Schenk- en erfbelasting
Waardering voor de schenk- en erfbelasting
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Voor de heffing van schenk- en erfbelasting moet elke verkrijging worden omgezet in een geldbedrag voordat tarief en vrijstellingen kunnen worden toegepast. Bij een schenking of vererving van bijvoorbeeld een woning, een onderneming of een vruchtgebruik is er geen vanzelfsprekende prijs: er is geen koper en verkoper die tot een marktprijs zijn gekomen. Artikel 21 SW 1956 regelt daarom voor de Successiewet zelf naar welke maatstaf en op welk tijdstip het verkregene in aanmerking wordt genomen. Hoofdregel is de waarde in het economische verkeer (WEV) op het verkrijgingsmoment; voor een reeks specifieke goederen schrijven de wet en het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 een eigen, forfaitaire of vervangende maatstaf voor.
Kernbegrippen: de WEV (wat een derde in het vrije commerciële verkeer zou betalen), de WOZ-waarde (de gemeentelijke waarde op grond van de Wet WOZ, die voor woningen de WEV vervangt), de leegwaarderatio (een forfaitair kortingspercentage op de WOZ-waarde voor verhuurde woningen) en de going-concernwaarde tegenover de liquidatiewaarde (voortzettings- versus beëindigingswaarde van een onderneming). Welke maatstaf van toepassing is, en hoe die wordt ingevuld, is in veel dossiers de kern van het geschil met de Belastingdienst.
Wanneer speelt dit
Waardering onder artikel 21 SW 1956 speelt onder meer bij: de schenking of vererving van een woning (eigen gebruik of verhuurd); de vererving van een woning waarop een vruchtgebruik, een ander beperkt recht of een periodieke uitkering rust; legaten waarvan de omvang afhankelijk is van de waarde van een woning; de verkrijging van effecten die genoteerd staan op een aangewezen prijscourant; de vererving of schenking van een onderneming of een aanmerkelijkbelangpakket in het kader van bedrijfsopvolging; de waardering van geldvorderingen en schulden die voortvloeien uit de wettelijke verdeling van een nalatenschap; en de verkoop van een woning aan een familielid tegen een prijs onder de WEV, al dan niet gevolgd door gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de koopsom.
Hoe werkt de waardering
De toepassing van artikel 21 SW 1956 volgt in de praktijk steeds dezelfde stappen:
- Vaststellen wat er is verkregen. Een woning, verhuurd of verpacht vastgoed, een vruchtgebruik of periodieke uitkering, ondernemingsvermogen of een aanmerkelijkbelangpakket, een geldvordering, genoteerde effecten, of overig vermogen waarvoor geen bijzonder voorschrift geldt.
- Bepalen welk waarderingsregime van toepassing is. Elk type object heeft een eigen maatstaf; zie het overzicht hieronder.
- Vaststellen van het verkrijgingsmoment. Bij schenking is dat het moment van de rechtshandeling; bij vererving in beginsel de overlijdensdatum, behalve bij voorwaardelijke verkrijgingen zoals tweetrapsmakingen (zie hierna en het thema fictieve verkrijgingen SW).
- Toepassen van de maatstaf, inclusief een eventueel keuzerecht (voor woningen: het verkrijgingsjaar of het daaropvolgende jaar).
| Regime | Maatstaf | Vindplaats |
|---|---|---|
| Hoofdregel | Waarde in het economische verkeer (WEV) op het verkrijgingsmoment | Art. 21 lid 1 SW 1956 |
| Woning (eigen gebruik) | WOZ-waarde van het verkrijgingsjaar of, naar keuze, het daaropvolgende jaar | Art. 21 lid 5 SW 1956 |
| Verhuurde of verpachte woning | Leegwaarderatio: percentage van de WOZ-waarde | Art. 21 lid 8 SW 1956, art. 10a Uitvoeringsbesluit SW 1956 |
| Vruchtgebruik, beperkt recht, periodieke uitkering | Waarde in onbezwaarde staat, verminderd met de waarde van de last, berekend met een kapitalisatiefactor | Art. 21 lid 11 en 14 SW 1956, art. 5-10 Uitvoeringsbesluit SW 1956 |
| Onderneming en aanmerkelijk belang | Going-concernwaarde, ten minste de liquidatiewaarde | Art. 21 lid 13 SW 1956 |
| Erfpachtcanon op een woning | Zeventienvoud (of, bij een verhuurde woning, twintigvoud) van het jaarlijkse bedrag | Art. 21 lid 9 SW 1956, art. 10b Uitvoeringsbesluit SW 1956 |
Voor de leegwaarderatio geldt sinds 2021 een gestaffeld percentage van de WOZ-waarde, afhankelijk van de jaarlijkse huur of pacht als percentage van die WOZ-waarde. De staffel is dekkend: elk huurniveau valt in precies één schijf.
