeft geen zelfstandige wettelijke betekenis maar verwijst naar het omslagpunt naar het hoge forfait en, bij auto's van meer dan vijftien jaar oud, naar de waarde in het economische verkeer als grondslag (lid 5).
Lid 2 regelt de verlaging voor emissievrije auto's, met de in de tabel hierboven weergegeven cap en de uitzonderingen voor waterstofauto's en auto's met geïntegreerde zonnepanelen die aan een verbruiksnorm voldoen (gemeten volgens Verordening (EU) 2017/1151). Lid 18 (elders in het artikel) voegt daaraan een overgangsbepaling toe: na wijziging van de CO2-grens of het percentage blijft voor 60 maanden vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van eerste toelating het oude regime van toepassing, zodat auto's niet midden in hun gebruiksduur met een ander regime worden geconfronteerd.
Lid 3 stelt buiten twijfel dat woon-werkverkeer niet als privégebruik telt, en biedt de tegenbewijsmogelijkheid via rittenregistratie of "anderszins" bewijs van maximaal 500 kilometer privégebruik op jaarbasis; bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen aan die rittenregistratie worden gesteld. Lid 4 beperkt het voordeel tot het deel dat uitgaat boven een eventuele eigen bijdrage van de werknemer.
Lid 5 definieert de "waarde van de auto" als de catalogusprijs vermeerderd met BPM, met een uitzondering voor auto's van meer dan vijftien jaar oud (waarde in het economische verkeer). Datzelfde lid sluit bepaalde bestelauto's van het bijtellingsregime uit: auto's die door aard of inrichting nagenoeg uitsluitend geschikt zijn voor goederenvervoer, en bestelauto's waarvoor een schriftelijk vastgelegd en gehandhaafd privégebruikverbod geldt (de vier cumulatieve voorwaarden uit de checklist hierboven). Lid 6 laat de precieze verdeling over loontijdvakken over aan een ministeriële regeling.
Lid 7 tot en met 12 regelen de verklaring geen privégebruik: bij overlegging daarvan laat de inhoudingsplichtige inhouding achterwege, tenzij hij weet dat de mededeling onjuist is (lid 7); de werknemer kan de verklaring aanvragen en de inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking (lid 8); de inspecteur kan de verklaring intrekken, zo nodig met terugwerkende kracht (lid 9). Bij intrekking of het niet kunnen doen blijken van beperkt privégebruik volgt naheffing, in beginsel bij de werknemer, tenzij de inhoudingsplichtige wist van de onjuistheid. Lid 13 tot en met 17 kennen een parallel regime voor de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, met een vergelijkbare bewijslastverdeling per rit bij een vermoeden van privégebruik.
Belangrijkste rechtspraak
De rechtspraak over dit thema laat zich in twee lijnen indelen: de reikwijdte en houdbaarheid van het forfait zelf, en de bewijs- en controlekant van de regeling.
Het forfait en de terbeschikkingstelling. In ECLI:NL:HR:2017:964 (2017) oordeelde de Hoge Raad dat de forfaitaire bepaling van het belastbare voordeel niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM, en dat oude auto's met een hoge bijtelling ten opzichte van de aanschafwaarde geen individuele en buitensporige last opleveren. ECLI:NL:HR:2016:81 (2016) verduidelijkt vervolgens wanneer van terbeschikkingstelling in de zin van lid 1 sprake is: voldoende is dat de enig bestuurder zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruikmaakte, ook al bewaarde de werkgever de sleutel in een kluis. Samen bakenen deze arresten af dat het forfait als zodanig standhoudt en dat voor de toepassing ervan de feitelijke beschikkingsmacht beslissend is, niet de formele belemmeringen daarop.
