Vennootschapsbelasting

Liquidatieverliesregeling

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De liquidatieverliesregeling van art. 13d Wet VPB 1969 is de belangrijkste uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. Waar de deelnemingsvrijstelling winsten en verliezen op een deelneming in beginsel buiten de winstberekening houdt, staat art. 13d lid 1 toe dat een verlies dat "tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden" alsnog in aftrek komt. De gedachte daarachter is dat een verlies dat door liquidatie definitief niet meer verrekenbaar is voor de belastingplichtige, niet blijvend buiten de VPB-heffing hoeft te blijven. Het liquidatieverlies wordt niet berekend op basis van de commerciële boekwaarde van de deelneming, maar op basis van het opgeofferde bedrag, verminderd met de ontvangen liquidatie-uitkeringen.

De regeling kent een duidelijke breuklijn. Vóór 1 januari 2021 kende art. 13d geen kwantitatieve of territoriale beperking: een liquidatieverlies kwam, ongeacht de omvang en ongeacht waar het ontbonden lichaam was gevestigd, zonder beperking in aftrek zodra aan de overige voorwaarden was voldaan. Per 1 januari 2021 is de huidige beperking van lid 2 ingevoerd: liquidatieverliezen boven € 5.000.000 komen alleen nog volledig in aftrek als de belastingplichtige een kwalificerend belang heeft in een lichaam binnen de EU, de EER of een aangewezen associatiestaat. Sindsdien werken een kwantitatieve grens, een geografische/kwalitatieve eis en een temporele eis over het aftrekmoment naast elkaar. De extracomptabele berekeningswijze en de correctiebepalingen voor tussenhoudsters, verbonden lichamen en fiscale eenheden maken de regeling daarnaast tot een van de technisch meest gelaagde onderdelen van de deelnemingsvrijstelling.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op zodra een deelneming wordt ontbonden en de investering daarin per saldo verlieslatend blijkt: de afwikkeling van een onderpresterende buitenlandse dochter, de liquidatie van een tussenhoudster in een gelaagde structuur, turboliquidatie van een lege of verlieslatende vennootschap, en de ontbinding van een deelneming die eerder deel uitmaakte van een fiscale eenheid en inmiddels is ontvoegd. Ook speelt de regeling bij herstructureringen waarbij de onderneming van het ontbonden lichaam wordt voortgezet door de belastingplichtige zelf of een verbonden lichaam: dan bepaalt art. 13e op welk moment het verlies alsnog mag worden genomen.

Voorwaarden en werking

Voorwaarden voor aftrek (art. 13d lid 14). Vier cumulatieve eisen bepalen of en wanneer het liquidatieverlies in aanmerking komt:

  1. Geen tegemoetkoming elders. Voor de belastingplichtige zelf, een verbonden lichaam, of de voortzettende partij (of diens verbonden lichaam) mag geen enkel ander recht bestaan op een tegemoetkoming voor de bij het ontbonden lichaam onverrekend gebleven verliezen.
  2. Staking of voortzetting door een derde. De onderneming van het ontbonden lichaam moet geheel zijn gestaakt, óf uitsluitend zijn voortgezet door een ander dan de belastingplichtige of een verbonden lichaam. Zet de belastingplichtige zelf of een verbonden lichaam voort, dan schuift het aftrekmoment via art. 13e door naar het einde van díe voortzetting.
  3. Tijdige vereffening. De vereffening moet uiterlijk zijn voltooid in het derde kalenderjaar na het jaar van (nagenoeg) gehele staking, tenzij de belastingplichtige doet blijken dat een later tijdstip niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van VPB-heffing.
  4. Verzwaarde bewijslast. De belastingplichtige moet de omvang van het liquidatieverlies doen blijken, evenals de vervulling van voorwaarden 1 tot en met 3 — een zwaardere maatstaf dan het gebruikelijke "aannemelijk maken".

