Inkomstenbelasting
Excessief lenen bij de eigen vennootschap
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De regeling excessief lenen bij de eigen vennootschap richt zich op aanmerkelijkbelanghouders die geld lenen van hun eigen bv in plaats van dividend uit te keren. Zonder ingrijpen zou een aandeelhouder belastingheffing in box 2 onbeperkt kunnen uitstellen, of zelfs afstellen, door vermogen als lening aan zichzelf te onttrekken zonder ooit een regulier voordeel in aanmerking te nemen. Het fictief regulier voordeel van art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 knipt dit uitstel af door het bovenmatige deel van dergelijke schulden zelf als belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang aan te merken. De regeling is geen verbod op lenen bij de eigen vennootschap, maar een fictiebepaling: zij grijpt aan bij de omvang van de schuld, niet bij de vraag of de lening zakelijk is vormgegeven.
De maatregel kent een langere aanloop dan de wettekst laat vermoeden. Zij is voor het eerst aangekondigd in de aanbiedingsbrief bij het Belastingplan 2019 (18 september 2018), met als beoogde ingangsdatum 1 januari 2022 en een grens van € 500.000. Bij de heroverweging van het pakket Bedrijfsleven is de maatregel verzacht (onder meer voor nieuwe eigenwoningschulden) en is de inwerkingtreding een jaar uitgesteld: de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap is uiteindelijk op 1 januari 2023 in werking getreden, met als eerste peildatum 31 december 2023. Aanmerkelijkbelanghouders kregen daardoor tot en met die datum de gelegenheid hun schuldenpositie tot ten hoogste € 500.000 terug te brengen. De grens van € 500.000 zelf is sinds de aankondiging in 2018 ongewijzigd gebleven.
Wanneer speelt dit
Het thema speelt onder meer bij:
- een oplopende rekening-courantschuld van de dga aan de eigen bv, bijvoorbeeld door privéopnames of onttrekkingen;
- herfinanciering waarbij een bank de aflossing van een schuld bij de eigen vennootschap financiert en daarbij zekerheden vestigt op vaste eigendommen van de vennootschap;
- verrekening van rekening-courantposities via de bank, waardoor een regresschuld tussen gelieerde entiteiten ontstaat;
- situaties waarin de bv liquide middelen "stalt" bij de aandeelhouder, bijvoorbeeld met het oog op depositogarantie;
- een eigenwoningschuld van de aandeelhouder of een verbonden persoon aan de eigen vennootschap, ook bij verbonden personen die in het buitenland wonen;
- een schuld die deel uitmaakt van het vermogen van een samenwerkingsverband (vof, cv, maatschap of vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm) waaruit de aandeelhouder of een verbonden persoon winst uit onderneming geniet;
- emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder, waar de regeling doorwerkt in het uitstel van betaling voor de conserverende aanslag.
Hoe werkt de regeling
Wie kwalificeert. De toets raakt de belastingplichtige met een aanmerkelijk belang, diens partner, en (in beperktere mate) bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner (verbonden personen). Schulden van de belastingplichtige en zijn partner worden voor de drempeltoets bij elkaar opgeteld en gelden voor hen gezamenlijk (art. 4.14a lid 3 Wet IB 2001).
Wat telt mee als schuld. Het schuldenbegrip is opzettelijk ruim: "alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen" (art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001), ongeacht het type lening of de besteding van het geleende geld. Volgens de memorie van toelichting is bewust afgezien van een tegenbewijsmogelijkheid voor zakelijke, gedekte of gesecureerde leningen: het onderscheid zou de uitvoering te zeer compliceren. Vorderingen die de aandeelhouder op de vennootschap heeft, worden niet gesaldeerd met zijn schulden aan diezelfde vennootschap. Ook feitelijk vergelijkbare constructies vallen eronder, zoals doorlenen van elders geleend geld en garantstellingen door de vennootschap die de externe financiering van de aandeelhouder mogelijk maken.