Bewijs, verrekening en controle. ECLI:NL:HR:2015:31 (2015) preciseert de aftrek van een vergoeding voor privégebruik: die vergoeding komt alleen in mindering voor zover zij in het desbetreffende tijdvak al onvoorwaardelijk verschuldigd is geworden, ook als betaling of verrekening pas later plaatsvindt. ECLI:NL:HR:2017:288 (2017) raakt de controlekant: de Hoge Raad oordeelde dat de algemene taakomschrijving van de Belastingdienst noch enige andere wettelijke bepaling een toereikende grondslag bood voor het gebruik van ANPR-signaleringen als controlemiddel, zodat dit een inbreuk op artikel 8 EVRM opleverde; de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen loonheffingen werden vernietigd. Beide arresten laten zien dat het zwaardere bewijscriterium "blijken" in dit thema in twee richtingen werkt: het legt de bewijslast bij de belastingplichtige voor beperkt privégebruik, maar begrenst tegelijk welke middelen de Belastingdienst voor haar eigen bewijsvoering mag inzetten.
Aandachtspunten voor de praktijk
Bij bestelauto's is van belang of alle vier de cumulatieve voorwaarden voor een privégebruikverbod uit lid 5 zijn nageleefd; het ontbreken van één voorwaarde doet de uitzondering in zijn geheel vervallen, ook als de overige drie wel zijn voldaan.
De twee verklaringsroutes lopen parallel maar zijn niet identiek, met name in wie bij intrekking of onjuistheid wordt nageheven.
| Verklaring | Voor wie | Gevolg bij intrekking of onjuistheid |
|---|---|---|
| Geen privégebruik (lid 7-12) | werknemers in het algemeen | naheffing bij de werknemer, tenzij de inhoudingsplichtige wist dat de mededeling niet juist was (lid 11) |
| Uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto (lid 13-17) | bestelauto's | naheffing bij de werknemer bij een niet weerlegd vermoeden van privégebruik per rit, tenzij de inhoudingsplichtige wist van de onjuistheid of een noodzakelijke intrekking niet meldde (lid 15) |
Bij de afbouw van de cap voor emissievrije auto's (€ 1.800 in 2024, € 1.500 in 2025, € 1.200 in 2026) speelt dat het overgangsrecht van lid 18 het op het moment van eerste toelating geldende regime nog 60 maanden bevriest; de bijtelling van een specifieke auto hoeft dus niet gelijk op te lopen met de cap die in het lopende kalenderjaar voor nieuwe auto's geldt.
Bij de verschuiving van de leeftijdsgrens van 15 naar 16 jaar (2026) speelt dat auto's die eind 2025 net de oude grens naderden, in 2026 een jaar langer onder het lage forfait kunnen vallen; hiervoor bestaat overgangsbeleid dat voorkomt dat de verhoging voor alle auto's onmiddellijk doorwerkt.
Bij omkering en verzwaring van de bewijslast in een lopend geschil over de rittenregistratie is relevant dat het hier gaat om de bijzondere bewijsmaatstaf "blijken" uit lid 1 en lid 3 zelf, naast de algemene regels over bewijslastverdeling in de AWR. Een verzoek om een verklaring geen privégebruik is een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking, zodat een afwijzing of intrekking via die band kan worden aangevochten.
Bij een auto die aan een directeur-grootaandeelhouder ter beschikking wordt gesteld, raakt de bijtelling ook de discussie over het gebruikelijk loon; en waar de werkgever kosten voor de auto via de vrije ruimte wil onderbrengen, raakt dat de werkkostenregeling.
Recente ontwikkelingen
Met ingang van 2026 is de leeftijdsgrens waarop het forfait omslaat van 22% naar 35% verschoven van meer dan 15 jaar naar meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik genomen (art. 13bis lid 1 Wet LB 1964, tekst geldend per 1 januari 2026 vergeleken met de tekst geldend per 1 januari 2025). Een besluit biedt een overgangstermijn voor de youngtimerregeling, zodat deze verhoging niet voor alle auto's onmiddellijk doorwerkt (Besluit BWBR0052331).
Ook de cap voor de verlaging bij emissievrije auto's is jaarlijks verlaagd: van € 1.800 (tekst 2024) naar € 1.500 (tekst 2025) naar € 1.200 (tekst 2026), terwijl het verlagingspercentage van 4% ongewijzigd is gebleven.