Daarnaast geldt de kwantitatieve/territoriale grens van lid 2: boven € 5.000.000 alleen volledige aftrek bij een kwalificerend belang in een EU-, EER- of aangewezen associatiestaat, gedurende de vijf jaar voorafgaand aan de voltooiing van de vereffening onafgebroken aanwezig.

ElementBedrag / termijnVindplaatsSinds
Drempel voor onbeperkte aftrek€ 5.000.000lid 21 januari 2021
Kwalificatieperiode kwalificerend belang5 jaar onafgebroken vóór voltooiing vereffeninglid 2 onderdeel b1 januari 2021
Vereffeningstermijn na stakinguiterlijk het 3e kalenderjaar na stakinglid 14 onderdeel congewijzigd
Terugkijkperiode liquidatie-uitkeringenstakingsjaar + 5 jaar ervoor/erna; bij verlies ook het 6e t/m 10e jaar ervoorlid 6ongewijzigd
Herzieningstermijn beschikking opgeofferd bedrag5 jaar na vaststellinglid 16ongewijzigd

Gevolg van toepassing. Is aan de voorwaarden voldaan, dan komt het liquidatieverlies alsnog ten laste van de fiscale winst, ondanks dat de deelneming zelf onder de deelnemingsvrijstelling viel — een verruimde vorm van verliesverrekening voor een positie die anders definitief buiten de heffing was gebleven. Boven de € 5.000.000-grens zonder kwalificerend belang binnen de EU/EER blijft het meerdere echter permanent onaftrekbaar onder de deelnemingsvrijstelling.

Procedure. Het opgeofferde bedrag kan op verzoek bij de aangifte door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld; is dat bedrag onjuist vastgesteld, dan kan de inspecteur die beschikking herzien binnen vijf jaar na de oorspronkelijke vaststelling (lid 16). Bij voortzetting van de onderneming wordt ook het liquidatieverlies zelf op verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld (lid 17), relevant omdat het aftrekmoment dan via art. 13e wordt uitgesteld. Vooraf zekerheid over de toepassing van art. 13d op een concrete afwikkeling kan worden gevraagd via een advance tax ruling bij het College Internationale Fiscale Zekerheid, zoals bij een verdragslanddochter die eerst haar activiteiten staakte en personeel overdroeg aan een verbonden lichaam, alvorens te worden geliquideerd (ATR 20200310-000009).

Reikwijdte. Onder de regeling valt het saldoverlies op een deelneming dat pas manifest wordt na juridische ontbinding, inclusief turboliquidatie (ontbinding zonder baten en zonder vereffenaar), waarbij het volledig geïnvesteerde kapitaal als liquidatieverlies kan gelden als geen liquidatie-uitkering plaatsvindt. Niet onder de regeling valt een liquidatiewinst — die blijft onverkort vrijgesteld, een asymmetrie in het voordeel van de belastingplichtige — en evenmin een afwaarderingsverlies op de deelneming zolang het ontbonden lichaam nog bestaat: dat blijft onder de deelnemingsvrijstelling vallen, al kan een afwaardering op een onzakelijke lening aan de deelneming via het opgeofferde bedrag doorwerken zodra de liquidatie is voltooid. Ook het stakingsverlies van een eigen buitenlandse vaste inrichting valt buiten art. 13d: dat loopt via de objectvrijstelling van art. 15e, met een samenloopregeling in art. 13e lid 3 voor het geval de vaste-inrichtingsactiviteiten via de deelneming worden overgenomen.