| Jaarhuur/-pacht als percentage van de WOZ-waarde | Leegwaarderatio (2026) |
|---|---|
| tot en met 1% | 73% |
| meer dan 1% tot en met 2% | 79% |
| meer dan 2% tot en met 3% | 84% |
| meer dan 3% tot en met 4% | 90% |
| meer dan 4% tot en met 5% | 95% |
| meer dan 5% | 100% |
Een aantal aanvullende, jaartal-gebonden cijfers werkt in dezelfde regimes door:
| Onderdeel | Bedrag/percentage | Vindplaats |
|---|---|---|
| Aftrek op de WOZ-waarde bij een niet zelfstandig verkoopbaar deel van een gebouwd eigendom | € 20.000 | Art. 10a lid 4 Uitvoeringsbesluit SW 1956 |
| Terugval op de WEV als de leegwaarderatio-uitkomst te veel afwijkt | Marge van 10% ten opzichte van de WEV in verhuurde staat | Art. 10a lid 6 Uitvoeringsbesluit SW 1956 |
| Rekenpercentage voor de waardering van vruchtgebruik en periodieke uitkeringen | 6% | Art. 10 Uitvoeringsbesluit SW 1956 |
| Grens waarboven een kwijtschelding van de koopsom niet meer als afzonderlijke schenking, maar de woning zelf als object van schenking geldt | 90% van de WEV | Besluit Schenk- en erfbelasting, waardering, onderdeel 7.1 |
Voor periodieke uitkeringen afhankelijk van het leven van één persoon geldt bovendien een leeftijdsafhankelijke factor waarmee het jaarlijkse bedrag wordt vermenigvuldigd: van 16 (jonger dan 20 jaar) aflopend, via onder meer 12 (50 tot 55 jaar) en 8 (65 tot 70 jaar), tot 2 (90 jaar of ouder). Uitkeringen die na een bepaalde tijd vervallen kennen een eigen tabel met factoren per periode van vijf jaar, aflopend van 0,84 (eerste vijf jaar, jonger dan 40) tot 0,06-0,15 (na twintig jaar); een uitkering voor onbepaalde tijd die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.
Gevolg van toepassing. De uitkomst van de waardering vormt de heffingsgrondslag waarover vervolgens het toepasselijke tarief en de vrijstellingen worden berekend, zie de thema's tarieven en vrijstellingen voor de erfbelasting en vrijstellingen voor de schenkbelasting. Een hogere waardering leidt dus rechtstreeks tot een hogere aanslag; een lagere waardering (zoals de leegwaarderatio of de liquidatiewaarde) tot een lagere.
Procedure. Het keuzerecht tussen de WOZ-waarde van het verkrijgingsjaar en die van het daaropvolgende jaar (lid 5) wordt uitgeoefend in de aangifte. Bij een wettelijke verdeling telt een door de erfgenamen afgesproken rentepercentage voor de erfbelasting alleen mee als die afspraak binnen de aangiftetermijn van artikel 45 SW 1956 wordt gemaakt; zonder afspraak geldt de wettelijke rente van artikel 4:13, derde en vierde lid, BW, voor zover die hoger is dan 6%.