Drempelbedrag, tabel met cijfers (peiljaar 2026):
| Grootheid | Bedrag/percentage | Vindplaats |
|---|---|---|
| Drempelbedrag (maximumbedrag) per belastingplichtige + partner samen | € 500.000 | art. 4.14a lid 2 en 3 Wet IB 2001 |
| Eigen drempel voor schulden van verbonden personen (bloed-/aanverwant rechte lijn) | € 500.000, per verbonden persoon + partner | art. 4.14b lid 1 en 2 Wet IB 2001 |
| Minimumdrempel bij immigratie (aanvang binnenlandse belastingplicht) | bestaande schuld, met een minimum van € 500.000 | art. 4.14c lid 1 Wet IB 2001 |
| Peildatum voor de omvang van de schuld | 31 december van het kalenderjaar, tegen nominale waarde | art. 4.14a lid 4 Wet IB 2001 |
| Box 2-tarief, eerste schijf tot € 68.843 | 24,5% | art. 2.12 Wet IB 2001 |
| Box 2-tarief, boven € 68.843 | 31% | art. 2.12 Wet IB 2001 |
| Overgangsdatum bestaande eigenwoningschulden zonder hypotheekvereiste | schuld bestaand op 31 december 2022 | art. 10a.23 Wet IB 2001 |
Wat is het gevolg. Overschrijdt de totale schuld het drempelbedrag, dan wordt het meerdere op de peildatum (31 december) als positief fictief regulier voordeel belast in box 2, tegen het tarief van art. 2.12 Wet IB 2001. Neemt de schuld in een later jaar weer af tot onder het maximumbedrag, dan ontstaat in beginsel een negatief fictief regulier voordeel (art. 4.14a lid 1 onderdeel b Wet IB 2001), dat eerder belast voordeel weer terugneemt tot ten hoogste het bedrag dat eerder is belast. Deze mechaniek voorkomt dat aflossing (bijvoorbeeld gefinancierd met een dividenduitkering) tot economische dubbele heffing leidt. Verliest de aandeelhouder anders dan door vervreemding zijn aanmerkelijk belang, dan wordt het schuldbedrag voor de toets op nihil gesteld (art. 4.14a lid 5 Wet IB 2001), zodat eerder belast voordeel alsnog wordt teruggenomen.
Procedure en moment. Er is geen keuze- of aanvraagmoment: de toets loopt automatisch mee in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar waarin de peildatum (31 december) valt, op basis van de nominale waarde van de schulden op dat moment. Bij emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder werkt de regeling door in het uitstel van betaling voor de conserverende aanslag: art. 25c Invorderingswet 1990 beëindigt dat uitstel gedeeltelijk zodra na emigratie alsnog een positief fictief regulier voordeel wordt genoten, verminderd met de in Nederland verschuldigde belasting over dat voordeel en met eventueel in het buitenland geheven belasting over hetzelfde verschil.
Reikwijdte — wat valt erbuiten. Twee categorieën blijven principieel buiten het schuldenbegrip:
- Schulden uit een civielrechtelijke verbondenheid voor een schuld die deel uitmaakt van het vermogen van een samenwerkingsverband (vof, cv, maatschap of vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm) waaruit de belastingplichtige of een verbonden persoon winst uit onderneming geniet (art. 4.13 lid 4 en 5 Wet IB 2001). Wordt dezelfde samenwerkingsverband-schuld bij meerdere deelnemers meegeteld en overschrijdt de opgetelde toerekening de nominale waarde van de schuld, dan wordt het meerdere bij de ene deelnemer in mindering gebracht op wat bij de andere in aanmerking wordt genomen (art. 4.14a lid 7 Wet IB 2001).
- Een eigenwoningschuld in de zin van art. 3.119a Wet IB 2001, voor zover daarvoor een recht van hypotheek op de eigen woning aan de vennootschap is verstrekt (art. 4.14a lid 6 Wet IB 2001). Voor een op 31 december 2022 al bestaande eigenwoningschuld geldt de hypotheekeis niet: die schuld blijft ook zonder gevestigd hypotheekrecht buiten aanmerking (art. 10a.23 Wet IB 2001, overgangsbepaling).
Schulden van verbonden personen (bloed- of aanverwanten in de rechte lijn) tellen alleen mee bij de aanmerkelijkbelanghouder zelf voor zover die verbonden persoon zélf geen aanmerkelijk belang in de vennootschap heeft én diens eigen schulden boven € 500.000 uitkomen (art. 4.14b Wet IB 2001); is een deel van die schuld al bij de belastingplichtige zelf in aanmerking genomen op grond van art. 4.13 lid 1 onderdeel f, dan wordt dubbeltelling voorkomen.
