Loonbelasting

Excessieve vertrekvergoedingen

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen (art. 32bb Wet LB 1964) ontmoedigt bovenmatige gouden handdrukken bij bestuurders en andere hoger betaalde werknemers wier beloning in de aanloop naar of bij het vertrek fors wordt opgehoogd. De regeling raakt niet de werknemer die de vergoeding ontvangt, maar de werkgever die haar toekent: het bovenmatige deel wordt bij de inhoudingsplichtige belast als eindheffingsbestanddeel tegen 75%. De wet werkt met een vergelijkingssystematiek: het loon van de werknemer in het vertrekjaar en het daaropvolgende jaar, en het loon in het jaar vóór vertrek, worden elk afgezet tegen een vergelijkingsloon dat is afgeleid van het toetsloon.

Omdat de heffing bij de werkgever wordt geheven en tegen een hoog tarief, heeft zij direct gevolgen voor de onderhandeling rond ontslag en voor de fiscale kwalificatie van beloningscomponenten die rond het vertrekmoment worden toegekend of uitgeoefend, zoals aandelenopties.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op bij beëindiging van de dienstbetrekking van een werknemer met een toetsloon boven de wettelijke grens, doorgaans bestuurders, directieleden of andere senior werknemers. Concreet spelen vragen over art. 32bb Wet LB 1964 bij: het vaststellen van de vertrekvergoeding wanneer het loon in het vertrekjaar (en het jaar erna) hoger uitvalt dan in de referentiejaren; de behandeling van aandelenoptierechten die rond het vertrek onvoorwaardelijk worden of worden uitgeoefend; overgang van onderneming, waarbij art. 32bb Wet LB 1964 volgens een kennisgroepstandpunt niet van toepassing is omdat sprake is van een voortgezette dienstbetrekking bij de verkrijger; en grensoverschrijdende situaties met verdragstoepassing.

Voorwaarden en werking

De regeling grijpt alleen in als aan een aantal voorwaarden tegelijk is voldaan. Als checklist:

  1. Er is een dienstbetrekking bij een Nederlandse inhoudingsplichtige die wordt beëindigd.
  2. Het toetsloon van de werknemer (zie hierna) overschrijdt de wettelijke drempel.
  3. Het loon dat de werknemer van diezelfde inhoudingsplichtige geniet in het vertrekjaar plus het jaar erna (variabele A), of het loon in het jaar vóór vertrek (variabele B), ligt hoger dan het vergelijkingsloon.
  4. Er resteert na de berekening van lid 4 een positief verschil; alleen dat positieve deel is de "vertrekvergoeding" in de zin van art. 32bb.

Het toetsloon zelf wordt bepaald aan de hand van het moment van indiensttreding, in vier varianten (lid 3, onderdelen a tot en met d): bij een dienstbetrekking die al twee of meer kalenderjaren vóór het vertrek liep, telt het (eventueel op jaarbasis herleide) loon van het tweede jaar vóór vertrek; bij een dienstbetrekking die pas in het jaar vóór vertrek begon, telt het op jaarbasis herleide loon van dat jaar; en bij een dienstbetrekking die in het vertrekjaar zelf begon en eindigde, wordt het toetsloon fictief herrekend alsof de dienstbetrekking het hele jaar had geduurd.

ElementBedrag / mechanismeVindplaats
Tarief pseudo-eindheffing75% over het excessieve deelart. 32bb lid 1 Wet LB 1964
Drempel toetsloon€ 700.000 (wettelijk basisbedrag)art. 32bb lid 2 Wet LB 1964
Indexatie van de drempeljaarlijks bij ministeriële regeling, vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactorart. 32bb lid 8 Wet LB 1964 jo. art. 10.2 Wet IB 2001
Referentieperiode Aloon in het kalenderjaar van beëindiging plus het daaropvolgende jaarart. 32bb lid 3 en 4 Wet LB 1964
Referentieperiode Bloon in het kalenderjaar vóór beëindigingart. 32bb lid 4 Wet LB 1964

De drempel van € 700.000 is het bedrag zoals dat in de wet zelf staat; het voor het lopende jaar geldende, geïndexeerde bedrag wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld en is dus hoger dan het wettelijke basisbedrag.

Gevolg van toepassing. Zodra het positieve verschil is vastgesteld, wordt dat bedrag bij de werkgever belast als eindheffingsbestanddeel tegen 75%, bovenop de gewone loonheffing die al over de vertrekvergoeding is of wordt ingehouden. Voor de werknemer verandert er niets aan de eigen aangifte: de heffing loopt volledig via de inhoudingsplichtige.

Procedure. Er is geen keuze- of aanvraagmoment: de pseudo-eindheffing werkt van rechtswege mee in de aangifte loonheffingen van de inhoudingsplichtige. Het toerekeningsmoment is het tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking, of het latere tijdstip waarop de vertrekvergoeding daadwerkelijk als loon wordt genoten; wordt op meer dan één tijdstip berekend, dan wordt verrekend met wat eerder al is berekend (lid 7). Meent de inhoudingsplichtige dat de heffing ten onrechte of te hoog is toegepast — bijvoorbeeld vanwege de tegenbewijsregeling van lid 6 — dan loopt de correctie via bezwaar tegen de eigen aangifte, zoals bij bezwaar en beroep in de loonheffingen gebruikelijk is.