Wettelijk kader

De hoofdregel van lid 1 doorbreekt de deelnemingsvrijstelling voor het verlies dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden. Lid 5 werkt de berekening uit: het liquidatieverlies is het bedrag waarmee het opgeofferde bedrag de liquidatie-uitkeringen overtreft, met extracomptabele bijtellingen op het opgeofferde bedrag (onder meer eerdere bijtellingen op vorderingen op grond van art. 13b of 13ba, bepaalde niet-vrijgestelde voordelen onder art. 13h, en waardeveranderingen van een aan de deelneming gekoppelde verplichting onder art. 13 lid 6). Lid 6 verruimt vervolgens wat tot de liquidatie-uitkeringen wordt gerekend: ten minste de vrijgestelde voordelen genoten in het stakingsjaar, de vijf jaren daarvoor en de jaren erna, én — bij verlies in een eerder jaar — de voordelen uit het zesde tot en met het tiende jaar vóór de staking, zodat een deelneming die eerst jarenlang winstgevend uitkeerde en pas kort voor liquidatie verlieslatend wordt, niet tot een dubbel voordeel leidt.

Lid 2 stelt de kwantitatieve en territoriale grens die sinds 2021 geldt: boven € 5.000.000 komt het liquidatieverlies alleen in aftrek als de belastingplichtige onmiddellijk voorafgaand aan de voltooiing van de vereffening een kwalificerend belang heeft in het ontbonden lichaam én dat lichaam is gevestigd in Nederland, een andere EU-lidstaat, een EER-staat of een aangewezen associatiestaat, gedurende de vijf daaraan voorafgaande jaren onafgebroken. Is het lichaam pas later een deelneming geworden, dan telt de termijn pas vanaf dat latere tijdstip; voor een lichaam waarmee fictief een fiscale eenheid gevormd had kunnen worden hoeft de termijn niet onafgebroken te zijn vervuld, mits geen sprake is van gericht handelen om een hoger liquidatieverlies te creëren. Lid 4 definieert het kwalificerende belang als een belang waarmee zodanige invloed op de besluiten van dat lichaam kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald — een zwaardere maatstaf dan het gewone deelnemingscriterium.

Een reeks bepalingen voorkomt dat eenzelfde verlies via een gelaagde structuur meermaals, of juist ten onrechte helemaal niet, in aftrek komt. Lid 7 corrigeert het liquidatieverlies van een tussenhoudster voor de waardedaling van een onderliggende deelneming die deel uitmaakt van de liquidatie-uitkering of is vervreemd, verminderd voor zover een andere onderliggende deelneming juist in waarde is gestegen; alleen onmiddellijke waardemutaties tellen mee, en bij een van een verbonden lichaam verkregen deelneming is de correctie gemaximeerd op het liquidatieverlies dat dat verbonden lichaam zelf al in aanmerking nam. Lid 3 en lid 8 werken eenzelfde soort cascade uit voor een onderliggend lichaam dat al vóór het ontbonden lichaam zelf is geliquideerd of gestaakt: het liquidatieverlies telt dan alleen mee voor het deel boven wat bij dat eerdere lichaam al (niet) in aftrek kwam, met vrijstelling van die cascade zodra het totale liquidatieverlies niet boven € 5.000.000 uitkomt. Lid 9 en lid 10 voorkomen ten slotte een step-up bij interne overdrachten: een van een verbonden lichaam verkregen deelneming krijgt niet een hoger opgeofferd bedrag dan dat lichaam er zelf voor opofferde, tenzij naar Nederlandse maatstaven al reëel is geheven over de waardestijging sindsdien.

Drie leden zien op de samenloop met de fiscale eenheid. Lid 11 stelt bij ontvoeging van een dochtermaatschappij het opgeofferde bedrag op het naar rato van het aandelenbezit toe te rekenen eigen vermogen van die dochter op het ontvoegingstijdstip, verminderd met de toelaatbare reserves. Lid 12 en lid 13 beperken dat opgeofferde bedrag vervolgens voor zover het ontbonden lichaam als tussenmaatschappij, dan wel als schuldeiser binnen de fiscale eenheid, negatieve resultaten van andere fiscale-eenheidsmaatschappijen doorgegeven kreeg: de belastingplichtige moet dan doen blijken dat het opgeofferde bedrag daar in absolute zin bovenuit gaat.