Wettelijk kader
Art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 rekent tot de reguliere voordelen "het bovenmatige deel van schulden die de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft (het fictief reguliere voordeel), waarbij onder schulden wordt verstaan: alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen." De wetgever kiest bewust voor een ruim schuldenbegrip en toetst niet alleen directe verhoudingen: de schuld kan "rechtens dan wel in feite direct of indirect" bestaan, wat ruimte laat om ook indirecte constructies te toetsen. Lid 4 en 5 zonderen schulden uit die deel uitmaken van het vermogen van een samenwerkingsverband (vof, cv, maatschap of vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm) waaruit winst uit onderneming wordt genoten. De overige onderdelen van lid 1 (onder meer forfaitaire voordelen bij vrijgestelde beleggingslichamen en teruggaven van gestort kapitaal) en de leden 2 en 3 zien op andere reguliere voordelen en blijven hier onbesproken.
Art. 4.14a Wet IB 2001 werkt het fictief regulier voordeel technisch uit. Lid 1 bepaalt dat het bovenmatige deel als positief bedrag wordt belast voor zover de schulden het maximumbedrag overschrijden, en als negatief bedrag voor zover de schulden weer onder dat maximum zakken (tot ten hoogste wat eerder is belast). Lid 2 stelt het maximumbedrag op € 500.000, te vermeerderen met bedragen die al eerder als fictief regulier voordeel zijn belast. Lid 3 regelt de partnertoerekening: schulden van beide partners worden eenmaal gezamenlijk getoetst tegen één gezamenlijk maximumbedrag. Lid 4 stelt de peildatum op het einde van het kalenderjaar, tegen nominale waarde. Lid 5 ziet op het verlies van het aanmerkelijk belang anders dan door vervreemding. Lid 6 bevat de eigenwoninguitzondering, gekoppeld aan het vereiste van een hypotheekrecht aan de vennootschap. Lid 7 voorkomt dubbeltelling wanneer eenzelfde samenwerkingsverband-schuld bij meerdere belastingplichtigen wordt toegerekend.
Art. 4.14b Wet IB 2001 bevat flankerende bepalingen: schulden van een verbonden persoon (een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner) bij een vennootschap waarin de belastingplichtige — maar niet die verbonden persoon — een aanmerkelijk belang heeft, worden aan de belastingplichtige toegerekend voor zover de schulden van die verbonden persoon zijn eigen drempel van € 500.000 overschrijden en voor die verbonden persoon geen eigenwoninguitzondering geldt. Lid 3 voorkomt dat dezelfde schuld tweemaal wordt belast wanneer zij al bij de belastingplichtige zelf als eigen schuld kwalificeert. Lid 6 biedt een grondslag voor nadere regels bij algemene maatregel van bestuur wanneer de belastingplichtige niet het hele jaar dezelfde partner heeft.
Art. 4.14c Wet IB 2001 regelt de situatie bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht (immigratie): het maximumbedrag wordt dan gesteld op het bedrag van de op dat moment al bestaande schulden bij de eigen vennootschap, met een minimum van € 500.000, waarbij art. 4.14b van overeenkomstige toepassing is.
Art. 10a.23 Wet IB 2001 bevat het overgangsrecht voor de hypotheekeis van art. 4.14a lid 6: een op 31 december 2022 al bestaande eigenwoningschuld blijft ook zonder gevestigd hypotheekrecht buiten de toets. Art. 25c Invorderingswet 1990 koppelt de regeling aan de conserverende aanslag bij emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder: het uitstel van betaling voor die aanslag wordt gedeeltelijk beëindigd zodra na emigratie een positief fictief regulier voordeel wordt genoten, verminderd met de daarover in Nederland verschuldigde belasting en met in het buitenland feitelijk geheven belasting over hetzelfde verschil; schulden bij een vennootschap waarin pas ná emigratie een aanmerkelijk belang is verkregen, blijven in die berekening buiten beschouwing.
De memorie van toelichting bij de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (Kamerstuk 35496, nr. 3) licht dit samenstel van fictief regulier voordeel, schuldgrens, peildatum en partnertoerekening toe; de nota naar aanleiding van het nader verslag (Kamerstuk 35496, nr. 9) gaat nader in op vragen over onzakelijke leningen en de toerekening aan partner en verbonden personen.