Reikwijdte. Buiten het bereik van art. 32bb vallen: werknemers met een toetsloon op of onder de drempel; situaties van overgang van onderneming, omdat dan volgens een kennisgroepstandpunt sprake is van een voortgezette dienstbetrekking bij de verkrijger; en, voor zover de inhoudingsplichtige dat aannemelijk maakt, het deel van het verschil dat samenhangt met een aandelenoptierecht dat al vóór het jaar voorafgaand aan de beëindiging onvoorwaardelijk was toegekend (lid 6). Wél binnen het bereik vallen andere loonbestanddelen die toevallig in de referentiejaren pieken, ook als zij feitelijk niets met het vertrek te maken hebben, en optierechten die pas rond het vertrek onvoorwaardelijk worden of verhandelbaar worden. Samenloop met de pseudo-eindheffing van art. 32ba lid 1 Wet LB 1964 (bepaalde RVU-achtige uitkeringen) is uitgesloten: een bedrag dat al onder die bepaling als eindheffingsbestanddeel is aangemerkt, telt niet nogmaals mee onder art. 32bb (lid 9).

Wettelijk kader

Art. 32bb lid 1 Wet LB 1964 vormt de kern: een vertrekvergoeding wordt voor het deel dat het toetsloon te boven gaat aangemerkt als loon dat als eindheffingsbestanddeel wordt belast naar 75%. Dat de heffing als eindheffingsbestanddeel loopt, is bepalend voor wie zij treft: niet de werknemer, maar de inhoudingsplichtige die de aangifte loonheffingen doet.

Lid 2 begrenst de reikwijdte met een drempel: onder een toetsloon van € 700.000 is het artikel niet van toepassing. Lid 8 zorgt dat die drempel niet in nominale termen uitholt: het bedrag wordt bij het begin van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een bedrag dat is herrekend met de tabelcorrectiefactor van art. 10.2 Wet IB 2001, met afronding; is in het voorafgaande jaar al afgerond, dan mag bij de volgende vervanging van het niet-afgeronde bedrag worden uitgegaan.

Lid 3 definieert het toetsloon aan de hand van het moment waarop de dienstbetrekking is aangevangen, in vier situaties (onderdelen a tot en met d). In de onderdelen a tot en met c wordt aangesloten bij het (voor b en c op jaarbasis herleide) loon in een referentiejaar vóór het vertrek. Onderdeel d ziet op de dienstbetrekking die is aangevangen in het kalenderjaar van beëindiging zelf; het toetsloon is dan het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar van de inhoudingsplichtige zou hebben genoten indien de dienstbetrekking aan het begin van dat kalenderjaar was aangevangen en niet in dat kalenderjaar was beëindigd. Deze constructie voorkomt dat een zeer korte, hoog beloonde dienstbetrekking buiten het toetsloon-bereik valt.

Lid 4 werkt de vertrekvergoeding zelf uit als de som van het positieve verschil tussen het loon in het vertrekjaar plus het jaar erna (A) en het vergelijkingsloon, en het positieve verschil tussen het loon in het jaar vóór vertrek (B) en het vergelijkingsloon. Het vergelijkingsloon is in beginsel het toetsloon, naar evenredigheid verminderd voor het deel van het vertrekjaar dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan. Door zowel A als B te toetsen, pakt de regeling zowel een loonpiek ná als een loonpiek vóór het feitelijke vertrekmoment.

Lid 5 bepaalt dat bij de vaststelling van A en B ook wordt meegenomen wat aan loon uit een aandelenoptierecht zou zijn genoten als dat recht op het moment van beëindiging zou zijn uitgeoefend (niet uitgeoefend recht) respectievelijk verhandelbaar zou zijn geworden (wel uitgeoefend recht). Zonder deze bepaling zou een optiepakket dat pas na het vertrek tot loon leidt, buiten de vergelijkingssystematiek kunnen blijven. Lid 6 bevat de tegenhanger: een tegenbewijsregeling waarmee lid 1 buiten toepassing blijft voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het verschil verband houdt met loon uit een aandelenoptierecht dat al onvoorwaardelijk was toegekend vóór het jaar voorafgaand aan de beëindiging — dus met opties die duidelijk los staan van het vertrek.

Lid 7 regelt het toerekeningsmoment: een vertrekvergoeding wordt geacht te zijn toegekend op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking, of op het latere moment waarop zij als loon wordt genoten, met verrekening als op meerdere momenten wordt berekend. Lid 9 sluit samenloop uit met de pseudo-eindheffing voor bepaalde als eindheffingsbestanddeel aangemerkte bedragen van art. 32ba lid 1, zodat hetzelfde bedrag niet dubbel tegen een hoog tarief wordt belast.