Reikwijdte. Onder artikel 21 SW 1956 vallen de waardering van het verkregen vermogensbestanddeel zelf. Er valt buiten: de waardering voor de overdrachtsbelasting, die een eigen regime kent (zie het thema overdrachtsbelasting), ook al gaat het vaak om dezelfde onroerende zaak. Bij verkoop van een woning tegen een prijs onder de WEV geldt de WOZ-waarde als uitgangspunt voor de schenking (lid 5), maar zodra de koopsom schuldig wordt gebleven en vervolgens voor 90% of meer van de WEV wordt kwijtgescholden, verschuift het object van de schenking naar de woning zelf; blijft de kwijtschelding daaronder, dan is het kwijtgescholden bedrag zelf het object van een afzonderlijke schenking, gewaardeerd op het nominale bedrag van de kwijtschelding en niet op de WOZ-waarde.
Wettelijk kader
Artikel 21 SW 1956 bestaat uit een hoofdregel en een reeks uitzonderingen voor specifieke goederen, met steeds als doel een waardebepaling te geven die aansluit bij de aard van het verkregen recht.
Lid 1 formuleert de hoofdregel: het verkregene wordt gewaardeerd naar de WEV op het verkrijgingsmoment. De leden 2 en 4 regelen het verkrijgingsmoment voor tweetrapsmakingen: goederen die onder de ontbindende voorwaarde van overlijden zijn verkregen, met een aansluitende opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter, worden voor de eerste verkrijger gewaardeerd alsof de verkrijging onvoorwaardelijk was; voor de verwachter zelf is bij de vervulling van die opschortende voorwaarde het moment waarop diens genot aanvangt beslissend voor aard en waarde. Deze bepalingen sluiten aan bij de fictiebepalingen voor tweetrapsmakingen elders in de wet, zie het thema fictieve verkrijgingen SW. Lid 3 geeft voor genoteerde effecten een objectieve peildatum: de slotnotering op de laatste beursdag voorafgaand aan de verkrijging.
Voor woningen wijkt lid 5 af van het WEV-uitgangspunt: de waarde wordt gesteld op de WOZ-waarde van het verkrijgingsjaar, of, als de verkrijger daarvoor kiest, van het daaropvolgende kalenderjaar. Maakt de woning deel uit van een groter gebouwd eigendom, dan wordt alleen het aan de woning toe te rekenen deel van die WOZ-waarde in aanmerking genomen. De leden 6 en 7 vullen dit aan voor situaties waarin nog geen WOZ-waarde is vastgesteld, of waarin zich vóór het verkrijgingsmoment een waarderingsrelevante gebeurtenis in de zin van artikel 18, derde lid, Wet WOZ heeft voorgedaan (zoals verbouwing of bestemmingswijziging).
Voor verhuurde of verpachte woningen geldt op grond van lid 8 een afslag op de WOZ-waarde: de leegwaarderatio, uitgewerkt in artikel 10a Uitvoeringsbesluit SW 1956 (zie tabel hierboven). De woning wordt niet lager gewaardeerd dan de gewone WOZ-waarde als de huurder of pachter zelf, of diens partner, de woning verkrijgt. Lid 16 sluit de leegwaarderatio bovendien uit bij een huurovereenkomst voor bepaalde tijd (art. 7:271 BW) en bij gelieerde partijen die een huur- of pachtprijs zijn overeengekomen die tussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen. Lid 10 voorziet in een terugval op de WEV wanneer servicekosten voor niet-woninggerelateerde diensten de waarde in belangrijke mate doen afwijken van de WOZ-waarde. Lid 9 regelt de waarde van een erfpachtcanon op een woning: het jaarlijkse bedrag maal zeventien (of twintig bij een verhuurde woning), af te trekken van de WOZ-waarde om de waarde van het erfpachtrecht zelf te bepalen.
Voor lasten van vruchtgebruik, een beperkt recht of een periodieke uitkering bepaalt lid 11 dat de waarde van het verkregene wordt gesteld op de waarde in onbezwaarde staat, verminderd met de waarde van die last, waarbij bij opeenvolgende vruchtgebruiken, beperkte rechten en periodieke uitkeringen direct met die opvolging rekening wordt gehouden. Lid 14 draagt de nadere rekenregels en het te hanteren percentage op aan een algemene maatregel van bestuur; dat percentage is in het Uitvoeringsbesluit vastgesteld op 6, en de leeftijds- en looptijdafhankelijke factoren staan in de artikelen 5 tot en met 9 van dat besluit.