Lid 15 trekt de temporele discipline van lid 14 door naar een eerder ontbonden of gestaakt onderliggend lichaam: is diens vereffening niet binnen drie jaar na de staking voltooid, dan wordt het liquidatieverlies beperkt tot het bedrag boven wat bij dat eerdere lichaam al in aanmerking is genomen, tenzij opnieuw wordt aangetoond dat het uitstel geen fiscaal motief had. Wordt de onderneming van het ontbonden lichaam voortgezet door de belastingplichtige zelf, dan schuift art. 13e lid 1 het aftrekmoment door naar de eigen staking van die voortgezette onderneming; zet in plaats daarvan een verbonden lichaam voort, dan verhoogt art. 13e lid 2 het opgeofferde bedrag van die deelneming met het berekende liquidatieverlies. Art. 13e lid 3 corrigeert dit verder als de voortgezette onderneming een buitenlandse vaste inrichting omvat die onder de objectvrijstelling van art. 15e valt, om dubbele aftrek van eenzelfde stakingsverlies te voorkomen.

Lid 16 en lid 17 formaliseren de bewijspositie via de hierboven beschreven beschikkingen. Het beleidsbesluit Deelnemingsvrijstelling geeft daarnaast een nadere toelichting op de deelnemingsvrijstelling waarbinnen art. 13d functioneert.

Belangrijkste rechtspraak

Berekeningsgrondslag: het opgeofferde bedrag als losstaande grootheid. In dezelfde procedure (zaaknummer 21/02980) concludeerde de advocaat-generaal (PHR:2021:1189) eerst over de vraag of het opgeofferde bedrag bij een deelneming die na aanvang van de belastingplicht wordt geliquideerd, moet worden gesteld op de waarde in het economische verkeer bij die aanvang of op de hogere historische kostprijs. De Hoge Raad oordeelde vervolgens in ECLI:NL:HR:2022:1578 (2022) in bredere zin dat het opgeofferde bedrag een extracomptabele grootheid is die niet afhangt van de balanswaardering: de regeling sluit niet aan bij de totaalwinst, maar geeft een tegemoetkoming voor door liquidatie definitief verloren verrekenbare verliezen.

Tussenhoudster- en waardedalingscorrectie (lid 7). In ECLI:NL:HR:2018:1791 (2018) oordeelde de Hoge Raad dat aan de destijds geldende bepaling over de tussenhoudster- en waardedalingscorrectie (thans lid 7) geen ruimere uitleg kan worden gegeven dan de bewoordingen toelaten, ook niet met een beroep op doel en strekking: het liquidatieverlies bij liquidatie van een tussenhoudster na ontvoeging uit de fiscale eenheid werd volgens de grammaticale lezing vastgesteld. ECLI:NL:HR:2023:1335 (2023) preciseerde dat die correctie moet worden berekend over de daling van de waarde in het economische verkeer van de aandelen in de kleindochter, naar rato van het percentage belang dat de belastingplichtige in de tussenhoudster hield in de opeenvolgende perioden. Gerechtshof Amsterdam paste deze lijn feitelijk toe in ECLI:NL:GHAMS:2021:650 (2021): de belastingplichtige maakte niet aannemelijk dat de aankoop van de onderliggende groep een "miskoop" was, zodat het liquidatieverlies terecht werd verminderd met de waardedaling sinds de aankoop.

Temporele eis en de niet-tegemoetkomingseis. Ook hier loopt een conclusie en een arrest via hetzelfde zaaknummer (21/04202): de advocaat-generaal boog zich in ECLI:NL:PHR:2022:361 over de vraag of een Ierse group relief-regeling, waarmee een geliquideerde Ierse deelneming tijdens haar bestaan verliezen aan groepsvennootschappen kon overdragen, in de weg staat aan liquidatieverliesaftrek onder de niet-tegemoetkomingseis, en op welk tijdstip dat moet worden beoordeeld. De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2025:417 (2025) dat die eis wordt getoetst naar de feiten op het tijdstip van voltooiing van de vereffening, en dat de wetgever bewust heeft aanvaard dat verliezen daardoor in zekere zin dubbel aftrekbaar kunnen zijn.