Belangrijkste rechtspraak

De rechtspraak over art. 32bb valt uiteen in twee lijnen: de geldigheid en reikwijdte van de grondslagbepaling zelf, en de afbakening van wie als inhoudingsplichtige/werkgever geldt.

Grondslag en tegenbewijs. De Hoge Raad oordeelde al in 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1463) dat de wetgever bij art. 32bb Wet LB 1964 mocht aanknopen bij loon dat al vóór de invoering van de bepaling was genoten, dat geen tegenbewijsregeling behoefde te worden opgenomen voor loonbestanddelen die geen verband houden met het vertrek, en dat dit niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM of het discriminatieverbod. Deze lijn is in 2020 bevestigd en aangescherpt (ECLI:NL:HR:2020:1877): de tegenbewijsregeling van lid 6 ziet uitsluitend op aandelenoptierechten, zodat het ontbreken van een verband tussen de toekenning van performance shares of conversion shares en de beëindiging van de dienstbetrekking niet meebrengt dat deze buiten de grondslag blijven. Samen betekenen deze arresten dat de grondslag van art. 32bb ruim is opgezet en dat tegenbewijs alleen slaagt binnen het smalle kader van lid 6.

Aandelenopties en het toerekeningsmoment. De Hoge Raad besliste in 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2897) dat voor de toepassing van lid 7 niet van belang is of aan de uitoefening van een aandelenoptierecht voorwaarden zijn verbonden: ook een voorwaardelijk toegekend recht geldt als toegekend. In 2025 (ECLI:NL:HR:2025:508) voegde de Hoge Raad daaraan toe dat bij de berekening van het toetsloon ook vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen meetellen, zoals extraterritoriale kosten onder de 30%-regeling. Beide arresten verbreden materieel de grondslag: eerst door voorwaardelijke optierechten mee te tellen, daarna door ook vrijgestelde beloningsbestanddelen in het toetsloon te betrekken.

Wie is de inhoudingsplichtige. Bij concernstructuren is van belang bij welke vennootschap de dienstbetrekking daadwerkelijk bestaat, omdat de pseudo-eindheffing alleen de inhoudingsplichtige van die dienstbetrekking treft. De Hoge Raad oordeelde in 2020 (ECLI:NL:HR:2020:820) dat voor de vraag of tussen een moedervennootschap en een werknemer een dienstbetrekking bestaat de civielrechtelijke maatstaven van art. 7:610 BW gelden, en bevestigde dat de dienstbetrekking bij de moeder- en niet bij de dochtervennootschap lag. Deze afbakening raakt ook de bredere kwalificatie van de arbeidsrelatie en bepaalt welke vennootschap in een groep het risico van de 75%-heffing draagt.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De heffing treft de inhoudingsplichtige, niet de werknemer; het financiële risico van een bovenmatige beloningsophoging rond vertrek ligt daarmee bij de werkgever, ook wanneer de vergoeding in de onderhandeling formeel als afspraak met de werknemer wordt vastgelegd.
  • Bij aandelenopties en vergelijkbare rechten (performance shares, conversion shares) is apart relevant of lid 5 (meetellen in A/B) en lid 7 (toerekeningsmoment) van toepassing zijn, ook als voorwaarden aan uitoefening zijn verbonden of geen aantoonbaar verband met het vertrek bestaat; de tegenbewijsregeling van lid 6 biedt hier geen uitweg omdat zij alleen ziet op vóór het jaar-1 onvoorwaardelijk toegekende optierechten.
  • Bij werknemers met vrijgestelde vergoedingen of verstrekkingen, zoals extraterritoriale kosten onder de 30%-regeling, wordt het toetsloon herrekend met inbegrip van die vrijgestelde bestanddelen — een grondslagverbreding die de drempel van € 700.000 eerder bereikbaar maakt dan op basis van het brutoloon alleen zou lijken.
  • Bij grensoverschrijdende dienstbetrekkingen loopt de kwalificatie via het bestuurdersartikel (art. 16 OESO-modelverdrag) als sprake is van een bestuurder, ongeacht waar de werkzaamheden feitelijk zijn verricht, met dien verstande dat onder specifieke verdragen zoals dat met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten het heffingsrecht pro rata wordt toegerekend aan de in dat andere land verrichte diensten; voor een niet in Nederland wonende bestuurder geldt voor de toetsloonbepaling het volledige loon van art. 10 Wet LB 1964, niet alleen het Nederlandse deel, en voor een in het buitenland werkzame werknemer van een Nederlands lichaam geldt de objectvrijstelling op basis van het door het verdrag toegewezen loonsdeel. Dit raakt ook inhoudingsplicht bij loonheffingen in internationale concerns.

Recente ontwikkelingen

Het arrest van april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:508) over het meetellen van vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen bij de toetsloonberekening is de meest recente verduidelijking en is met name relevant voor vertrekkende werknemers met de 30%-regeling of een vergelijkbare vrijstelling: hun toetsloon ligt door deze uitleg hoger dan wanneer alleen het belaste loon zou meetellen, waardoor de drempel van € 700.000 eerder wordt bereikt.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Alle bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.