Voor ondernemingsvermogen en aanmerkelijkbelangaandelen bepaalt lid 13 dat de waarde wordt bepaald alsof de onderneming wordt voortgezet (going-concernwaarde), maar nooit lager dan de liquidatiewaarde; dezelfde maatstaf geldt voor vermogensbestanddelen die tot een aanmerkelijk belang behoren. Dit is ook het vertrekpunt bij vererving of schenking van een onderneming of aanmerkelijkbelangpakket in het kader van bedrijfsopvolging, zie het thema bedrijfsopvolgingsregeling.
De overige leden vullen het stelsel aan: lid 12 bepaalt dat wat in het economische verkeer als eenheid geldt, ook als zodanig wordt gewaardeerd; lid 15 merkt bepaalde geldvorderingen en -schulden uit de wettelijke verdeling van een nalatenschap aan als renteloos wanneer daarop het rentepercentage van artikel 4:13, vierde lid, of artikel 4:84 BW van toepassing is.
Belangrijkste rechtspraak
Rond de WOZ-waarde als peildatum heeft de Hoge Raad meermaals bevestigd dat de wetgever binnen zijn beoordelingsvrijheid blijft. Op 21 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:339) oordeelde de Hoge Raad dat voor de erfbelasting de WOZ-waarde naar een peildatum vóór het overlijden mag worden gehanteerd, ook al ligt die waarde door een waardedaling hoger dan de waarde op de sterfdatum zelf. Op 11 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:835) oordeelde de Hoge Raad dat ook een erfgenaam met een overbedelingsvordering recht heeft op een eigen WOZ-beschikking, omdat de WOZ-waarde van de woning ook voor die erfgenaam relevant is voor de erfbelasting; de heffingsambtenaar moest alsnog een beschikking afgeven. Op 11 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3491) besliste de Hoge Raad dat ook bij een legaat waarvan de omvang afhankelijk is van de waarde van een woning, voor de erfbelasting van de WOZ-waarde van die woning moet worden uitgegaan.
Rond de leegwaarderatio is de lijn dat het forfait moet aansluiten bij de werkelijke waarde. In HR 23 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2135) oordeelde de Hoge Raad dat artikel 10a Uitvoeringsbesluit SW onverbindend is voor zover de uitkomst ervan in betekenende mate afwijkt van de werkelijke waarde van de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum; de sinds 2021 geldende 10%-marge van lid 6 is een codificatie van die gedachte. Bij arrest van 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:507) verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond en verwees de zaak, omdat het verwijzingshof alsnog moet onderzoeken of en in hoeverre de verhuurde staat van woningen een waardedrukkend effect heeft op de WEV bij de waardering van geschonken certificaten van aandelen in een vastgoedvennootschap. Hoe de verhuurde staat van vastgoed doorwerkt in de waardering van zulke indirect gehouden belangen, staat daarmee nog niet vast.
Over een gebruiksrecht dat niet in artikel 21 SW is voorzien oordeelde de Hoge Raad op 9 april 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL0105) dat een woning die de verkrijger op basis van een huurovereenkomst met de erflater bewoonde, toch moet worden gewaardeerd naar de waarde in vrij opleverbare staat op grond van het toenmalige artikel 21, lid 11, SW 1956, en dat dit geen ongeoorloofde discriminatie oplevert ten opzichte van een mede-erfgenaam die niet in de woning woonde.