Belangrijkste rechtspraak
Gepubliceerde jurisprudentie die de reikwijdte van het schuldenbegrip van art. 4.13 Wet IB 2001 zelf toetst, is nog schaars; de twee beschikbare uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2026 spelen in de procedurele context van aanmerkelijkbelanggeschillen in bredere zin, niet in de inhoudelijke afbakening van het fictief regulier voordeel.
ECLI:NL:GHARL:2026:2717 (2026) betreft de vraag of belanghebbende voor 2012 de vereiste aangifte IB/PVV heeft gedaan voor het voordeel uit aanmerkelijk belang, of dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, en of de schatting van het belastbare inkomen door de inspecteur redelijk is.
ECLI:NL:GHARL:2026:2718 (2026) betreft de rechtmatigheid van informatiebeschikkingen ex art. 52a AWR bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, waarbij mede de inspanningsverplichting van belanghebbende om gevraagde informatie te verstrekken aan de orde is, na inbeslagname van stukken.
Beide zaken illustreren de bewijs- en informatiedynamiek rond navorderingsaanslagen IB met een aanmerkelijkbelangcomponent (zie ook het thema navordering en omkering bewijslast), niet een inhoudelijke afbakening van het fictief regulier voordeel zelf. Het praktische zwaartepunt van dit thema ligt daarom vooralsnog in de kennisgroepstandpunten van de Belastingdienst, die de open normen van de wet ("alle civielrechtelijke schuldverhoudingen", "rechtens dan wel in feite direct of indirect") vullen voor concrete casusposities, zoals hieronder besproken.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Het schuldenbegrip is ruim en niet beperkt tot formele geldleningen: verrekenposities, "gestalde" liquide middelen en andere feitelijke verplichtingen tussen aandeelhouder en vennootschap kunnen als schuld kwalificeren.
- De maatstaf "rechtens dan wel in feite direct of indirect" opent de mogelijkheid dat ook indirecte of feitelijke verhoudingen worden getoetst, niet uitsluitend de formele civielrechtelijke vormgeving van een structuur.
- De uitzondering voor samenwerkingsverbanden (art. 4.13 lid 4 Wet IB 2001) geldt alleen voor schulden die deel uitmaken van het vermogen van een samenwerkingsverband waaruit de belastingplichtige of een verbonden persoon winst uit onderneming geniet; bepalend is die voorwaarde, niet louter de aanwezigheid van een vof, cv of maatschap.
- Bij herfinanciering via een bank van een schuld bij de eigen vennootschap is relevant of de nieuwe schuld zekergesteld is op vaste eigendommen van de vennootschap; dat raakt de vraag of nog steeds sprake is van een schuld bij die vennootschap.
- Bij dga's of verbonden personen die in het buitenland wonen is de kwalificatie van een woningschuld als eigenwoningschuld afhankelijk van de voorwaarde dat de woning onder Nederlandse belastingheffing in box 1 zou vallen en aan de voorwaarden van art. 3.119a Wet IB 2001 wordt voldaan.
- Het hypotheekvereiste van art. 4.14a lid 6 Wet IB 2001 geldt niet met terugwerkende kracht voor eigenwoningschulden die al op 31 december 2022 bestonden; voor nieuwe eigenwoningschulden aan de eigen vennootschap ontbreekt die overgangsbescherming.
- De negatieve-voordeelmechaniek van art. 4.14a lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 werkt alleen terug tot het bedrag dat eerder daadwerkelijk als positief fictief regulier voordeel is belast; bij een schuld die nooit boven het drempelbedrag is uitgekomen, is er dus ook nooit een negatief voordeel te verrekenen.
- Bij aanmerkelijkbelanggeschillen naast de excessief-lenenregeling kan de vraag of de vereiste aangifte is gedaan, en hoe ver informatieverplichtingen jegens de inspecteur reiken, de bewijslastverdeling beïnvloeden.
Recente ontwikkelingen
De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap is op 1 januari 2023 in werking getreden, met als eerste peildatum 31 december 2023.
De Belastingdienst heeft sindsdien meerdere kennisgroepstandpunten over de regeling gepubliceerd of ingetrokken:
- Het standpunt over verrekenvorderingen bij bancaire verrekening van rekening-courantposities (KG:003:2025:9, 2025) houdt in dat een dergelijke verrekenvordering tussen gerelateerde entiteiten onder het schuldenbegrip van art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 valt, en dat toepassing van de excessief-lenenregeling wordt voorkomen door toetreding als vennoot en inbreng als kapitaal.