Afwaardering van een concernlening bij liquidatie. In ECLI:NL:HR:2011:BR4807 (2011) oordeelde de Hoge Raad dat het afwaarderingsverlies op een onzakelijk vormgegeven lening "omlaag" aan een deelneming aftrekbaar is bij voltooiing van de liquidatie, door ophoging van het voor die deelneming opgeofferde bedrag. Dit verbindt de onzakelijke lening-problematiek rechtstreeks aan de berekening van het opgeofferde bedrag onder art. 13d.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Omdat het opgeofferde bedrag een extracomptabele grootheid is (HR 2022:1578), wordt de onderbouwing los van de jaarrekeningwaardering opgebouwd; aansluiten bij de commerciële boekwaarde is onvoldoende.
  • Voor de tussenhoudster- en waardedalingscorrectie laat HR 2018:1791 geen ruimte voor een uitleg voorbij de bewoordingen, ook niet vanuit doel en strekking; HR 2023:1335 vereist daarbij een herrekening naar rato van het gehouden percentage per periode, en Hof Amsterdam 2021:650 laat zien dat de bewijslast voor een "miskoop"-verweer bij de belastingplichtige ligt.
  • Het toetsmoment voor de niet-tegemoetkomingseis ligt bij voltooiing van de vereffening (HR 2025:417); wijzigingen in de fiscale positie tot dat moment beïnvloeden de uitkomst nog.
  • De termijn van lid 14 onderdeel c vergt tijdige planning van de vereffening; overschrijding is alleen te repareren indien de belastingplichtige doet blijken dat het uitstel niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van heffing.
  • Bij turboliquidatie van een tussenhoudster zonder liquidatie-uitkering kan het volledig geïnvesteerde kapitaal als liquidatieverlies gelden (KG:023:2025:9), maar na een eerdere inbreng van aandelen in een dieper gelegen vennootschap, een tussentijdse kapitaalstorting, of een storting ter aflossing van schulden kort vóór liquidatie kan het liquidatieverlies juist op nihil uitkomen of het opgeofferde bedrag ongewijzigd blijven (KG:023:2024:8, KG:023:2024:9, KG:023:2025:10).
  • Bij een buitenlandse deelneming wordt de voltooiing van de vereffening naar Nederlands civiel recht beoordeeld; een Duitse Formwechsel van een cv naar een GbR vormt daarbij geen voltooide vereffening (KG:023:2023:1, KG:023:2023:3).

Recente ontwikkelingen

Naast HR 2025:417 is de kennisgroep van de Belastingdienst in de periode 2023-2025 herhaaldelijk ingegaan op aangrenzende vragen, in chronologische volgorde: de Duitse Formwechsel en de voltooide vereffening (KG:023:2023:1, februari 2023), de voltooiing van de vereffening van een buitenlandse deelneming naar Nederlands recht (KG:023:2023:3, maart 2023), de tussentijdse kapitaalstorting bij lid 7 (KG:023:2024:8, juni 2024), de inbreng van aandelen in een achterkleindochtervennootschap (KG:023:2024:9, september 2024), de turboliquidatie van een tussenhoudster zonder liquidatie-uitkering (KG:023:2025:9, mei 2025), het niet verhogen van het opgeofferde bedrag met een kapitaalstorting ter aflossing van schulden (KG:023:2025:10, juni 2025), en het moment waarop een moedermaatschappij het liquidatieverlies mag inbrengen bij staking van een binnen een fiscale eenheid voortgezette onderneming (KG:023:2025:11, november 2025).

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 53 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.