Voor ondernemingsvermogen oordeelde de Hoge Raad op 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:115) dat het maatschapsaandeel van de langstlevende echtgenote na ontbinding van de maatschap door overlijden van de erflater moet worden gewaardeerd op de liquidatiewaarde, omdat op haar niet langer de verplichting rustte de onderneming tegen de overnamewaarde te laten overnemen. Voor overig vermogen waarvan de waarde onzeker is, aanvaardde de Hoge Raad op 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:31) dat de waarde op de overlijdensdatum mag worden geschat aan de hand van een later gerealiseerde verkoopprijs, mits met de tussentijdse marktontwikkeling rekening wordt gehouden; in die zaak ging het om een zeldzame Chinese pot waarvan partijen de waarde niet aannemelijk hadden gemaakt.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij verhuurde woningen is de leegwaarderatio niet automatisch toepasbaar: van belang is of de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan of tussen gelieerde partijen tot stand kwam (uitsluiting van lid 16), en of de uitkomst van de ratio in betekenende mate afwijkt van de werkelijke waarde (ECLI:NL:HR:2016:2135; sinds 2021 gecodificeerd als de 10%-marge van lid 6).
- Bij (indirecte) verkrijgingen van verhuurd vastgoed, zoals certificaten van aandelen in een vastgoedvennootschap, is nog niet uitgekristalliseerd hoe de verhuurde staat doorwerkt in de WEV; dit vergt een feitelijke beoordeling per geval (ECLI:NL:HR:2025:507).
- Het keuzerecht tussen de WOZ-waarde van het verkrijgingsjaar en het daaropvolgende jaar (lid 5) kan bij dalende woningmarkten in het voordeel van de verkrijger uitpakken, maar de wetgever heeft doelbewust een peildatum vóór het overlijden geaccepteerd (ECLI:NL:HR:2014:339).
- Bij vererving van ondernemingsvermogen of een aanmerkelijkbelangpakket is steeds de hoogste van going-concernwaarde en liquidatiewaarde bepalend; bij ontbinding van een samenwerkingsverband kan de overnameverplichting zijn komen te vervallen, waardoor de liquidatiewaarde de juiste maatstaf wordt (ECLI:NL:HR:2016:115).
- Bij verkoop van een woning tegen een te lage koopsom gevolgd door kwijtschelding blijft de 90%-grens gevoelig voor de volgorde en timing van de kwijtscheldingen: alleen kwijtscheldingen tot en met de dag van de juridische levering tellen mee bij de beoordeling of 90% of meer van de WEV is kwijtgescholden.
- Voor lasten van vruchtgebruik, beperkte rechten of periodieke uitkeringen wordt eerst de waarde in onbezwaarde staat vastgesteld en pas daarna verminderd met de waarde van de last zelf, tegen het vaste rekenpercentage van 6%; bij opeenvolgende rechten wordt die opvolging direct in de berekening verwerkt.
Recente ontwikkelingen
Kennisgroepstandpunt KG:063:2024:6 van 8 mei 2024 houdt in dat verkoopkosten, zoals makelaarskosten, niet in mindering komen op de waarde in het economische verkeer bij de bepaling van de erfbelasting volgens artikel 21 SW 1956. Kennisgroepstandpunt KG:063:2024:7 van 15 mei 2024 verduidelijkt dat de specifieke waarderingsvoorschriften van artikel 21 SW 1956 niet gelden voor een vordering uit een finaal verrekenbeding, en dat daarvoor de WEV de maatstaf blijft.
Bij arrest van 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:507) verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond en verwees de zaak, omdat het verwijzingshof alsnog moet onderzoeken of en in hoeverre de verhuurde staat van woningen een waardedrukkend effect heeft op de WEV bij de waardering van geschonken certificaten van aandelen.
Met ingang van 1 januari 2026 geldt het Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026, dat beleid bevat over de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting; onderdelen van het voorgaande beleid op dit terrein zijn daarmee achterhaald.
In het kennisgroepstandpunt KG:063:2026:3 van 6 mei 2026 is goedgekeurd dat bij een schenking vrij-van-recht van een onroerende zaak waarover ook overdrachtsbelasting is verschuldigd, de vrij-van-recht-berekening plaatsvindt over de schenkbelasting van de begiftigde, met verrekening van de overdrachtsbelasting en verdeling van de vrijstelling over beide schakels.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
8 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2025:507 (2025)
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond en verwijst de zaak, omdat het verwijzingshof moet onderzoeken of en in hoeverre de verhuurde staat van de woningen een waardedrukkend effect heeft op de waarde in het economische verkeer bij de waardering van geschonken certificaten van aandelen.