- Het standpunt over "geld stallen" (KG:003:2025:3, februari 2025) merkt liquide middelen die een bv bij de aandeelhouder "stalt", bijvoorbeeld met het oog op depositogarantie, aan als schuld onder art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001.
- Het standpunt over herfinanciering (KG:003:2024:3, april 2024) merkt een bancaire schuld ter aflossing van een te hoge lening bij de eigen vennootschap, zekergesteld op vaste eigendommen van de vennootschap, aan als een schuld bij die vennootschap in de zin van de regeling.
- Het standpunt over een eigenwoningschuld van een in het buitenland wonende verbonden persoon (KG:003:2026:2, februari 2026) houdt in dat een dergelijke schuld als eigenwoningschuld kan kwalificeren, mits de woning onder Nederlandse belastingheffing in box 1 zou vallen en aan de voorwaarden van art. 3.119a Wet IB 2001 wordt voldaan.
- Eerdere standpunten over winstrechtverplichtingen (KG:003:2023:12) en het forfaitaire voordeel bij immigratie in de loop van het jaar (KG:003:2023:5) zijn in 2025 ingetrokken in verband met opname in een verzamelbesluit aanmerkelijk belang.
Kernartikelen
- Art. 4.13 Wet IB 2001 — Art. 4.13 Wet IB 2001: Reguliere voordelen
Belangrijkste rechtspraak
3 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHARL:2026:2717 (2026)
De zaak betreft of belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV 2012 heeft gedaan voor het voordeel uit aanmerkelijk belang, of dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, en of de door de inspecteur toegepaste schatting van het belastbare inkomen redelijk is.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:2718 (2026)
De zaak betreft de rechtmatigheid van informatiebeschikkingen ex artikel 52a AWR bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, waarbij mede de inspanningsverplichting van belanghebbende om gevraagde informatie te verstrekken aan de orde is na inbeslagname van stukken.
-
ECLI:NL:GHAMS:2018:3711 (2018)
Het Hof oordeelt dat een bedrag van € 12.204.543 aan geldlening en rekening-courantschuld het vermogen van de NV in 2010 definitief heeft verlaten omdat aannemelijk is dat deze schulden niet zullen worden afgelost, en merkt dit aan als inkomen uit aanmerkelijk belang.
Beleid en standpunten
30 bronnen in de kennisbank-
KG:003:2025:9 (2025)
Standpunt: Een verrekenvordering tussen gerelateerde entiteiten valt onder het schuldenbegrip van artikel 4.13(1)(f) Wet IB 2001, en toepassing van de excessieflenenregeling wordt voorkomen door toetreding als vennoot en inbreng als kapitaal.
-
Kamerstuk 35496 nr. 3
Memorie van toelichting Wet excessief lenen eigen vennootschap (artikel 4.14a-c WIB 2001: fictief regulier voordeel, schuldengrens per aanmerkelijkbelanghouder+partner).
-
KG:003:2023:12 (2023)
Standpunt: [Ingetrokken wegens opname Verzamelbesluit 2025] Winstrechtverplichting valt onder schuldenbegrip artikel 4.13 en wordt gewaardeerd naar waarde onderneming.
- Kamerstuk 36602 nr. 3
-
KG:003:2025:3 (2025)
Standpunt: Liquide middelen die een BV bij aandeelhouder 'stalt' voor depositogarantie kwalificeren als schulden onder artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, Wet IB 2001 (excessief lenen).
-
KG:003:2023:5 (2023)
Standpunt: [INGETROKKEN in verband met Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025]. Bij immigratie in de loop van het jaar wordt een forfaitair voordeel in aanmerking genomen, berekend naar waarde op 1 januari en gecorrigeerd naar de periode van Nederlands verblijf.
- Kamerstuk 36418 nr. 3
- Kamerstuk 36202 nr. 64
-
KG:003:2022:8 (2022)
Standpunt: Het intrekken van aandelen wordt aangemerkt als vervreemdingshandeling, niet als reguliere kapitalvermindering, zodat artikel 4.13, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 niet van toepassing is.
-
KG:003:2024:3 (2024)
Standpunt: Een schuld bij een bank voor aflossing van een te hoge lening bij de eigen vennootschap, zekergesteld op vaste eigendommen van de vennootschap, wordt aangemerkt als schuld bij die vennootschap onder de Wet excessief lenen.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.