De Belastingdienst kennisgroep heeft in 2025 een standpunt ingenomen over deelauto's: werkgevers die deelauto's via abonnement reserveren voor zakelijke ritten van werknemers, voorzien de werknemer daarmee van vervoer zonder loonbestanddeel, terwijl privégebruik door de werknemer wel tot belast loon in natura leidt (KG:204:2025:3). Ook is er kennisgroepbeleid over het niet terugeisen van een laadpaal die eigendom van de werknemer is geworden: dit vormt geen belast loon, tenzij een teruggaafbeding was gesteld (KG:204:2022:5).
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
16 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2015:31 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de bijtelling wegens privégebruik van de auto op grond van artikel 13bis, lid 6, Wet LB 1964 alleen rekening wordt gehouden met een vergoeding voor privégebruik voor zover deze in het desbetreffende tijdvak reeds onvoorwaardelijk verschuldigd is geworden, ook al is zij nog niet betaald of verrekend.
-
ECLI:NL:HR:2019:1 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat de overgangsregeling van artikel 36c Wet LB 1964, die voor auto's met eerste toelating vóór 1 januari 2017 een hogere bijtelling handhaaft, niet evident van elke redelijke grond is ontbloot en dus geen inbreuk vormt op artikel 1 Eerste Protocol EVRM of het discriminatieverbod.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:3754 (2022)
Het Hof Amsterdam oordeelt, anders dan de rechtbank, dat geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast bij de naheffingsaanslagen loonheffingen.
-
ECLI:NL:HR:2017:964 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat de forfaitaire bepaling van het belastbare voordeel van een ook privé gebruikte auto (art. 13bis Wet LB 1964) niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM, en dat oude auto's met een hoge bijtelling ten opzichte van de aanschafwaarde geen individuele en buitensporige last opleveren.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:1661 (2026)
Het Hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto geen onaanvaardbare inbreuk vormt op artikel 1 EP, en vernietigt daarom de rechtbankuitspraak.
-
ECLI:NL:HR:2015:1360 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964 niet geldt wanneer auto's uitsluitend voor bepaalde opdrachten in het belang van de werkgever worden gebruikt, en dat opzet of grove schuld van een rechtspersoon wordt beoordeeld met alle omstandigheden van het geval.
-
ECLI:NL:HR:2016:81 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van terbeschikkingstelling van een auto in de zin van artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964 wanneer de enig bestuurder zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruikmaakte, ook al bewaarde de werkgever de sleutel in een kluis.
-
ECLI:NL:HR:2017:288 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat de algemene taakomschrijving van de Belastingdienst noch enige andere wettelijke bepaling een toereikende grondslag biedt voor gebruik van ANPR-signaleringen, zodat dit een inbreuk op art. 8 EVRM oplevert en de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen loonheffingen over 2010 en 2011 worden vernietigd.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:991 (2020)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de naheffingsaanslag loonheffingen voor bijtelling privegebruik bestelauto's en niet aangegeven lonen in stand blijft omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar onjuist is (art. 27e lid 1 AWR).
-
ECLI:NL:HR:2016:1030 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor bijtelling wegens privégebruik van de ter beschikking gestelde auto geen grond bestaat, gelet op de verzwaarde bewijslast van art. 13bis Wet LB 1964. Hij verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.
Beleid en standpunten
23 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 34002 nr. 28
-
KG:204:2025:3 (2025)
Standpunt: Werkgevers die deelauto's via abonnement reserveren voor zakelijke ritten werknemers voorzien van vervoer zonder loonbestanddeel; privégebruik door werknemer leidt tot belast loon in natura.
- Kamerstuk 36812 nr. 102
-
KG:204:2024:6 (2024)
Standpunt: Bij weekendverblijf geldt gericht vrijgestelde kilometervergoeding alleen voor reizen thuis-werk; bij langdurig (3 maanden) alternatief verblijf dat als verblijfplaats kwalificeert, ook van daar naar werk.
- Kamerstuk 36812 nr. 53
- Kamerstuk 35927 nr. 3
- Kamerstuk 36602 nr. 3
- Kamerstuk 33752 nr. 9
- Kamerstuk 36418 nr. 47
- Kamerstuk 31704 nr. 3
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.