-
ECLI:NL:HR:2014:339 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever zijn ruime beoordelingsvrijheid niet overschrijdt door voor de erfbelasting de WOZ-waarde van een woning naar een peildatum vóór het overlijden te hanteren, ook al ligt die waarde door een waardedaling hoger dan de waarde op de sterfdatum.
-
ECLI:NL:HR:2016:2135 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat de leegwaarderatio van artikel 10a Uitvoeringsbesluit Successiewet onverbindend is voor zover de uitkomst ervan in betekenende mate afwijkt van de werkelijke waarde van de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum.
-
ECLI:NL:HR:2015:3491 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de waardering van een legaat voor de erfbelasting, voor zover de omvang daarvan afhankelijk is van de waarde van een woning, moet worden uitgegaan van de WOZ-waarde van die woning.
-
ECLI:NL:HR:2014:835 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat ook aan een erfgenaam met een overbedelingsvordering een WOZ-beschikking moet worden afgegeven, omdat de WOZ-waarde van de woning ook voor hem van belang is; het beroep in cassatie is gegrond en de heffingsambtenaar moet alsnog een beschikking nemen.
-
ECLI:NL:HR:2010:BL0105 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat een woning die de verkrijger op basis van een huurovereenkomst met de erflater bewoonde, ingevolge artikel 21, lid 11, Successiewet 1956 toch moet worden gewaardeerd naar de waarde in vrij opleverbare staat, en dat dit geen ongeoorloofde discriminatie oplevert ten opzichte van een mede-erfgenaam die niet in de woning woonde.
-
ECLI:NL:HR:2016:115 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat het maatschapsaandeel van de langstlevende echtgenote na ontbinding van de maatschap door overlijden van de erflater moet worden gewaardeerd op de liquidatiewaarde, omdat op haar niet langer de verplichting rustte de onderneming tegen de overnamewaarde te laten overnemen.
-
ECLI:NL:HR:2013:31 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof, omdat partijen de waarde van de zeldzame Chinese pot niet aannemelijk maakten, de waarde op de overlijdensdatum mocht schatten aan de hand van de later gerealiseerde verkoopprijs, met inachtneming van de tussentijdse marktontwikkelingen.
Beleid en standpunten
10 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0046800
Beleid inzake waardering in schenk- en erfbelasting voor quasi-wettelijke verdelingen, onderwaardering van onroerende zaken, en legaten van woningen tegen inbreng van waarde.
-
Besluit BWBR0038672
Beleid inzake schenk- en erfbelasting over de toepassing van artikel 9, 10 en 15 van de Successiewet 1956, met goedkeuringen voor bepaalde situaties zoals aftrekbaarheid van kosten en waardering van erfenissen.
-
Besluit BWBR0052644
Beleid inzake bedrijfsopvolgingsregeling in schenk- en erfbelasting, met ingang 1 januari 2026. Bepaalde onderdelen uit het vorige beleid zijn achterhaald.
-
KG:063:2026:3 (2026)
Standpunt: Bij schenking vrij-van-recht van onroerende zaak met overdrachtsbelasting vindt de vrij-van-recht-berekening plaats over de schenkbelasting van de begiftigde, met verrekening van overdrachtsbelasting. De vrijstelling wordt over beide schakels verdeeld met herberekening van de overdrachtsbelasting.
-
KG:063:2024:6 (2024)
Standpunt: Verkoopkosten (makelaar, veilingkosten) komen niet op waarde in het economische verkeer in mindering bij bepaling van erfbelasting volgens artikel 21 SW 1956.
-
KG:063:2024:7 (2024)
Standpunt: Specifieke waarderingsvoorschriften artikel 21 SW 1956 gelden niet voor vordering uit finaal verrekenbeding; waarde in economisch verkeer is maatstaf.
- Kamerstuk 30306 nr. 25
- Kamerstuk 36812 nr. 3
- Kamerstuk 26727 nr. 3
- Kamerstuk 36202 nr. 3
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.